maandag 31 maart 2014

Geert bedankt! (hoe je ons volk in één klap met elkaar verbond)

Column voor HP/DeTijd 31-3:

Beste Geert, ik wist niet dat deze tijd nog eens zou komen, maar het moet me van het hart. Bedankt, jongen. Driewerf dank. Door jouw roep om minder Marokkanen heb je ervoor gezorgd dat er weer een sprankje eenheid te voelen is in dit land. Verbinding.

Schreef ik kort geleden nog dat Nederland een laf land was geworden, een land van buigend gras en laf lachende politici, in één klap werd een ander beeld zichtbaar. Verschoof het vlakke lieflijke poldermodeldecor een stukje en verscheen er iets wat ik lange tijd niet meer had gezien. Huizenhoge protestgolven denderden over onze vaderlandse gronden heen, een breed gedeelde verontwaardiging, woede, ontzetting en afkeer over de stuitende domheid van je toespraak. Ditmaal werd de afkeuring niet alleen door links Nederland gedragen, zelfs een deel van je eigen achterban nam beschaamd afstand van je woorden.

Lees hier verder op HP/DeTijd...

zondag 30 maart 2014

Chillen met Barack (column 25 maart voor HP/DeTijd)

Gisterochtend vroeg tufte ik opgewekt met een verse perspas om mijn nek vanuit de provincie richting het Museumplein waar Barack Obama met zijn helikopter zou landen. Ik had al een tijdje lopen zaniken bij de hoofdredacteuren van HP/DeTijd, dat ik graag verslag van deze bijzondere dag wilde doen, en eindelijk kreeg ik de verlossende mail. Het mocht, mits ik er geen flauw stukje over zou schrijven.
Wereldleiders uit de lucht kijken
Het begon gelijk goed. Rond het Museumplein was alles afgezet en ik verdwaalde in mijn poging dichterbij te komen. Toch, als ik goed keek zag ik nog net een stukje van de presidentiële propeller in de rondte draaien. Ik maakte er een foto van en zette hem op Facebook. Een mevrouw zag mij opgewonden naar de lucht staren en vroeg of ik niets beters te doen had dan wereldleiders uit de lucht te kijken. Ik moest daar ontkennend op antwoorden. Op mijn smartphone kon ik via de NOS een live-blog volgen. Barack en Mark noemden elkaar Barack en Mark. Dat gaf me een veilig gevoel. Als (wereld)leiders elkaar tutoyeren lijkt oorlog ver weg.

woensdag 26 maart 2014

Zingen in een doos (een raar verhaal)

Mijn oma kon prachtig zingen. Wacht, ik had net bedacht dat ik het niet over mijn oma wil hebben. Ik heb namelijk zojuist mijn haren gewassen en het is raar, maar met een frisgewassen hoofd voel ik mij altijd zo kwetsbaar. Alsof iedereen de binnenkant van mijn hersens kan zien. Of dat het heel vroeg in de ochtend is, en je bent op de hei en er lopen vlakbij allemaal kleine hertjes. De hertjes hebben vlekken op hun vacht die, als je er op drukt, een liedje tevoorschijn toveren. Als je ook maar het minste geluid maakt rennen de minihertjes weg met hun zacht verende hertenvoetkussentjes. De lucht om je heen is nog scherp van de nacht. Het is een comfortabele lucht, juist omdat hij dat niet is en je zit ijzig stil. Dat kan je, dat weet je, al voelt het niet fijn. Want straks komt er een streepje zonneschijn en die vermengt zich met de scherpe lucht waardoor deze zachter wordt. En zachte lucht is lekker, maar ook eng.

Mijn oma zong liefst hartverscheurende liedjes. Over meisjes die verhongerden in kelders, op reis gingen en nooit terugkwamen, over dieren die omkwamen in vuren en bevingen. Ook zei ze wel eens dat ze de wereldbol in de lucht zag, met de handen van Jezus er beschermend omheen gevouwen. Ik had heilig ontzag voor mijn oma. Mijn oma had weet van alles dat achter het voorhang van de wolken hing. Zoals in gezang driehonderd. Voor normale mensen was zij waarschijnlijk een raar mens met een overontwikkeld gevoel voor drama, maar daar doe je toch niks aan, aan normale mensen. Normale mensen hebben iets wanhopigs. Ze lopen meestal recht vooruit en als ze al eens achteruit lopen is dit omdat het van een of andere training moet. Dat zo’n zelfverklaarde ‘begeleider in raarte’ zegt dat de mensen raar moeten doen omdat dit goed voor ze is. ‘Out of the box’ noemen ze dat dan. Maar pas als je weet hoe de doos van binnenuit ruikt, proeft, klinkt en je hem midden in de nacht bent tegengekomen, terwijl je alleen was en de stippeltjes in het karton mondjes werden die fluisterden dat onder je huid triljoenen bleke octopuseitjes trilden, waarna de mondjes armen werden die graaiden naar je haar, je meetrokken naar de bodemloze doosdiepten, nou ja, misschien dat je dan...

Raar doen vanuit normale toestand telt gewoon niet. Dan zou iedereen zomaar raar kunnen zijn. Raarte is net zoiets als hoogbegaafdheid. Het gaat waarschijnlijk maar om twee procent van de bevolking. Als je een raar mens tegenkomt mag je jezelf gelukkig prijzen. Dan heb je een leuke dag. Rare mensen komen altijd onverwacht uit de hoek en ze hebben overal een mening over. Vraag maar eens aan een raar persoon wat hij van de opwarming van de aarde vindt. Hij zal hoogstwaarschijnlijk met schapen aankomen die trillingen opvangen in hun vacht en ze vervolgens omzetten in een soort van energie waar fabrieken op kunnen lopen. Fabrieken die poppenarmen en benen maken die door ons mensen in de grond moeten worden begraven om de zandgeesten een lichaam te schenken, die ze naar eigen inzicht in elkaar kunnen zetten. En dat de dag zal komen dat die allemaal uit de grond kruipen, in de meest vreemde gedaantes, maar dat we daar niet bang voor hoeven te zijn omdat het bij de loop der dingen hoort. Hij zal roepen dat we sukkels zijn omdat we daar geen aandacht aan besteden. Om vervolgens te vragen of je een euro voor hem hebt. Want rare mensen zijn altijd arm, natuurlijk.

Zelf kan ik trouwens ook heel zielig zingen. Als ik een goede dag had kreeg ik mijn kinderen er vroeger flink mee mee aan het huilen.

(Gezang 300, tweede couplet:  
Scheurt het voorhang van de wolken, wordt uw aangezicht onthuld, vaart de tijding door de volken dat Gij alles richten zult:Heer, dan is de dood verzwolgen, want de schriften zijn vervuld.)


woensdag 12 maart 2014

Wereldwijd complot

Vroeger kon ik niks, behalve leuke verhaaltjes schrijven en goed voorlezen. Wat dat betreft is er weinig veranderd. Ik had een juf in de vierde klas, juffrouw Koet. Juffrouw Koet had een kunstgebit dat ze te pas en te onpas met haar tong van zijn plek haalde. Ze liet het dansen van links, naar rechts en de bijbehorende doffe knakgeluiden deden me rillen van angst. Als zij even de klas uit moest zette ze mij ervoor met een boek. En dat terwijl ik elke dag mijn stinkende best deed om onzichtbaar te zijn. Ik moest altijd Rozemarijntje lezen, van W.G van der Hulst. Dat deed ik heel zielig. Voor je het wist zat zo’n klas wanhopig te snikken en stroomden er waterstroompjes onder de klasdeur door.

Iedereen denkt altijd dat ik me aanstel als ik zeg dat ik vroeger niks kon, maar het is echt waar. Ik moest vaak tijdens de pauze in de klas blijven met een werkje, terwijl de rest buiten speelde, omdat ik weer eens niets van de behandelde stof had begrepen en anders 'achter zou blijven'. Achterblijven, zo leerde ik al snel, is het ergste wat je als mens kan overkomen. Achterblijven is voor achterlijken en achtergestelden. Alles met ‘achter’ is sowieso niet goed. Achterdocht, achter-af-kamertjes-politiek, drie-hoog-achter. Ik kon niet rekenen, spellen, plaatsnamen onthouden en heb jaren gedacht dat klokkijken een wereldwijd complot was. Ik kon mij niet voorstellen dat er mensen op aarde waren die begrepen waar die cijfers en wijzers voor dienden. Ik riep altijd maar wat als iemand mij naar de tijd vroeg. Zelf vond ik mij niet dom. Ik dacht stiekem zelfs dat ik een van de weinigen was die doorhad hoe alles écht zat. Ik had namelijk een theorie. Ik wist ook precies waar die zat, bovenin mijn hersenstam. Daar jeukte het vaak en soms kwamen er lichten uit. In het kort kwam mijn theorie er op neer dat iedereen op de wereld bezig was met afleidingsmanoeuvres. Men was van zijn geboorte tot aan zijn dood bezig met dingen die er niet toe deden, om er vervolgens pas op het eind achter te komen waar het om draaide. Daarna ging je dood. Omdat die twee zaken meestal ongenadig gelijktijdig samenvielen, draaide iedereen zo lang mogelijk om de waarheid heen. Onbenulligheid als wapen om ver bij de dood vandaan te blijven. Mijn buurmeisje Lallie was daar heel goed in. Tijdens een wandeling met onze poppenkinderen begon het eens keihard te regenen. Lallie riep dat zij nog nooit zo’n regenbui had meegemaakt en dat er verdikkeme wel honderd druppels uit de lucht vielen. Ik zei dat het aantal regendruppels ontelbaar was. Lallie hield stokstijf stil, keek me verbouwereerd aan en begon keihard te lachen. Of ik wel goed bij mijn hoofd was. En dat ze wist dat ik dom was, maar zó dom, nee.

Op mijn veertiende werd ik uit de leerplicht ontheven. Iedereen was het erover eens dat het totaal geen zin had om mij langer op school te houden. Ik wist na al die jaren nog steeds niet waar Hoevelaken lag, dreef de spot met het gezag en wist honderd procent zeker dat alle kinderen in mijn klas onder hun gewone gezicht een reptielenhuid hadden. Nadat ik mijzelf weer eens een week van de wereld had geblowd werden ze mij en mijn rare gedrag zat en hoefde ik nooit meer terug te komen. Mijn leraar Nederlands nam mij apart, klopte me op de schouder en zei, jij moet gewoon gaan schrijven, Johanna, meer wordt het niet.

Tien jaar geleden haalde ik bij een intelligentietest 137 punten. De mevrouw van de test zei, gefeliciteerd mevrouw, u bent hoogbegaafd. Niemand had gelukkig gevraagd waar Hoevelaken lag. Daarna kreeg ik een uitnodiging voor de Mensa, maar ik ben nooit gegaan.


dinsdag 11 maart 2014

Waarom het boekenbal niet voor (gewone) schrijvers is

Traditiegetrouw wordt de Boekenweek geopend met het Boekenbal in de Stadsschouwburg Amsterdam. Vandaag, 7 maart, is het weer zover.

Ik ben nog nooit op Het Bal geweest. Logisch, ik ben geen uitgever, hoofdredacteur, pr-medewerker, eindredacteur, toiletjuffrouw, BN’er of HEB(B)S (Heul Erg Belangrijke (Bestseller) Schrijver). Ik ben gewoon een van de vele dichters in Nederland die weleens een bundel publiceren.


Voor HP/DeTijd schreef ik een column over het Boekenbal. Lees hier verder...

maandag 10 maart 2014

Kosmonauten, ochtendurine en oom Jung in een boot

Gisteravond had ik ineens ontiegelijke zin om een nieuwe familie te verzinnen, maar voor ik het wist dacht ik alweer aan kosmonauten in mijn tuin, de laatste goendroen en welke elektrische fiets het meest geschikt zou zijn voor mij mocht de oude het begeven. Die hééft het begeven, sprak een strenge stem in mij. O ja.

Toen ik het idee had opgevat een nieuwe familie te verzinnen, begon ik de oude gelijk te missen. Ik hoorde een koets aankomen en zag even later de gesoigneerde heer, die mijn vader moest worden, uitstappen. Hij leek een beetje op Freud. Hij had een broer bij zich, mijn oom dus. Nee, die leek niet op Jung. Dat zou al te voor de hand liggend zijn. Wacht, ik mag niet liegen. Het was Jung. De werkelijkheid is nu eenmaal vreemder dan je ooit bij elkaar kunt verzinnen. Oom Jung zwaaide hartelijk naar me. Johanna! Lang niet gezien! Mijn ogen vulden zich met tranen. Godverdomme, waar waren jullie al die tijd! En waar is mijn broer, mijn lang verloren gewaande broer? Vader en oom Jung keken me bezorgd aan. Hoezo, je hébt helemaal geen broer. Ja, jezus, toen had ik er gelijk geen zin meer in, stelletje spelbrekers.

Tellen 
Mijn dochter en haar vriendinnetje kwamen de kamer binnen en wilden met me rummikuppen. Ik had dat tien jaar en drie mannen terug voor het laatst gedaan. Niemand wist wat te doen. We besloten te beginnen met het tellen van de steentjes. Tellen is altijd goed. Stel, je zit op een boot. Op die boot zitten twee andere mensen. Jullie zijn op vakantie en moeten nog een week. Je irriteert je kapot aan die mensen. Het zijn dan ook hele irritante mensen. Ze zagen de hele dag door over Piet en Klaas en Jan die er tientallen tumoren en buitenechtelijke vrouwen op nahouden. Wat dan helpt is tellen. Zo kan ik nog dertig andere situaties verzinnen maar dat doe ik niet. Ik was aan de beurt. Ik moest 14 stenen pakken. Toen nog één en toen mocht ik twee beurten niets doen. Wie het snapt mag het zeggen.

Geluk
Eerder op de dag waren mijn dochter en ik in een winkel die ‘zolder’ heette. Daar kun je lang over nadenken maar dat deden we niet. Wij zijn heel goed in het accepteren van dingen. Bij ons thuis hangen slingers rustig een jaar of langer stof te vangen. Wij zijn ook types die een mosterdpotje als glas gebruiken zonder de moeite te nemen het mosterdetiket er af te weken. Kersensap, appelsap, ochtendurine, alles dobbert gemoedelijk jaar in jaar uit achter de Zaansche Molens. Terug naar de zolder. Wat wil je, vroeg ik. Iets met dieren, zei de dochter. Dus kochten wij een konijn met een kaars in zijn rug. Een pistool had ook gekund maar mijn dochter besloot dat we die voor mijn verjaardag moesten bewaren. Om oom Jung mee dood te schieten, riep ik verlekkerd, maar mijn dochter zei dat oom Jung niet bestond. En dat ze eindelijk wel eens een normale moeder wilde. En waar je die vandaan kon halen. Bij de N, riep ik opgewekt. Toen keek ze heel lang en treurig voor zich uit en kocht ik een armbandje voor haar waar ‘geluk’ op stond.


donderdag 6 maart 2014

Expositie Come to your senses

U bent van harte welkom op de opening van de expositie Come to your senses in Dock 5340 in 'sHertogenbosch op 14 maart om 16 uur.
Come to your senses is een duo expositie van tekenaars Kees van der Knaap en Femke Gerestein. De expositie is te zien tot en met 29 maart en is open op donderdag, vrijdag en zaterdag van 13 tot 17 uur en op afspraak. 



routebeschrijving in de Gruyterfabriek:
Neem ingang N aan de achterzijde van het gebouw (zie kaart), neem de trap naar de 2e verdieping, rechts is de ingang van DOCK 5340.
Of neem ingang H (zie kaart), neem de trap naar de 2e verdieping, ga rechtsaf, de eerste deur aan de linkerkant is DOCK 5340

Adres: De Gruyterfabriek
             stichting doklens, 5340
             Veemarktkade 8
             5222 AE ’s Hertogenbosch
             tel: 06 10751529