zondag 28 juli 2013

JG in den HPee.

Vanaf vandaag 'heeft' JG een wekelijkse column bij HP/DeTijd online! Bij dezes de eerste:

JG bezoekt de tandarts
JG bij de tandarts: JG: Tandarts, mijn ganse mond lijkt scheef, mijn kies doet zeer en het
voelt alsof er niets meer op zijn plek zit. Tandarts: Dat is een hele rare klacht. JG: Ja.
Tandarts maakt foto's, tandarts kijkt in... (lees verder bij: HP/DeTijd)

woensdag 24 juli 2013

JG belt UPC

UPC: Gefeliciteerd mevrouw JG, met uw Mediabox!
JG: Danku, danku, ik ben er ook blij mee, maar sommige dingen werken niet.
UPC: Oh, dat is vervelend. Welke dingen, als ik vragen mag?
JG: Dat mag. De menuknop doet het niet. Programma gemist niet. En de radio niet.
UPC: Oh, die klacht ken ik nog niet. Nee, dit is mij erg onbekend. Goh. Jemig. Nou.
Dat is erg vervelend voor u. Ik stuur een monteur. Deze komt morgen tussen acht en één.
JG: Kunt u iets speciefieker zijn?
UPC: Zeker, u krijgt een sms met het precieze tijdstip.

Die middag een sms: Welkom mevrouw JG. Uw monteur staat voor morgen gepland
tussen acht en één. Die avond: Welkom mevrouw JG, uw monteur staat voor morgen
gepland tussen acht en één. Dan in de mail: Welkom mevrouw JG, uw monteur staat
voor morgen gepland tussen acht en één.

Ik ga voor de zekerheid maar vroeg naar bed. De volgende ochtend per sms: Welkom 
mevrouw JG, uw monteur....
   
Als ik om acht uur met een duffe kop en in een te kort ponnetje op de bank zit gaat de bel.
Een meneer in een smetteloos wit hemd staat voor het raam te lachen. Op zijn borst prijkt
een blauwe lotusbloem. Ik doe schuchter open, wijs hem de weg en vertel wat er mis is
Hij zegt dat dit een overbekend probleem is. Ik ben bang dat ie mijn onderbroek kan zien 
en zeg dat ik mij even om ga kleden. De monteur antwoordt ‘okidoki’ alsof hij hier al jaren 
woont, wij zes kinderen hebben en straks vlees gaan inslaan bij de Aldi voor de buurtbbq 
die avond. Vanuit de badkamer hoor ik hem klusgeluiden maken. Goh, leuk, een man in huis. 
Die klusjes doet. Gezellig. Zal ik vragen of ie koffie wil? Als ik beneden kom kijkt hij 
goedkeurend en gaat weer verder met installeren. De monteur ‘neemt’ ook gelijk de rest van  
de bekabeling mee en ik krijg een speciaal kastje tegen bliksemgevaar. Hij kijkt me aan alsof hij 
verwacht dat er elk moment een bolbliksem uit mijn hoofd kan komen. Het zweet breekt me uit. 
Ik besluit in de tuin te gaan klungelen terwijl de UPC-man in de kamer bezig is mij te 
beschermen tegen het gevaarlijke witte licht. Ik voel me innig tevreden, ga nog net niet spinnen. 
Af en toe roept hij wat vanuit de kamer naar buiten en dan roep ik wat terug. Het is net echt.

Als alles het weer doet is breng ik hem bijna teleurgesteld naar de deur. Daar draait ie zich nog  
één keer om. Als een man die op het punt staat je voorgoed te verlaten, maar ineens twijfelt. 
Zijn hersens kraken. Ach, misschien zien we elkaar binnenkort weer, zegt hij zacht. Ja, 
antwoord ik, wie weet slaat de bliksem in. Precies, zegt de monteur, je weet die dingen nooit.  
Nee, antwoord ik, je weet die dingen nooit. 

dinsdag 23 juli 2013

Buitengesloten


Vanmiddag ging de bel. Dit is een flauw begin voor een stukje maar het is vandaag 33 graden in de schaduw en ik vind het wel best. Ik weet, vanaf nu kan er elk moment een olijke oom zijn hoofd om de deur steken, maar dat moet dan maar. Zo’n oom die altijd ‘leuk’ doet en dat je als kind hoopt dat ie es een keer dood neervalt tijdens zo’n gebbetje, gewoon omdat je het spuugzat bent dat iedereen denkt dat kinderen alles leuk vinden zolang het maar dom is en veel herrie maakt. 

De bel dus. Hij ging echt. Ik verzin het niet. Het raampje van mijn voordeur omlijstte het gezicht van vriendin F. Het paste er fraai in. F leek op een stemmig stilleventje zo. Had ze een dikke kop gehad, zoals ikzelf of één van mijn exen bijvoorbeeld, had de zaak er heel anders uitgezien. Ik zwaaide verheugd en F zwaaide bangig terug. Wat was er gebeurd? Er lag een arsenaal aan mogelijkheden klaar om F haar paniek te duiden. Ik hou van dit soort momenten, ze zijn als een minuscuul stukje niemandsland, een braakliggend terreintje midden in een strak georganiseerde metropool. Op zulk soort veldjes komen nog vlinders voor, bijzondere plantsoorten. Ik draalde rond in de kleine hal, raapte zogenaamd post op, gewoon om het moment te rekken. Het moment van het zalige niet weten. 

Toen ik de deur opendeed viel mijn mond open. Ik zag mezelf half in het raampje van de voordeur, ik had niet misstaan op de voorpagina van het blad Karper. F stond op het pad in enkel een t-shirt, een minuscuul kort broekje en op zwarte dikke Spaanse sloffen. Achter haar stond een rood gebloemd kinderfietsje met een felroze toeter erop (model cupcake) en een gebloemd zadeldekje. Er zaten nog net geen felgekleurde melkdoppen op de wielen. F keek ongelukkig. Ik vroeg mij af of ik iets gemist had. Had ik vaker bij F langs moeten gaan, was ze langzaam van het padje geraakt, moest ik hulp inschakelen? F begon te vertellen. Ze had op de kat van de buren moeten passen en dat beest was met die hitte de deur uitgerend op hetzelfde ogenblik dat F was binnengekomen. Op sloffen en in zomerpyjama. Terwijl zij als een dolle achter de kat aan was gesjeesd was haar eigen voordeur boos in het slot gevallen. Haar hond zat nu in de woonkamer opgesloten samen met een boterham met kaas, die op de bank lag. F keek nog sipper toen de boterham ter sprake kwam. Daar zou inmiddels niet veel meer van over zijn. Of ik een sleutel had. Ik moest haar teleurstellen. Die had F al eens eerder opgehaald in zo’n zelfde situatie, wist ze nog? F zuchtte. Ik zuchtte terug. Er zoemde een wesp wild om het roze cupcaketoetertje heen. 

Op elk moment in je leven kun je alles zomaar kwijt zijn, sprak F verdrietig. Ik knikte. Mannen met grote olijke hoofden doemden voor mijn ogen op. De wesp vloog naar binnen, zo de kamer in.


zondag 21 juli 2013

Over dode stokken en stom toeval

Laatst liep ik door de Intratuin. Dit is een onderneming waarbij je eigenlijk brood en koffie mee moet nemen omdat je door een kilometerslang padenstelsel wordt geleid. Je weet: er is een begin, er moet dus ook een eind zijn, maar gaandeweg de excursie ga je toch twijfelen. Het is als de Ikea, maar dan sjok je in plaats van Billy’s langs rijen begonia’s, irrigatiekalk* en plastic reuzenkikkers.

Ik passeerde de afdeling ‘decoratietakken’ en herkende het fenomeen direct. Vaak nam ik na een boswandeling een gevonden stok mee naar huis. Omdat deze op een slang leek, een komodovaraan, een paard of gewoon, op een stok. Ik kerfde er iets in, was een paar seconden heel tevreden met de situatie en legde het ding bij thuiskomst in de tuin of vensterbank. Soms vroeg iemand ernaar, meestal als het gesprek haperde en er verder niets meer te bedenken viel. Ik vertelde dan uitvoerig over die fijne dag in het bos. De dag had elke keer een ander verloop naar gelang mijn stemming. De ene keer roemde ik de grilligheid van de boomtakken, de andere keer de regenwolken die als volle taxi’s door het luchtruim joegen. Heel soms vertelde ik dat ik die nacht ervoor een droom had gehad waarin mensapen met katapulten de reus Goliath naspeelden, maar dat was enkel om de visite op het verkeerde been te zetten.

Wat ik er ook van maakte, de stok bleef altijd dezelfde. Bij elk verhaal had hij bijvoorbeeld die kromming op het eind die zo kenmerkend voor hem was, als een handvat, een nors dierenhoofd. Gedurende de seizoenen hield hij dezelfde lengte en zelfs zijn geur bleef onveranderd mottig. Door de verhalen ging de stok een beetje leven. Hij bewoog nooit en kende uiteraard geen gedachtenbeslommeringen, hij bestond enkel in het feit dat er over hem gesproken werd, maar soms is dat voldoende. Voor een gemiddeld mens is dat al meer dan hij mag verwachten, voor sommigen zelfs het hoogst haalbare en voor een eenvoudige stok gaat zo’n scenario natuurlijk alle grenzen te buiten. Hier moet men niets achter zoeken, hoor. Er was slechts toeval in het spel, ik denk niet dat er op de dagen dat ik een stok vond sprake was van enige vorm van synchroniciteit. Het zou wel mooi zijn natuurlijk en het zou wat zin geven aan een verder nutteloos bestaan maar ik waag me er niet aan. Niet in dit verhaal.

Terug naar Intratuin. De stokken waren schoongewassen en lagen bleek in bosjes te wachten tot iemand ze zou meenemen. Er hing een bord: 99,9% afgeprijsd! Laatste kans! Stunt! Maar niemand nam ze mee. Het zou kunnen dat ze bij Intratuin hier hun hoofden over breken, maar ik begrijp dat best. Het zijn dode stokken. Ze zullen nooit een haperend gesprek redden. Nooit zal zo’n stok voorkomen in een verhaaltje samen met, laten we zeggen, het begrip synchroniciteit. Ja, nu even, maar dat is toeval.


*‘irrigatiekalk’ bestaat niet


vrijdag 19 juli 2013

Cozmic riders (VIII)

(met Ana Mendieta in gedachten, die zo nu en dan vanaf de hoedenplank in mijn hoofd meekijkt)



Niet zoeken naar het eind
      laat het ergens in overgaan desnoods
      wegvloeien, verdampen, oplossen
      maar geen aanwijsbaar eind
      geen punt, geen laf handje bij de deur
      geen motorgeluid dat langzaam wegsterft
      geen koele mail met groeten van
      geen agendanotitie
      een kort hallo hoe is het nou
      wegdrijvende blikken
      een scherm dat nooit meer oplicht
      lettercombinaties die niet meer klinken
      lege plekken in de badkamerkast waar alleen de kringen
      op het hout nog doen herinneren aan avonden vol van al
      dat warme vertrouwde zachte wegkruipen in kuiltjes van verlangen
      of het moet een langzaam geregisseerd verdwijnen zijn
      als een Ana Mendieta in een doorzichtige nachtjapon
      op de hei liggend
      terwijl de seizoenen over mij heen bewegen
      mijn lichaam bedekken met sneeuw
      mos, gras en af en toe een hert
      dat aan mijn oor komt knabbelen
      en fluistert:
      alles komt van boven, kind
      alles komt van boven
      

      

maandag 8 juli 2013

JG belt een tuinder

Tuinder: Ik kan niet bellen, ik sta in een veld.
JG: Ik bel u toch.
Tuinder: Jawel, maar ik sta in een veld.
JG: Kan ik 20m2 graszoden bij u bestellen?
Tuinder: Jawel, maar dan moet ik het onthouden en ik sta in een veld. 
Kan ik u zien?
JG: Euh, nou, ik denk van niet, ik zit in de tuin.
Tuinder: Uw nummer bedoel ik, kan ik uw nummer zien?
JG: Euh, dat weet ik niet. In uw telefoon bedoelt u? Nu?
Tuinder: Nee. Ik zie niks. Ik sta in een veld.
JG: Dat schiet zo niet op.
Tuinder: Nee, mevrouw, niet erg nee. Belt u mij maar terug. Om half 1 
precies. Dan eten wij. Op het erf. Dus niet in het veld.
JG: Dus dan bel ik u op het erf?
Tuinder: Ja.
JG: Op hetzelfde nummer?
Tuinder: Neeeee, dat is een ander nummer.
JG: Kan ik dan om half 1 op het erf graszoden bestellen?
Tuinder: Hoeveel moet u hebben?
JG: 20m2.
Tuinder: Ja, dat kan ik nu toch niet onthouden, ik sta in een veld.
JG: Ja, maar straks wel toch, als u op het erf bent.
Tuinder: Ja, op het erf is een pen, in het veld niet.
JG: Half 1?
Tuinder: Precies. Wij eten elke dag om half 1 precies. Geen minuut 
eerder. Geen minuut later.
JG: Dan bel ik u om half 1. Op het erf. Kan ik bij u pinnen?
Tuinder: U kunt pinnen. Op het erf. Niet in het veld.