dinsdag 30 januari 2018

Verhalen uit de oude doos: Gesneveld (1984)

Vanaf mijn 12e jaar hield ik een dagboek bij en vanaf mijn 14e schreef ik kleine verhaaltjes die  nergens op sloegen. Ik liet ze wel eens lezen aan mensen. Die vonden ze vaak grappig, maar ook raar. Het past nergens in, zeiden ze dan. Dat moest ik altijd horen, of het nou om mijn verhalen of om mijzelf ging: het past nergens in. 
Vorig jaar vond ik een doos in de kast die vol zat met dagboeken van mij uit de jaren '80, '90. Helaas zat de verzameling rare korte verhaaltjes er niet bij, die zal ik door de jaren heen zijn kwijtgeraakt, maar ik heb er toch nog eentje (uit 1984) kunnen vinden. Ik moet ongeveer zestien jaar oud zijn geweest. 'Gesneveld' was de titel van het stukje.
Ik herinner me dat ik het naar een schrijfwedstrijd stuurde waar Herman Pieter de Boer jurylid was. Ik dacht, dat is gunstig, want die schrijft zelf ook rare verhalen. Na weken opgewonden wachten kreeg ik het terug. Er stond een vraagteken achter ‘gesneveld’. Meer niet.
Okay, dat woord bestaat feitelijk niet, maar ik dacht dat Herman dat wel zou begrijpen. Dat als een woord in een verhaal past, enkel en alleen door zijn klank, het okay is. Dat het in zo’n geval niet erg is als er geen directe betekenis bestaat omdat de betekenis al in zijn bestaansrecht zelf ligt. Als letters die door de lucht zweven en naadloos om een bepaald gevoel heen passen. Een lijst om een schilderij, het omslag van een boek. Of zoiets. Beter dan dit kan ik het niet uitleggen. Misschien had ik dat erbij moeten zetten. Of zou Herman daar niet gevoelig voor zijn geweest? 
Gesneveld
Gesneveld richtte hij zicht tot de deur. Grijs-zwart gelakt. Ivoorkleurige klink. Mijn god, de techniek staat voor niets, dacht hij voor de deur openging en zij binnenschreed. 
      ‘Het kan niet hoor,’ zei ze.
      ‘Oh.’
      Meer woorden had hij niet, zijn stemming was minimaal.
      ‘Het is op zand gebouwd,’ ging ze verder, ‘en mijn vinger kwam niet verder dan mijn duim lang was.’
      ‘Was?’ wilde hij vragen, maar slikte het woord snel in.
Zij ging zitten op het krukje waar zij altijd op zat. Haar billen hadden zich ernaar gevormd. Zij kon nergens anders meer op zitten en had er daarom thuis ook een. Daar waar niet zo’n krukje was, stond zij. Haar billen, dacht hij, puddingblank vol zachte putjes. Niet dat hij haar billen ooit had gezien, maar hij vermoedde het.
      ‘Dus het kan niet,’ zuchtte hij en deed aan de hand van een paar bewegingen alsof hij dat vervelend vond. Erg enthousiast was hij namelijk nooit geweest. Nee, dan zij. Zij had er het hele jaar naartoe gewerkt! Bezorgd peilde hij haar stemming. Echt verslagen zag ze er niet uit, wel moe.
      ‘Wil je koffie?’ vroeg ie. Hij moest toch iets zeggen. Ze lachte flauw.
      ‘Laat mij maar,’ zei ze, en gleed van het krukje.
Nu is het krukje nog heel even warm van haar putjesbillen, dacht hij, en keek toe hoe ze de deur opende en over de dertig centimeter hoge drempel stapte. Ooit had hij die laten aanleggen omdat hij bang was voor alles wat onder de dertig centimeter leefde.
De deur ging dicht, iets harder dan normaal en hij bleef gesneveld achter.
      ‘Het kan dus niet,’ zei hij hardop. Na ja, wat kon hem het eigenlijk schelen, en hij boog zich voorover om aan het krukje te voelen.  


vrijdag 26 januari 2018

Het onderhouden van een zeegezicht

















We kochten twee eenzame mensen
langs de kant van de weg, een mist
en een boot in de verte.

We schoven het panaromadak open
voor de draadlange lijven, de damp waarvan
we later pas begrepen dat hij blijvend was.

We kochten vakliteratuur en handleidingen, een hok
groot genoeg voor een mist, mensen, een boot, een verte
en zetten het in de bijkeuken.

Eerst gingen we regelmatig kijken. Toen minder.
Dit kon volgens de handleiding.

De mensen aten mist, de mist at boot, de boot de verte
en de verte niets.

Iedereen weet hoe dit afloopt. Wat we zagen
de laatste keer dat we keken, in de bijkeuken,
net achter de deur.



Tekening: Back Home, Henk Krist
Gedicht: Johanna Geels

Note: Voor een nieuwe bundel, Planeetversterkers, schreef ik dit gedicht bij een tekening van Henk Krist die ik mijzelf afgelopen jaar aanschafte. Henk weet dit allemaal niet, ik ken Henk ook helemaal niet, maar mocht hij dit ooit lezen: Henk, ik houd van die tekening!

maandag 22 januari 2018

Gekke brillen en tweede dates

Een week geleden zocht ik bij de Specsavers een rare bril uit. Op het moment zelf wist ik niet dat hij raar was, hoor, daar kwam ik pas achter toen de brillenverkoopster hard door de winkel ‘Theaaa, we hebben iemand gevonden die hem PAST!', riep. 
Waarna ze mij verheugd aankeek en zei dat er tot nu toe nog niemand was geweest die de bril ‘kon hebben’. Ik wist niet of dit een compliment of een verkapte waarschuwing was, maar ik duwde mijn twijfels aan de kant en besloot ervoor te gaan.

Ondertussen maakte ik een foto van mij en de bril en appte die naar mijn dochter en meneer K. Die reageerden beiden weifelend. Zelf was ik daarentegen ver-schrik-ke-lijk enthousiast. Die goudkleurige brilvleugels, de gekartelde randen, alles was geweldig aan die bril. Sterker, ik begreep niet hoe ik ooit zonder had kunnen leven. Nee echt, waar en heus, HOE voor godensake??

Misschien had er toen een lampje moeten gaan branden. Ik heb tenslotte in de kern een bipolair brein, dat, hoe goed ik hem ook onder controle heb, zomaar ineens de kop op kan steken. Me van het ene op het andere moment kan doen laten veranderen in een liefhebber van Heino, Jeff Koons of roze koeken.

Was dit zo een moment? Stond ik op het punt een (voor mij toch) dure bril aan te gaan schaffen waar ik de rest van de twee kalenderjaren, tot aan mijn nieuwe vergoeding toe, mee voor dukkel zou lopen? Gelukkig was er een actie. Twee brillen voor de prijs van één. Dus zocht ik er een normale bril bij. De brillenverkoopster vond dat ook een goed idee.

‘Weeduwadudoet,’zei ze opgelucht, ‘dan doet u bij een eerste date die gewone op, en bij een tweede die rare. Dus dat u die gekke bewaart voor als ze al een beetje aan u gewend zijn.’

Ik wist niet wat ik moest antwoorden, hinnikte maar een beetje. Want waarom categoriseerde ze mij als iemand die blijkbaar de een na de andere (rare) date had? Straalde ik dat uit?

Inmiddels zijn we een week verder en zojuist belde Specsavers. Er was goed nieuws en slecht nieuws, zei de meneer aan de telefoon. De ene bril was klaar, de andere niet. Welke van de twee, vroeg ik bangig. Ik hoorde een langdurig gekraak aan de andere kant van de lijn. Toen de verlossende stem.

‘Eeeeh, ik geloooooof, jaaaaa, nouuuu, welke, welke… Ja. Het is de gekke! Komt u hem nu ophalen? Of wacht u tot de gewone er is…’