vrijdag 3 november 2017

Ballentent (met Pauline Broekema in een bijrol)

Vier jaar geleden overleed mijn vader. Op een dag ging de telefoon. ‘Geels!’ schreeuwde hij mijn oor binnen, ‘ik zie allemaal kleuren en strepen, verdomme!’ Hij bleek longkanker te hebben die naar zijn hersens was gekropen en binnen drie maanden was hij weg. Snel, dramatisch en luidruchtig, typisch mijn vader.

Op een van de laatste dagen in zijn leven reed ik met mijn auto over de Loolaan die volstond met Molukkers en leden van motorclub Satudarah. Ik draaide de straat in waar mijn ouders woonden en reed hun oprit op, omzichtig, want er stond een geel busje in de weg. Mijn vader zat in zijn net nieuw gebrachte bed met liftsysteem (goeie timing van de thuiszorg) stralend in de achterkamer uit het raam te kijken, er bleek al de hele dag commotie te zijn omdat (in de nabijgelegen schouwburg) de oprichting van de Republiek der Zuid-Molukken werd herdacht. De straten en stoepen rondom het huis van mijn ouders stonden vol met ronkende motoren, stoere mannen en opgewonden vrouwen. Mijn vader straalde van oor tot oor en vroeg of ik wist wat dat gele busje voor het huis deed. Ik riep dat er vast een bom in lag, waarop hij antwoordde dat wat hem betreft de hele keet in de lucht mocht vliegen.
      ‘Ik ben die ballentent hier toch al jaren zat,’riep hij vol bravour, ‘ze kunnen er beter een Chinees restaurant van maken!’

Inwendig moest ik lachen, mijn vader mocht dan zijn hele leven een onmogelijk figuur zijn geweest, op mijn zestiende vluchtte ik letterlijk het huis uit om aan zijn drift en grilligheid te ontsnappen, toch zou ik de kermis die hij altijd om zich heen creeërde gaan missen. De dag ervoor bijvoorbeeld, trof ik hem bellend met de overbuurman aan, die ook terminaal lag te wezen.
      ‘Hé buurman,’ had hij door de telefoon geschreeuwd, ‘moet jij ook zoveel pillen slikken? Heb jij die bijsluiters wel es gelezen? Moet je voor de grap es doen jongûh, je weet niet wat je meemaakt, het lijkt godverdomme wel een avonturenroman,’en toen hij mij zag binnenkomen, ‘hè, daar is mijn dochter, dat is een roman op zichzelf, hoor. ‘De vijf op reis’, ‘Altijd wat, maar altijd lachen’, ‘Alle dertien goed’, haha.’

Na een tijdje klonk er dof geroffel in de verte. Het oude huis en al zijn ramen trilden. Mijn vader riep vanuit zijn bed, ‘de bom, de bom gaat af!’ Toen de motorenparade voorbij was getrokken hing de Montijn, die mijn moeder recent uit een erfenis had verkregen, scheef. Ik vond het een lelijk ding maar het verhaal erachter dan wel weer leuk. Een tante van mijn moeder had de litho in 1969 in Montijn zijn atelier in Zuid- Frankrijk van hemzelf gekregen. Die tante was een nogal exotisch figuur, alleenstaand en vaak opzichtig versierd reisde ze in haar eentje al vanaf de jaren ’50 de wereld rond. Ooit was ze verloofd geweest maar dat had maar kort geduurd. Ik weet niet wat die man haar had aangedaan maar daarna is het nooit meer wat geworden tussen haar en de liefde. Ze scheen in de oorlog in een knokploeg te hebben gezeten, iets met het verzet, ik weet het niet precies, dat zou ik aan mijn moeder moeten vragen, en na de oorlog werd ze chauffeuse bij de KNIL. Afijn, op de litho stonden een stierenkop en een afgekloven vissengraat afgebeeld en mijn moeder dacht dat Montijn hiermee misschien de stupiditeit en de uitholling van het christendom wilde benadrukken. Ik vond dat best goed gedacht van mijn moeder. 

Terwijl wij binnen gemoedelijk in de weer waren met al die kunstenmakerijen sloeg buiten de sfeer om. Er klonk geschreeuw, een sirene, brullend motorengeluid. Omdat de schuifdeuren van de (aan de achterkamer grenzende) serre openstonden konden wij alles goed horen. Hier en daar zag ik een paar politieagenten. Plotseling kwamen er tientallen Satudarahleden aanrennen en vormden een cordon aan beide kanten van de straat zodat er niemand meer in of uit kon. Mijn vader veerde op in zijn bed, zijn ogen glansden en mijn moeder begon begeesterd te vertellen dat ze vroeger, toen ze nog schooljuf was in het nabijgelegen dorpje Teuge, het nichtje van de toenmalige Molukse president les had gegeven. En of de huidige president in ballingschap ook nog voorbij zou komen? Dat zou wat zijn. Ineens reden drie Molukkers op een motor voorbij die salueerden terwijl ze langs het gele busje voor het huis reden.
      ‘Die president zit vast in dat busje,’ grapte ik.
      ‘Huh, zit de president in die bus?’ riep mijn vader vanuit zijn bed in de achterkamer. 

Tijd om uit te leggen dat dit een grapje was hadden we niet want voor we het wisten stond Pauline Broekema van het NOS journaal hijgend in de serre, of ze even haar camera en mobiel mocht opladen. Ze was zo door de open tuindeuren komen aanvliegen en schrok zich rot toen ze mijn magere vader zag liggen in zijn hoge torenbed in een zee van pillen en uitvallend haar. ‘Mijn man is terminaal!’riep mijn moeder vanuit de voorkamer, alsof dit de schuld van de NOS was. Pauline knikte vriendelijk doch verward en zei dat we bij het raam moesten wegblijven omdat Molukkers niet van blanken hielden. Dat leek mij een nogal boude bewering, maar Pauline hield voet bij stuk en vertelde op samenzweerderige toon dat er buiten ruzie was uitgebroken vanwege ‘blanken’ die zich tussen de Molukkers hadden begeven. Mijn moeder rechtte haar rug en vertelde aan Pauline dat zij het nichtje Soumokil in de klas had gehad. Ik vroeg mij af of die woeste meute buiten hier gevoelig voor zou zijn. 

      ‘Is die president nu al uit die bus inmiddels?’ riep mijn vader vanuit zijn bed.
Paulien keek verstoord op maar negeerde het, je kon goed merken dat ze oorlogssituaties gewend was, ze keek enorm serieus en voerde daar in die serre allemaal interessante handelingen uit met mij schier onbekende communicatieapparaten en shit. Ze was haar cameraman kwijt, hijgde ze, dus moest ze het allemaal zelf doen. Contact leggen met het NOS homefront en zo. Ik keek uit het raam. Buiten, tussen de relschoppers door liepen op hun dooie gemak een aantal Molukse vrouwen met buggy’s en baby’s.
      ‘Ga bij dat raam weg,’ gilde Pauline Broekema vanuit de serre. Ik keek naar de Molukse kinderen, ze aten appeltjes en lachten naar hun moeders. De moeders keken vertederd naar de schreeuwende mannen die door de straat renden, al die stoere bonken, een beetje met elkaar ouwehoerend, wat zouden ze lekker slapen straks. Mijn moeder kwam naast me staan.
      ‘Als ze gaan vechten,’ zei ze, ‘loop ik naar buiten en zeg dat ze op moeten houden.’
Ik keek geamuseerd naar dat kleine vrouwtje naast me van 1.65 meter.
      ‘Denk je nou echt dat ze naar je zullen luisteren mam,’ vroeg ik.
      ‘Natuurlijk,’ antwoordde mijn moeder gedecideerd, ‘ik heb Saartje Soumokil in de klas gehad.’ 

Pauline zei dat ze weer weg moest, en of ze straks terug mocht komen. Dat vonden wij goed. Ze rende de serre uit. Ik zei tegen mijn moeder dat ik al jaren wegzap als Pauline Broekema in beeld komt tijdens het acht uur journaal omdat ik niet tegen haar stem kan. En daar is geen woord van gelogen. Mijn moeder leek een beetje beledigd. Kwam er eens een beroemdheid binnen, ging ik het weer verpesten.

Achter ons klonk een luid gezoem. Mijn vader lag diagonaal, met zijn voeteneind hoog in de lucht en zijn hoofd hing ergens beneden. Hij drukte verwoed op de knopjes van zijn afstandsbediening maar het bed was niet meer in beweging te krijgen.
      ‘Heb je hulp nodig?’ vroegen wij vriendelijk vanuit de voorkamer, maar nee, wat dachten wij wel, hij wist heus wel hoe dat stomme ding werkte, daar hoefden wij ons niet ook nog eens tegenaan te bemoeien. We lieten hem een tijdje schuin hangen, het binnensmonds gevloek en gemopper negerend.  Na een minuut of drie liep ik erlangs en wees terloops naar het correcte knopje om gelijk daarna de tuin in te lopen. Net toen ik langs het raam van de achterkamer liep, waarachter mijn vader -nog steeds met zijn voeteneind omhoog- lag, klonk er naast mij een harde knal, een evenzo harde vloek en doemde het verstoorde hoofd van mijn vader met een rotvaart voor het raam op. Vanuit mijn ooghoeken zag ik Pauline Broekema verwilderd de straat oprennen, ze beukte bijna een Moluks kind omver.