woensdag 25 juni 2014

Hitaatsji

Er zijn weinig dieren op de wereld die zo wanhopig klinken als de ezel. Ik ken natuurlijk niet alle dieren van de wereld, maar ik durf er desondanks vrij stellig vanuit te gaan dat ik gelijk heb. Neem de pauw, qua geluid lijkt het wel iets op de ezel, maar het verschil zit hem in de nuances. 
   
De pauw heeft een meer verwijfde roep waar het bij de ezel duidelijk om het uiten van wanhoop gaat. Rauwe onversneden wanhoop. Vandaag is het kut, gisteren was het kut en morgen zal het weer zo zijn.

Je ziet het al als je het dier nadert. Wantrouwend wacht hij je komst af. Hij weet nu al, wat je ook gaat zeggen, hij is het er niet mee eens. Niemand gaat de ezel gek maken. De ezel weet heel goed hoe de wereld in elkaar zit, namelijk, kut. Daar heeft hij ons echt niet voor nodig. Op elke kinderboerderij zal hij zijn wanhoop dag en nacht over ons uitstorten, je kunt tenslotte niet vroeg genoeg beginnen met het doorgeven van de waarheid. Het is ook niet voor niets dat een balkende ezel als enig dier over een afstand van enkele kilometers te horen is. Waarom ze het geluid ‘balken’ noemen is me trouwens een raadsel. Raamkozijnen, vloerdelen, niets van dat al kan ik linken aan het geluid van een ezel, of het moet de stugheid van het materiaal zijn, de onverzettelijkheid.
      Mijn vader maakte ook een hoop lawaai als hij met zijn duiven in de weer was. Dan stond hij als een malle in de tuin te roekoe-en. Hij had nogal eens bevliegingen en duivenmelken was daar een van. Hij hield ook een tijd vissen. ‘Cichliden’ om precies te zijn. Het hele huis stond maanden vol met exotische aquaria en mannen die daar bewonderend voor stonden te kijken. Want hij deed die dingen grondig. Werd lid van de beste club, kocht de beste boeken, het beste dierenvoer en wist altijd de beste dieren te bemachtigen. Wij konden dat niet controleren maar zijn stelligheid sprak boekdelen. Daar was geen woord Spaans bij. De bewonderend knikkende mannen die over de vloer kwamen bevestigden dit beeld. Vader had weer eens het beste in handen weten te krijgen. Zoals hij in een supermarkt blind uit driehonderd biefstukken de beste koos, en uit de HIFI zaak op de hoek de beste radio mee naar huis nam die er op dat moment te krijgen was.
      Die radio was zo speciaal dat niemand het merk kende. Het klonk Chinees. Hitaatsji of zoiets. Soms sprak ik dat woord langzaam uit, om optimaal te kunnen genieten van de kwaliteit die in het woord verscholen lag. Hi-taat-sji. Iedereen die op visite kwam werd direct naar het mirakelse apparaat geleid. Als je het aanzette kon je, volgens mijn vader, het orkest naast je in de kamer horen staan. Hij had witte ronde stickers bij de plastic knoppen geplakt. Daar schreef hij Hilv. 1, Hilv. 2 en Hilv. 3 op. Dat was makkelijk. Dan hoefden wij nooit meer te zoeken. Ik vond het best gewaagd om stickers op zo een supersonische machine te plakken maar toen ik dat een keertje hardop zei, antwoordde mijn vader slechts met gegrom. Logisch, want wat wist ik nou helemaal. Die machine, die schitterende Hitaatsji, die werd geen haartje minder van een paar stickers.
      Op een dag was het wonder der geluid weg en stond er iets anders. Het beste wat er op dat moment te kijgen was, natuurlijk.
      ‘En de Hitaatsji dan?,’ durfde ik te vragen, ‘het geluidswonder?’
      ‘Kinderspel,’ bromde mijn vader. Nee, wat we nú hadden, dat was je ware. Hij zette het apparaat aan. Een levensecht wanhopig balkende ezel stond plotseling naast ons. Onze kamer werd een kinderboerderij. Mijn vader staarde naar buiten. Hij zag er gelukkig uit.
   

zaterdag 21 juni 2014

Recensie Wildberichten in poëzietijdschrift Awater

Recensie Wildberichten in Awater zomernummer 2014
door Kiki Coumans

Echte sprookjes

Johanna Geels debuteerde in 2008 bij uitgeverij Atlas en werd na haar tweede bundel overgenomen door de piepjonge uitgeverij Marmer, die is opgericht in 2009, en pas sinds vorig jaar (vooral beginnende) dichters uitgeeft. Marmer is in korte tijd een succesvolle uitgeverij geworden, die commerciële uitgaven combineert met literair proza en poëzie, en die bespaart op overheadkosten door schrijvers te koppelen aan freelance redacteuren. Johanna Geels’debuutbundel werd meteen genomineerd voor de Buddingh’-prijs (en door recensenten aangemoedigd als winnaar), en ook de twee opvolgers zijn van goede kwaliteit. Jammer is dat ze in de pers vervolgens niet zoveel aandacht meer heeft gekregen. Criticus Rob Schouten schaarde Geels (een pseudoniem) onder ‘dansante dichteressen’ als Elma van Haren, Anne Vegter en Astrid lampe, waarbij hij opmerkte dat zij aardser en grijpbaarder schrijft. Geels’ werk is kleurrijk, maar dan zoals sprookjes kleurrijk zijn, speels maar ook een beetje unheimisch. In haar werk is vaak de tegenstelling tussen de veilige wereld van thuis en de boze buitenwereld te vinden- ook een typisch sprookjesthema. Geels’werk is levendig, maar niet luchtig, het is grappig zonder lollig te worden, en verrassend zonder behaagziek te zijn. Regelmatig kom je mooie beelden tegen, zoals: Zo meteen zijn de paden warm, glanzen de kevers als olievlekken in het zand’ of: ‘zie ik je gezicht voor me, als een zojuist geopend pretpark’, maar ze strooit er niet te pas en te onpas mee. De vaak laconieke toon is een manier om tegelijk licht en zwaar te kunnen zijn.
      Er komen veel mensen, dieren en natuuromgevingen voor in deze bundel, en de dichteres vermengt vaak levende en dode zaken: ‘Twee vergeelde vrouwen liggen op nummer negentien/ in een la en zingen met glans- en dansbenen/ liedjes van vroeger’. Ook heeft ze een handje van verrassende generalisaties, zoals: ‘snorharen liegen niet’ of: ‘de duivel komt altijd in fragmenten’.  Er is kortom veel over dit werk te zeggen, maar wat we ook over de dichteres moeten weten is:

      Ik draag negen gedichten voor en niemand
      weet dat ik van de tiende een hoedje heb
      gevouwen dat sindsdien altijd in mijn tas woont.