woensdag 16 oktober 2013

Monogamie is cool! (en waarom vreemdgaan voor losers is)

Column HP/DeTijd van 14 oktober

Deze week doe ik een beetje stichtelijk. Soms moet dat. U kunt nu nog terug. 

Het begon allemaal op Nederland 2. Daar hoorde ik dat brandganzen monogaam zijn. Het schijnt dat een brandganzenpaar een leven lang bij elkaar blijft.

De hele week dacht ik na over de brandgans. Ik stelde me voor hoe twee brandganzen samen in een veld stonden. De een pikkend in de grond, de ander ernaast met een vertederde blik in zijn ogen. Hoe ze samen door het vijverwater van een stadspark gleden. Telkens overviel me een gevoel van weemoed. Waren mensen maar zo trouw. Ik dacht aan een vriendin, een mooie sterke vrouw met kinderen die zojuist na jaren lief en leed door haar vriend als een oude jas was ingeruild voor een blond, simpel en kinderloos exemplaar. De man in kwestie was het klassieke voorbeeld van een foute man. Altijd was ze hem blijven steunen, wat ie haar ook flikte. Drank, vrouwen, driftbuien. Want hij kon zo lief zijn. En hij had zo’n rotjeugd gehad. Ze begrépen elkaar zo goed. Tot hij haar ijskoud verliet. ‘Een foute man is als een gokkast,’ had ze verzucht, ‘je stopt er van alles in maar krijgt niets terug.’

De wereld als speelplaats
Wee de goedgelovigen, de trouwe zielen. Zij die verlaten worden voor vrouwen of mannen zonder kinderen, zonder volle gezinsboodschappenlijstjes in hun zak of zonder scrupules...
Lees verder op HP/DeTijd...

donderdag 10 oktober 2013

Laura Palmer wil vrienden met je worden op Netflix

Column voor HP/DeTijd  6-10

Afgelopen weekend was ik bij mijn geliefde, meneer K. Meneer K heeft geen internet, geen Netflix en geen smartphone zoals ik en communiceert derhalve nog in volzinnen waarbij hij je gewoon aankijkt, een unicum in een wereld waarin de meeste mensen tijdens een gesprek met paniekerige ogen de ruimte doorzoeken of er al ergens een blingetje, bliepje of tingeltje afgaat. Ook leest meneer K nog boeken. Met een leesbril, die dan halverwege zo lief scheef op zijn neus hangt. Soms leest hij me voor. Laatst weer. Zijn hypnotiserende bromstem tilde me behoedzaaam op en droeg me door werelden waarvan ik het bestaan slechts kon vermoeden.

Facebook
Toen zei mijn mobiel ineens heel hard: PLOINK. Meneer K legde zijn boek geamuseerd aan de kant. Hij keek me verwachtingsvol aan. 

Verder lezen op HP/DeTijd...

maandag 7 oktober 2013

Bij de 100e geboortedag van Simon Carmiggelt

Eekhoorntje op lange weg

(geïnspireerd door S. Carmiggelt)

Het is ochtend. Al ochtend moet ik zeggen.
Ik ben vergeten waar alles om draait.
Vannacht wist ik het nog, o’droom o’droom,
ach neen, ik droomde helemaal niet.

Er stond een eekhoorn naast mijn bed,
in zichzelf gekeerd, probleemgeval.

Flikker toch op man, riep ik,
zie je niet dat mijn borst bonkt,
mijn boezem fibrilleert, mijn spieren ontploffen,
ik op het punt sta god te aanvaarden als heer
en meester van dit hakkelend evenwicht called Glory?

De eekhoorn lachte minzaam, hij bleek best groot.
Voor iemand die de vraag draagt, sprak hij langzaam
en in dubbele tonen geschakeerd, gedraagt u zich wat bruusk.
Ach bruusk, banaal, gezwollen levertaal, het zou wat eekhoorn,
bitste ik hem toe, ik braak enkel vragen die vrucht dragen.
Momenteel dan, straks wil alles anders.

Ja toen. De eekhoorn stond met een tandeloos’ muil ineens
aaibaarheid uit te beelden terwijl hij aan zijn oor trok en
Eureka! riep.

Dit was dus zo’n zeldzame nacht die ergens over ging.
Die mensen zouden willen verzamelen, bewaren in een stemmig
eiken nachtkastje. De stand van zaken kwam aan het licht in een
overdonderend refrein. Iemand riep bis, betonnen tafelen werden
verbrijzeld, levendige inzichten werden ritueel opgeblazen terwijl
stemmen uit holle buizen ‘waanzin, waanzin, order, order’ riepen.
Van die dingen.

Maar het is ochtend. Al ochtend, moet ik zeggen.
En ik ben vergeten waar alles om draait.

dinsdag 1 oktober 2013

Ongearticuleerd gorgelen

Aangezien mijn zoon ‘Losse opmerkingen’ van Ludwig Wittgenstein dubbel heeft staat er een exemplaar in mijn boekenkast. Hij hangt gemoedelijk tussen ‘De tarot in de herstelde orde’ en ‘Johanna de waanzinnige’ in. Omdat iedereen om mij heen zegt dat Wittgenstein onbegrijpelijk is voor normale mensen durf ik er niet aan te beginnen.
Ik ben dan wel op mijn veertiende reeds officieel knettergek verklaard en loop sindsdien als een folklore-indiaan in een zelfgeschapen en gesubsidieerd reservaat rond, toch houdt iets mij tegen.

Vanochtend echter trok ik hem ineens uit de kast alsof het een woordenboek betrof. Nonchalant, onderwijl aan andere dingen denkend. Ik sloeg het open met de flair van een toneelspeler en las:

Je moet nieuwe dingen zeggen en toch louter oude dingen. Je moet weliswaar alleen oude dingen zeggen – maar toch iets nieuws!
De verschillende ‘opvattingen’ moeten beantwoorden aan verschillende toepassingen.
Ook de dichter moet zich steeds afvragen: ‘is wat ik schrijf wel werkelijk waar?’ Wat niet moet betekenen: ‘Gebeurt het zo in werkelijkheid?’

De walnoot in mijn hoofd begon te kraken. Ik las de tekst over en over. Langzaam daalde het in. ‘is wat ik schrijf wel werkelijk waar?’ Nee, natuurlijk niet, ik verzin elke dag hele nieuwe werelden bij elkaar. Wat niet wil zeggen dat alles wat onder de letters broeit, in mijn beleving althans, niet ontegenzeggelijk waar is. Ook al gebeurt weinig of niets daar van in werkelijkheid.

Ik ben geen taalfilosoof en er valt vast veel meer over te zeggen maar ik vond het wel goed zo. Ik begon het trucje te begrijpen. Simpele dingen moeilijk opschrijven. Dit werd me vooral duidelijk op bladzijde 33 waar Wittgenstein zich verbaast over de dichter von Kleist die ooit schreef: ‘dat de dichter het liefst in staat zou willen zijn, de gedachten zelf zonder woorden over te brengen.’
‘Wat een eigenaardige bekentenis’ schrijft Wittgenstein daar tussen haakjes achter.

De walnoot in mijn hoofd brak. Há, dacht ik. Nu heb ik je, ouwe ijdeltuit. Daar zit het verschil. Een dichter zegt alles met bijna niets tenslotte. Een (goede) dichter weet dat je moet fluisteren tijdens lawinegevaar (meneer K zijn woorden hoor, niet de mijne), een (goede) dichter schmiert en zwelgt niet. Bolt niet op als Augustus Gloop van Roald Dahl, pronkt niet met gezwollen levertaal, nee, die wijst zwijgend met een bloedende vinger recht naar een woord op een bord en loopt vervolgens met de handen in de zakken sloffend weg, onverschillig voor het feit dat zijn broekzak langzaam rood kleurt.

Nou ja, ik zeg zo maar wat natuurlijk. Vanuit mijn kleine begrensde reservaat. En Wittgenstein maakte het gelukkig goed bij de eerste losse opmerking van het boek op bladzijde 9:

‘Wanneer we een Chinees horen spreken, zijn we geneigd te menen dat het een ongearticuleerd gorgelen is. Iemand die Chinees verstaat zal er de taal in herkennen. Zo kan ik vaak de mens in de mens niet herkennen.’

Ik las dit vertederd. Ook Wittgenstein was uiteindelijk gewoon een indiaan, in zijn eigen gecreëerde reservaat. Ik las verder maar de golven in mijn hoofd waren gaan liggen. De indiaan zat op een kei en keek door een gat in het hek. Als hij zijn ogen op een bepaalde manier dichtkneep werd het groter en groter.

Ik belde zoon. Trots. Dat ik Wittgenstein had gelezen. Er hier en daar zelfs iets van begrepen had. Oh, zei zoon, Losse opmerkingen, ja. Dat is zijn enige begrijpelijke boek, mam. Er staat ook veel onzin in, hoor.

Ik knikte. De oude indiaan stond op van zijn kei, slofte weg van het hek.