zondag 30 januari 2011

Oud

Vrijdagmiddag vier uur, centrale bibliotheek Apeldoorn. Op deze onverwachte plek sta ik plotseling oog in oog met mijn zoon en zijn vrienden (17+). Op mijn zoon na die zijn ze allemaal sinds enkele weken het huis uit. Ze stinken naar bier en staan geheel toevallig voor de nieuw uitgekomen boeken waar mijn gedichtenbundel Detox tussen staat. Maria kijkt vanaf haar kaft op hen neer. Ik wijs er naar met een iets te triomfantelijke blik. Vier gezichten doen hun best enthousiast te reageren. Alsof elke moeder in de bieb ligt godbetert. Eén van de vrienden pakt de bundel en slaat hem open, bekijkt mijn foto op de achterflap geïnteresseerd en zegt, mooie foto, maar u kijkt wel erg serieus, waarna hij hardop het gedicht Luchtleven begint te lezen.
Moet ik een korte pauze inlassen bij de enjambementen, vraagt hij beleefd.
Ik zeg dat dit niet hoeft.
Maar waarom staan ze er dan?
Hij kijkt me uitdagend aan. Ik weet het niet zo snel. Dat ik eigenlijk zelf nog maar drie jaar weet wat enjambementen zijn, vertel ik maar niet. 
Nou we gaan, redt mijn zoon de situatie. Naar Amsterdam.
Dat klinkt volkomen logisch.
Ik kom dus niet thuis eten, benadrukt hij alsof hij met een demente bejaarde van doen heeft.
Ik vraag niet wat ze er gaan doen. Ik vermoed dat mij dat geen barst aangaat. En eigenlijk voelt dat best goed. Ik heb een grote zoon nu. Het is dan wel veel te snel gegaan allemaal en hij stinkt naar bier om vier uur ’s middags maar hé, we staan in de bibliotheek. Er zijn ergere plekken te bedenken voor vier pubers die druk zijn het leven uit te vinden. Vier zwaaiende jongenshanden.
Dag mevrouw.
Noem me geen mevrouw alsjullieblieft, roep ik voor de zoveelste keer in zeventien jaar en besef met een schok hoe oud dat klinkt. En hoe vroeger de meest sneue ouders ons jongeren smeekten hen te tutoyeren. En dat je dat deed uit piëteit terwijl een gevoel van walging zich van je meester maakte elke keer als ze je groetten met veels te slappe handjes, alsof ze al half in ontbinding waren. In de natuur zou dan nu het moment gekomen zijn dat ik achtergelaten werd  in een diep bos. Ik zou nog wat jankende geluiden maken voor een halve maan en dat was het dan. Ik kijk naar buiten, daar lopen ze, mijn zoon in het veilige midden. Hun bovenlijven licht gebogen, hun ogen vol bravoure en met stappen die eigenlijk te groot zijn voor de stoep stevenen ze richting station. Ze duwen elkaar met schonkige schouders de straat op terwijl ze onderwijl wanhopig proberen hun handen in de zakken te houden. Ik sta voor het raam van de bieb. Ze kijken niet één keer om. Ik besef dat mijn zoon geen sjaal om heeft. En dat het vriest. Ik kijk weg van het raam. Ik kan beter naar huis gaan. Later in de auto piept mijn telefoon. Sms van mijn dochter: Mam, waar ben je?
Ik trap hard op het gaspedaal. Dat bos kan de boom in.


zondag 23 januari 2011

Vandaag vangen we gifkabouters

Waar? In de SamSam in Apeldoorn. Van 15.00 tot 17.00 tijdens de bundelpresentatie van Detox met o.a open poëziepodium, optreden van Johanna Geels en Mark Beumers. De middag wordt op geheel eigen wijze gepresenteerd door dichter Lammert Voos.

Detox

In het grote blauwe varkensbos
vangen we gifkabouters
koud zo koud

ik zoek je hand maar je staat
aan de andere kant van de stolp
met je neus tegen het glas gedrukt
ik trek mijn armen in 

 fluister gedempt over houden van
durf niet goed hardop want het bos
schrikt zo snel vandaag zijn de bomen
alweer wat kaler en vallen er bladeren
op je getormenteerde hoofd

(je klotshoofd, waar het troebele water dagen
scheef in je ogen stond, vissen schuin doorheen
zwommen, me aankeken of ze eruit wilden)

hoe moeilijk van je af te blijven
als alles vraagt om lief
er staan entiteiten tussen

laten we slapen, vissen bevrijden
kabouters vangen, slapen, voor altijd
wakker worden.