maandag 5 maart 2018

Wat een tuin ziet als hij slaapt (deel V)


Een naamloos plantsoen, een vissenkom of miniatuur wereldbol; soms moet een dag, een week, een leven niet méér willen zijn. Een schoen waar de veter van geknapt is. En dan de juiste veter zoeken. Je beperken tot het vinden van de goede kleur, trekkracht, geur, substantie. Niet de perfecte veter. Perfectie bestaat alleen in grote werelden.

In grote werelden was ik nooit erg op mijn gemak. Soms tilde ik even mijn hoofd op tijdens het lopen en keek voorzichtig om me heen. Naar de planten, de straatverlichting buiten, de bemodderde boodschappenbriefjes in de goot. Goten zijn naast restverzamelaars ook een soort van grenzen. Waarschuwingen. Blijf op het pad! Altijd op het pad.

Vroeger schopte ik graag tegen alles wat bewoog. In een kleine wereld hoeft dat niet. Daar geven goten nooit grenzen aan, zijn paden gewoon paden en niets hoeft verdedigd of een naam.

Een kleine wereld mag de grootte van een postzegel hebben, een tuin. Burgerlijk! roept de haring die in een strak glimmend pak op mijn gazon staat. Ik lach hem uit en vraag wat hij daar doet, ik heb bij mijn weten nooit om een aangeklede haring gevraagd. En floep, weg is ie. In een kleine wereld past maar één baas.

Wat ook fijn is: In een kleine wereld kun je lang in vertes staren zonder bang te hoeven zijn dat alles gaat draaien. Tollen. Er een keiharde slagwind om je kop raast die je de adem beneemt. Je kunt er op je gemak de piepkleine houtnerven van de bramendoorn doorgronden, het blad van de boterbloem bevoelen of samen met de avondmerel genieten van zijn zang.

Er is niemand die zo teer zingt als mijn avondmerel. Elk voorjaar wacht ik hem op, en als hij zich aandient, aarzelend bijna, moet ik alle zeilen bijzetten om te voorkomen dat mijn hart niet als een opvouwbaar bordspel uit elkaar klapt.

Er zijn ook nadelen. Kleine werelden zijn vaak als de helderwitte stippen die je ziet als je je ogen sluit en je ergens op probeert te concentreren. Een keer knipperen en ze zijn weg. Kwetsbaar dus. Eigenlijk weet je niet eens zeker of ze ooit bestaan hebben. Misschien alleen in je herinnering, en tot in hoeverre telt dat? Hebben herinneringen bestaansrecht enkel en alleen omdat ze herbeleefd worden? Is dat genoeg? Zijn hoofdlevens echte levens?

Op een slechte dag is mijn leven een hoofd dat opstaat, zich een paar uren voortbeweegt en weer naar bed gaat. Een leven tussen kleine gebeurtenissen en grote herinneringen door, randen en regels waarvan nooit met zekerheid kan worden vastgesteld of het echt is.

Mijn hoofd een vissenkom met wereldzeeën. Een naamloze tuin in een toeristengids die nog geschreven moet worden. Mijn mond een snavel die boodschappenbriefjes uit de goot pikt, mijn lippen de oevers waar niemand loopt, de merel in mijn mondhoek die met zachte klanken de woorden van het boodschappenpapier zingt: ‘tweeee ons zeekraal-aal, één bekertje slagro-oom, pedaalemmerzákken en zilte griéééét.’