zaterdag 26 juli 2014

Youp en de verdrietdirigenten (over Tokkie-en-intellectuelenverdriet)

Mijn column voor HP/DeTijd 25-7-2014:

Een dag na de vliegtuigramp ontving ik een mail van mijn dochters school. Een vroegere klasgenoot van haar had samen met zijn moeder in het neergehaalde vliegtuig gezeten. Ik probeerde een plek te vinden om dit rauwe nieuws in op te bergen. De avond ervoor had ik op internet gruwelijke beelden van de rampplek gezien, de lijken, de lichaamsdelen. Waren de beelden tot nu toe anoniem geweest, na die mail van school kon ik er ineens namen en gezichten aan verbinden.

MIJN verdriet
De volgende dag was het me nog niet gelukt om het verdriet hierover te plaatsen. Ik voelde telkens tranen prikken als ik aan die jongen dacht, aan zijn moeder. Aan mijn eigen mooie, lieve kinderen. Aan de onschuld van het ‘op vakantie gaan’. Het botte terugkeren in een kist. Maar ik huilde niet. Want wat had ik ermee te maken? Hoegenaamd niets natuurlijk. Op internet volgde ik het nieuws op de voet. De reacties. Nog steeds met dat verdriet dat als een nomade door mijn lichaam scharrelde. Na enkele dagen werd dat zwerven een plek op zich. Een hele grote plek weliswaar, maar het was nog altijd MIJN plek. Vol met MIJN verdriet. Na een paar dagen kwam er ook af en toe een traan. MIJN traan. Dat luchtte best op.

Mediageil?
Niet voor lang, want op internet zag ik steeds meer reacties voorbij komen over wat wel en niet mocht in de wereld van het verdriet. Youp van ’t Hek was boos op bekende Nederlanders die hun medeleven betuigden. Hoe haalden zij het in hun botte, maar vooral ledige harses! Of ze wel beseften dat de nabestaanden van de slachtoffers daar helemaal niet op zaten te wachten! De onverlaten!

Ik begreep hieruit dat Youp contact moest hebben gehad met de nabestaanden. Hij wist blijkbaar iets wat ik niet wist, hoe anders kon hij zo stellig het medeleven van een hele groep wegzetten? Ik begreep dat ik vanaf nu op mijn hoede moest zijn, met mijn verdriet.

Lees verder op HP/DeTijd...

woensdag 16 juli 2014

Elke dag Johannadag

Vandaag bestelde ik een tanktop dye met diepe armgaten. Ik verwacht veel van die armgaten. Wat dye is weet ik niet. Ja, dat weet ik wel, maar ik heb een diepgevroren hekel aan dye. Het doet me denken aan zweverige neurolinguïstische programmeervrouwen die in batikjurken zveerkaarsen draaien in yurt zweettenten. Ik wil niet beledigend worden dus houd er over op. 

Armgaten dus. Diep. Ik stel mij voor wat er allemaal in die gaten past. Behalve gigantisch lange dikke of korte armen. Boortorens, verlaten eilanden, Italië, een kilo walnoten, een AH voordeelhamster, de opgezette vos uit mijn vensterbank, een cross-over gitaarpedaal. Of dat laatste bestaat betwijfel ik, maar hij rolde er zo uit. En eigenlijk bestaat hij dan sowieso een beetje.

Ik heb ook een tekenbeet. Al drie weken. Sinds kort zit daar een grote rode vlek omheen. Omdat ik van mezelf al chronisch ellendig genoeg ben, ging ik gisteren naar de dokter. Die keek zorgelijk, maakte er een foto van, mompelde wat dingen, schreef wat in tabellen op en gaf antibiotica mee. Kapotmaakpillen zijn dat. Goede stofjes, slechte stofjes, alles kapot. Ik zie daar nogal tegenop. Volgende week maandag begin ik met de kuur en heb mij al beeldend voorgesteld hoe ik langzaam uit elkaar ga vallen. Elke dag een stukje. Ik wil op voorhand dat iedereen tegen die tijd een ander heenkomen zoekt en zal elk bezoek weigeren. Iedereen moet mij laten. Alleen met mijn kapotmakende kuur. Mijn dochter bromt dat ik beter eerst de eventuele bijwerkingen kan afwachten voor ik dramatisch ga lopen doen. Misschien valt alles best mee. En meneer K bromt lachend dat als ik van gedachten verander, hij gaarne voor de stervende komt zorgen. Nou ja, zo zei hij het niet letterlijk. Dat maak ik er weer van.

Toch, mijn hart voelt sinds een paar dagen anders. Gaat hij normaal veel te hard en heb ik pillen in de kast waar stemmetjes inzitten die hem vermanend toespreken, sinds een dag of twee lijkt hij een trage oude vrouw die struikelt over stoeptegels. Een langzaam hart. Die kende ik nog niet. Zou de besmette tekenbeet zijn werk doen? Ik las dat zo’n infectie zich op zijn dooie gemakje ingraaft, in de krochten van het weefselwerk, de klerelijer.

O ja, ik droomde vannacht over een donjon, in Frankrijk. Er waren ridders met zwaarden, gevechten, en ik, die probeerde uit handen van de vijand te blijven. De adellijke jurk die als een doorzontent incluis voorluifel om me heen hing hielp niet echt mee. Veel bloed, veel zwaardengekletter en het duurde godselang allemaal. En ik maar door al die gangetjes en over trappen rennen, met die rotjurk. Op een gegeven moment stond ik bovenaan, keek naar beneden en merkte dat het stil was. Bijna iedereen was dan ook dood. 'We' hadden wel gewonnen, maar 'we' waren met niet zoveel meer. Ik heb ‘donjondroom’ ingetikt op Google, maar droomindexen gaan alleen over sneeuw (dood) en spinnen (gevaar). Ik denk dat mijn droom over de infectie gaat. De kapotmaakkuur. En dat ik ga winnen. Natuurlijk ga ik winnen. Sukkelesteijn. Had ik al eens verteld dat mijn vader mij vroeger Barones van Tuttelensteijn noemde? (ja, al 3 miljoen keer, jezus, mens, houd er nou es over op)

Ik heb die tanktopbestelling trouwens weer geannuleerd. Er stond namelijk Catwalk Junkie in het label. Dat was het merk. Ik houd niet erg van junkies. Heb er net even teveel van gezien in mijn leven. Dat lijzige slijpende gelul, dat hoekige Pacman-achtige heen en weer gedrentel. Die ogen op steeltjes. Alcoholisten, junkies, ik ben er gans klaar mee. Egotrippers. Bodemloze putten. En nee, ze kunnen er niks aan doen, en ja, ze verdienen hulp en zo, maar niet meer van mij. Mijn hulp is op. Elke dag Johannadag. Olé.