zaterdag 30 december 2017

Dodenmaskers en MOREkoppen


Gisteren was ik met meneer K in het MORE-museum in Gorssel waar ze (naar eigen zeggen) de grootste collectie in modern realisme hebben. Willink, Pyke Koch, Charley Toorop, dat werk. Eigenlijk weet ik niet wat we daar deden aangezien we allebei een poephekel hebben aan modern realisme. Misschien was het de eindejaarsdepressie die al weken om mij heen sluipt en die iets groots en lelijks zocht om tegen aan te schurken. Of zochten we onbewust een lelijke manier om het jaar mee af te sluiten. Hetgeen dus best goed gelukt is.

Toch was het heel gezellig. Ik hou van Gorssel. Ik woon er slechts twintig minuten vandaan en begrijp de wereld hier. De huisjes, de straten, de weg ernaartoe. Er is een dorpsschool met vrolijke letters op de pui, een mooi gerestaureerd stationnetje, ik hou sowieso erg van de Achterhoek. Oud landschap. Slingerend, lommerrijk, nou ja gewoon, fijn. Warm. Geen gelul over dit of dat, heen en terug en nog een keer. Stoofpotlandschap. Een W.G van der Hulst wereld.

Het museum dus. Vlak na binnenkomst in de marmeren tombe hing ik mijn jas op in de garderobe. Een suppoost kwam achter ons aan en fotografeerde ons terwijl wij met kluisjes en muntjes stonden te kutviolen. Ik schrok een beetje. Dacht de suppoost dat we potentiële kunstcrmininelen waren en fotografeerde hij ons vast, voor het geval dat? Zagen we er raar uit? Okay, meneer K kan met zijn kale en (meestal) wat norsige hoofd prima voor crimineel doorgaan, maar ik toch niet, met mijn frisbeepinopet en zoet King Louie jurkje? Ik had het natuurlijk moeten vragen, maar durfde niet.

Zoals verwacht was de meeste kunst vreselijk. Weinig schwung, zwalk of zwier. Het leven een dood lijntje. Nou ja, het zal allemaal best knap zijn, maar je moet er denk ik van houden. Mausoleumkunst. Wat dat betreft past het gebouw er uitstekend bij. Alles in stijl.

Af en toe liep ik even naar het Jan Mankes wandje om op te warmen. Want waar bijvoorbeeld Willink en Koch zoveel mogelijk hun best hadden gedaan om al het leven op aarde uit de verf te trekken tot ze een soort van dodenmaskerdoeken overhielden leek Mankes nu juist al die verstoten warmte naar zich toe te trekken, te verzamelen in ontroerende parelhoenders, gemberpotjes en uiltjes.

Kwestie van smaak natuurlijk. Want nogmaals: het zal allemaal vast RAZEND knap zijn. Het was er in ieder geval teringdruk en ik zag niemand moeilijk kijken. Buiten dat vind ik het geweldig dat er mensen met veel geld zijn die gebouwen uit de grond trekken en het volstuffen met kunst, hoor, mooi of niet.

Toen ik voor de toiletruimte op meneer K stond te wachten kwam de suppoost weer een foto van me maken. Voor de tweede keer keek ik behoorlijk stompzinnig en geschrokken in de camera, ik bedoel, één keer, okay, maar dit was een beetje brutaal aan het worden. Gevaarlijk ook, want met die eindejaarsdepressie op de loer ga ik bij het minste of geringste denken dat er een wereldmacht onder de vloer doorsluipt die op zoek is naar mij, omdat de duivel in mijn oogwit woont. En dat die suppoost eropuit was gestuurd om het wit uit mijn ogen te vangen middels vage Iphonefoto’s.

Een andere reden kan ik niet bedenken aangezien we daar al een half uur rondliepen zonder iets te stelen. Sowieso hadden we niks onoirbaars gedaan. Meneer K fluisterde wel dingen in mijn oor over wat ie allemaal met we wilde doen midden in al die kille doodsheid, maar voegde nergens daden bij zijn woorden. We dronken braaf cappuccino, prezen de bezoekersaantallen, de zwarte installatie van Hans op de Beeck, de schilderijen van Dumas (2 stuks) en de foto’s van Erwin Olaf, aten een MOREkop, kortom, er waren ook genoeg mooie en leuke dingen, hoor, daar in de kunsttempel van Gorssel.

Zoals de museumwinkel bijvoorbeeld, waar ik vlak voor het weggaan lang en innig over een Mankes koelkastmagneet aaide. Die ik overigens niet kocht. Mankes hoort niet thuis op een koelkast.