vrijdag 6 juli 2018

Paskamer

De onder het bed gerolde kroon
trekt mild aan onze wangen
je hardkale kop waar het kwaad
van de wereld tegen afketst

In deze kamer draagt niemand zijn naam

Zijn je handen om mijn hals je ogen
de manier waarop je naar me kijkt
me elke ochtend uit-en-aankleedt
alsof je me voor het eerst

Je vingers tussen mijn kaken mijn mond
die gehoorzaam opent

En dat het zo wonderlijk is, zeg je
terwijl je mijn lippen
zacht dwingend uit elkaar duwt
mijn tong naar buiten lokt

Hoe ik er ineens was
met al mijn eigenwijze dingetjes
woordjes, wangetjes en kinnetjes

Het allemaal in deze kamer past


Tekening Kees van der Knaap (uit 'Vuurmakers', 2015)





dinsdag 26 juni 2018

De jongen die wind kon maken


Foto Giusi Barbiani
Hoe harder lichamelijk ongemak groeit, des te kleiner de wereld om je heen wordt. Logisch natuurlijk, zonder beweging kom je niet vooruit. Of; wat er aan de ene kant bijkomt moet er aan de andere kant weer af. Er zitten tehuizen vol met dit soort voorbeelden. Bejaarden, revalidanten, chronisch zieken, ontplofte sporters, allemaal mensen die ooit dansten, liepen, fietsten, renden, als adelaars boven rekstokken zwierden, tot er iets of iemand ergens op een stopknop drukte.

Vanwege een subluxerende, ontstoken en ingetapede schouder ben ik sinds een paar weken meer gehandicapt dan normaal. Ik kon als Ehlers-Danlos patient annex bouwpakket natuurlijk al 100 jaar geen heuvels meer belopen of zonder pijn een stokbrood snijden, maar deze schoudershit is van een nieuwe orde. Lopen, autorijden, douchen, aan-en-uitkleden, over alles wordt langdurig nagedacht en met behulp van bewegingstherapeuten schematisch in kaart gebracht. Soms kan ik een minuutje dit, soms een minuutje dat, de wereld opgedeeld in blokjes. Pixels. Omgevallen torens en onscherpe foto’s.

Wat ook nieuw is: sinds mijn arm besloten heeft geen arm meer te willen zijn is het schrijven lastig geworden. Het vergt kort gezegd een andere tactiek. Er is slechts ruimte voor een paar zinnen per dag. Paniek! Welke? Ik hoefde nooit te kiezen, alles kwam altijd vanzelf. Diende zich nonchalant en ruimhartig aan, liet zich uitgebreid opschrijven, uitgummen, bejubelen of bespotten en verdween zingend in de nacht om de volgende ochtend alweer…

Sinds kort wonen de woorden en zinnen achter metershoge muren en moet ik ze lokken met atonale melodietjes die ik zachtjes door mijn voortanden pers. Sommigen laten zich makkelijk lokken, anderen gooien hun neus in de wind en doen alsof ik niet besta. Van een nonchalant komen en gaan is in ieder geval geen sprake meer. Misschien zien ze de paniek uit mijn oren groeien en zoeken ze liever blakend gezonde mensen uit. Iets met economie en voordeel.

Dromen zijn ook niet erg economisch. Vannacht had ik er één over de wind. De wind landde in de oude eik achter mijn huis en vertelde over zijn wortels die volgens hem communiceerden met de omgekeerde wereld. ‘Je bedoelt de achterkant van de bodem?’ vroeg ik. ‘Ja,’zei de wind, ‘dat zou ik in een afgemeten wereld zomaar kunnen bedoelen, ja.’ ‘Wat is een afgemeten wereld?’ wilde ik vragen, maar toen was de droom alweer afgelopen.

Ik werd wakker, liet mezelf met hulp van de goede arm uit bed lazeren en keek, voor ik naar de badkamer strompelde nog even snel de tuin in. Daar stond, midden in het gras, een jongen.
‘Heb jij wel eens wind gemaakt?’ vroeg ik hem. Zijn armen staken wit onder zijn hemdsmouwen uit. Zijn haren als een ontplofte zee-egel op zijn hoofd. De jongen lachte droevig, alsof hij ooit wind maakte wanneer het hem uitkwam, alle dagen en nachten van de week, een gave die hem inmiddels ontnomen was.

‘Fijn is dat, hè,’ zei ik. ‘Wind maken. Eerst de stilte, het niets. De bladeren en stammetjes in de tuin die zwijgen. Dan je armen wijd, de scharende bewegingen, het ruisen in de verte dat aanzwelt, het kloppen van je hart in eenzelfde ritme tot alles simultaan opzweept, hoger, hoger, het over je hoofd trekt zodat je haren rijzen, en maar maaien met je armen als een maniakale dirigent, harder, harder, het binnenhalen van een vliegtuig dat oorverdovend over boomtoppen raast.’

De jongen keek ernstig naar de grond. Zijn armen, twee dunne bleke berkenstammetjes, hoorden niet bij hem. Zijn vingers berkentakjes, één beweging, knak.


dinsdag 12 juni 2018

Naakte vrouwen en kweekforel

Foto: Francesca Woodman

Ik ben geen groot voorstander van onaangekondigde experimenten maar soms ontstaat er eentje vanzelf ergens achter in mijn hoofd. Meestal merk ik het pas op als hij al een paar centimeter groot is en ik er niet meer omheen kan. Heel slim van het experiment, vind ik dat. Ik weet niet of hiermee bewezen is dat experimenten een bewustzijn hebben maar het zou me niets verbazen. Als je ongewenst in een lichaam woont moet je iets verzinnen om overeind te blijven.

Het experiment bestond eruit dat mijn geest en lichaam deden alsof de wereld om hen heen bedacht was. Buiten mij om, want ik was mij van geen kwaad bewust. Ik kocht ondertussen gewoon rundervinken in supermarkten of vissen van jute voor mijn kat met een stokje eraan.

Toen het al een tijdje aan de gang was kreeg ik het pas in de gaten. Ik merkte dat mensen mij niet terug groetten op straat of dwars door me heen keken als ik tegen ze praatte. Ik wist ook meteen dat het te laat was om dit proces te keren. Zodoende ging ik steeds meer geloven dat ik niet bestond. Dat lag aan mijzelf, ik reken het niemand aan. Al hielp de wereld wel een handje mee. Zo mailde ik een aantal mensen in korte tijd zonder ooit antwoord te krijgen. Een arts, een oude vriend, een kennis, één of twee uitgevers, een bedrijf. Ik checkte mijn mailinstellingen, mijn internetverbinding maar alles werkte naar behoren. Ervan uitgaande dat ik niet besta is dit ook niet zo raar natuurlijk. Je kunt niet niet bestaan en ondertussen respons krijgen, dat gaat niet samen.

Laatst volgde ik een discussie op Facebook over uitgevers en dichters. Iemand zei dat een dichter zonder uitgever geen echte dichter was. Uitgevers waren poortwachters. Zij hielden de kwaliteit in stand. Als zij je niet uitgaven was je gewoon niet goed genoeg. Ik moet altijd een beetje droevig glimlachen als ik zoiets lees. Al die brave mensen die met hun spoorboekjes langs de deuren gaan. Aanbellen, tabelletjes aanwijzen en opdreunen wat ze zien. Lieve schatten zijn het. Het zijn dezelfde mensen die bellen als er ergens een stoeptegel los ligt. Levensredders. Bewakers van de werkelijkheid. Wat zou de literatuur zijn zonder poortwachters, spoorboekjes en hun aanbidders? Een zootje, een verwilderde tuin met zoetzuur geurende schaduwhoeken, plakvlinders in nog niet ontdekte kleuren en insecten met rimpels en kraakstemmen die laag over de grond brommen en verre van fotogeniek zijn, ik zweer het je.

Het mooie van niet-bestaan is dat je veel vrijheden hebt. Ik kan gewoon schrijven wat ik wil, naakt in mijn tuin gaan staan met een emmer op mijn hoofd, mijn blogspot volproppen met gedichten over zingende zeekomkommers, geen hond die zich daar druk over maakt. Zo’n vrijheid komt je natuurlijk niet vanzelf aanwaaien, die moet je een handje helpen. Door midden in de nacht in je tuin te gaan staan met een spiegeleibord, bijvoorbeeld. En maar zwaaien. In de supermarkt ’s middags om 12 uur je hoofd achter een pot mosterd steken en zachtjes ‘roermenietroermeniet’ fluisteren.

Soms helpt het lot een beetje mee. Als je in deze wereld allerlei onzichtbare handicaps ontwikkelt schuif je namelijk vanzelf naar een zijlijn toe. Je moet er wel voor zorgen dat je aandoeningen onbekend blijven anders ben je alsnog de klos en zit je voor je het weet in een rolstoel op de eerste rij van een Guus Meeuwis concert met vrijwilligers om je heen die je hand vasthouden en om de seconde vragen of je gelukkig bent.

Nog een voordeel van niet-bestaan is dat je tijd genoeg hebt. Als je in een lichaam woont dat maar een paar honderd stappen per dag kan zetten en een geest waarin drie miljoen gedachten elke seconde van de dag om een nieuwe ordening schreeuwen kun je het gewoon wat rustiger aandoen.
Ik heb dus veel tijd om na te denken over mijn niet-bestaande wereld, waar ik dan vervolgens stukjes over schrijf. Dat is zo’n beetje de situatie hier.

Soms ga ik een uurtje op internet de wereld bekijken. Internet is voor mij een uitkomst. Vroeger als kind was ik ook vaak onzichtbaar ziek en keek dan elke ochtend schooltelevisie. Schooltelevisie klinkt heel georganiseerd maar in mijn herinnering leverde deze omroep maar één uitzending per week die vervolgens elke dag herhaald werd. Ik kende die uitzendingen woord voor woord uit mijn hoofd en moest grote moeite doen om halverwege de week niet van verveling dood neer te vallen.

Nee, dan internet. Want al kan ik zelf niet actief ‘meewerelden’, ik kan wel zien hoe jullie bij elke scheet je telefoon pakken om dat te delen. Erg fijn. Dank jullie allemaal bij deze. Ik ben een soort van geest die naast jullie bed staat, in de kroeg over jullie schouder meekijkt met wie jullie nou weer zitten te ouwehoeren. Erg tof. Zo niet-besta ik automatisch toch wat minder.

Facebook heeft wel een groot nadeel, tho. Het is er allemaal erg serieus. Laatst bijvoorbeeld had ik een fazant van straat getrokken, hem blauw geverfd en wilde hem een papieren hoedje opplakken maar kon geen juiste lijm vinden. Driesecondenlijm, houtlijm, zoogdierenlijm, ik wist het niet en vroeg het aan de mensen op FB. Dat viel niet in goede aarde. Ik verloor 50 vrienden en iedereen was boos. Want dan besta ik blijkbaar ineens wel. Gek is dat.

Je kunt geen grapjes maken op Facebook. Elke keer als je inlogt verschijnt er een vakje bovenin de pagina waarin je mag typen ‘wat of je aan het doen bent’. Dat klinkt heel vrij, maar is het niet. Fazanten blauw verven en beplakken wordt niet getolereerd. Naakte vrouwen boven een aquarium met kweekforel hangen ook niet. Je mag alleen dingen doen die in dat vakje passen.

‘Je moet je eigen vakje creeëren’ roepen mensen (die waarschijnlijk ook niet bestaan) dan. Maar daar ben ik niet goed in. Ik kan ook niet tegen blousjes die hoog dichtgeknoopt zitten. Dichte dozen of deuren.

Gisteren rolde er een aluminium balletje voorbij, op de plek waar ik een boek zat te lezen. Dat balletje bleef aan het eind van de kamer stilliggen en begon daarna te zoemen, eerst zachtjes maar steeds harder. Hij groeide ook. Eerst twijfelde ik daaraan, want als ik er naar keek zag ik niets gebeuren, maar elke keer als ik de kamer uitliep en terugkwam werd mijn vermoeden bevestigd. Hij groeide!

Inmiddels is hij net zo groot als de boekenkast dus dat belooft wat.

Op facebook wordt ook veel gediscussiëerd. In praktijk komt het er op neer dat zogenaamd geëngageerde mensen vragen stellen in de daarvoor bestemde vakjes. Bijvoorbeeld: Mag je dieren van straat trekken en blauw verven?#durftevragen. Wat maakt jou gelukkig?#durfteleven. Mijn poep is groen, is dat goed? #durftepoepen. Mag je een zin met ‘ik’ beginnen?#durfteschrijven.

Mij interesseert het meestal geen zak wat andere mensen vinden maar dat zal wel een voordeel van het niet-bestaanschap zijn. Want als ik wel bestond zou ik me waarschijnlijk ook druk maken over hoe ik me moest gedragen.

Jullie denken nu misschien, waar gaat dit stukje heen? We zitten al op 1400 woorden, geen rode draad te bekennen en we hebben nog meer te doen, ja.

Ik moet daarop antwoorden dat ik het niet weet.

Ik weet wel dat ik zojuist buiten met mijn spiegelei onder de pergola stond te zwaaien en iets groots zag glinsteren voor mijn raam. Dat was de aluminium bol, denk ik, die maar groeit en groeit. Ik hoop dat ik straks nog in mijn huis pas.


donderdag 17 mei 2018

Zeekomkommer zingt schipperslied

Vandaag ben ik een koraalbank, een sirene
een deinend zeeskelet.

Mijn haren vuilwit schuim dat zich vasthecht
aan zwerfplastic, het hoofd vol radiostemmen
uit een onbemande boot.

Door mijn tenen wegschietende visjes met namen
als haakneuzen, prikkend en poerend in zeevloeren
van potvishuid. Potvispootjes.

Misschien ben ik dood.

Potvissen hebben geen pootjes, zegt de zeekomkommer
aan de wand.

Waarom niet, vraag ik. De zeekomkommer antwoordt
dat hij dit niet weet. Wel dat sommige mensen
verjaardagsslingers in een kamer zijn, hand in hand, hoera!

En dat hij moe wordt van de mensen in dit huis
elke dag dat zingen, lachen, doden, eten, huilen
en weet hij veel wat liefde nog meer liefde maakt.

Schurende pokken misschien, vanaf potvishuid de zon boven
je hoofd door het wateroppervlak heen zien schijnen, misschien.

Over duinen klimmen, achter elke heuvel een nieuwe pan,
een nieuwe golf, komkommer, snik.



maandag 14 mei 2018

Geluidsbazen


Ik heb dus misofonie, of 'de geluidenziekte' zoals mijn oma het altijd noemde. ‘Net als Simon Vestdijk,’zei zij dan als iemand ernaar vroeg. Dat had ze gezien op televisie. De oordoppen die hij tijden het schrijven in had omdat hij zich aan omgevingsgeluiden irriteerde. 
De oordoppen die permanent in haar nachtkastje woonden en die ik ook altijd bij me heb als ik ergens moet overnachten omdat ik anders geen oog dicht doe. De blinde agressie die ik voel als iemand naast mij een zakje chips openmaakt, het uitgebreid op gaat zitten knagen. Sowieso mensen die smakken tijdens het eten, luid ademen, het tikken op een toetsenbord, een klok, het druppen van een kraan, nagelbijten, velletjesbijten, het geluid van een kartonnen bakje dat zacht op een tafelblad wordt neergezet. De woede die dan door me heen jaagt, man… niet te beschrijven, echt. Dat er nog geen doden zijn gevallen mag een wonder heten. 
In ieder geval, misofonie blijkt dus een echte ziekte. Je kunt er voor in behandeling zelfs, al zou ik dat wantrouwen, hoor. Ik weet precies hoe dat gaat. ‘Door de angst heen’, yeah, right. 
Ik zag ooit een documentaire op televisie over fobieën. Ze filmden een man die doodsbang was voor witte bonen in tomatensaus. Eerst gingen ze met hem praten over witte bonen in tomatensaus, daarna lieten ze hem geluiden horen van witte bonen in tomatensaus (lepel door witte bonensmurrie) en als laatste zetten ze de arme man (die inmiddels was veranderd in een zenuwwrak) alleen in een kamer met een gasstelletje waar een potje witte bonen in tomatensaus op stond te pruttelen. Met duizenden tegelijk voor de buis zagen wij hoe de stumper zichzelf op de grond liet vallen, jammerend en huilend dat het op moest houden, alstublieft, hij kon niet meer, zagen wij dat dan niet. 
Gebroken moesten ze hem afvoeren. Waarmee ik maar wil zeggen dat het allemaal niet zo makkelijk gaat als het lijkt. En dat fobieën op zichzelf levende organismen zijn, totaal niet met rede begiftigde wezens. Je kunt er doorheen gaan, omheen lopen, tegen zingen, praten, schoppen of bidden, je schiet er geen donder mee op. Uiteindelijk zijn ze de baas. 
Wat dat betreft draait altijd alles om bazen. De grootste bek, de grootste woorden, de grootste lul. Totdat alles op een dag ontploft. En dan niet bij mij komen huilen hè! Ik heb jullie gewaarschuwd.

woensdag 9 mei 2018

De avond dat mijn vader door een Biedermeierstoel heen zakte


      We aten soep op schoot. De hond beschermde grommend
      zijn pantoffel. Boven zijn kop hing een foto van mij als vierjarige
      in een kanariepak.
     
      Tot die avond had ik altijd gedacht dat ik mijn zus, de hond of de
      Biedermeierstoel was.
     
      Hij kraakte vervaarlijk onder mijn vader die oreerde alsof
      er een landelijke staking was uitgeroepen die dag  
      en hij de vakbondsleider was.  
      
      Net voor hij bezweek fluisterde mijn zus dat ze vroeger altijd dacht
      dat ze een jongetje was dat Hänzel heette.

      Terwijl het hout als versplinterd bot tegen oma’s portret opvloog
      gooide de hond zijn kop in zijn nek en jankte
      dat alles onomstotelijk waar was.
     
     
      (Uit: Planeetversterkers)