woensdag 9 januari 2019

Revadiva



Revalidatie. Altijd lachen. Deze week bijvoorbeeld zat ik in een sportzaaltje op een stoel met mijn gezicht naar een wandrek gekeerd. Op aanwijzing van de fysio zat mijn neus zo dicht mogelijk tegen het rek aangedrukt. 
Net op het moment dat het ongemakkelijk werd besloot mijn fysio een kussentje te gaan halen voor mijn arm die het niet meer doet. Voor de volledigheid; zij liep weg en ik bleef zitten met een lamme arm in mijn hand.

De deur van het zaaltje stond open. Er liep een aardige meneer voorbij die bezorgd naar binnen keek. Het zag er ook raar uit natuurlijk. Ik kreeg een kleur. En nog een. Tegen de tijd dat mijn wangen zo roodpaars ongemakkelijk waren geworden dat ik medelijden met mezelf kreeg, kwam de fysio terug.

We startten de oefening die eruit bestond dat ik mijn handen op het rek moest plaatsen waarna ik de linkerhand licht moest aandrukken terwijl de ander een trekkende beweging maakte. Omdat ik mijn arm en schouder niet mag belasten was het de bedoeling dat ik dit zó zacht deed dat je er niks van zag. Radio 2 stond aan. Ik voelde me belachelijk. Revalidatie is een mooi ding, maar als je zo ijdel bent als ik een ramp, ik zweer het je.

Net toen ik dacht dat mijn hoofd een kleur had gekregen die nooit eerder was gedetermineerd schalde de vogeltjesdans door het zaaltje. Op datzelfde moment kwam een jongen het zaaltje binnen die stoere oefeningen begon te doen op een fitnessapparaat. Ik wilde één worden met het wandrek. Opgaan in de muur, de radio, whatever.

De vogeltjes dansten ondertussen zo fanatiek dat de veren door het zaaltje vlogen. Als ijdelheid een vulkaan was barstte hij op dat moment uit. Ik begon te lachen. De fysio lachte mee. Het kussentje dat mijn lamme arm ondersteunde viel op de grond. Toen moest ik nog harder lachen. De jongen keek ongemakkelijk naar ons, alsof wij in een andere zone zaten, en dat was ook zo. Ineens lagen de verhoudingen compleet anders, en het gekke was; juist door mijn trots zo keihard te verliezen kreeg ik hem op datzelfde moment driedubbel terug.

Ik reed zingend met één arm naar huis. Thuis deed ik de kachel aan en aaide de kat met twaalf gedachten die als een hondje op mij stond te wachten. Al met al was het nog best een vrolijke dag.


maandag 24 december 2018

Ideale kersttelevisie: De (rauwe) eerlijkheid van Beth Hart


“God bless the child with the dirty face, who cuts her luck with a dirty ace

She leaves the light on, I leave that light on”

(Leave the light on, Beth Hart)


Tot afgelopen weekend wist ik weinig over Beth Hart. Natuurlijk was haar muziek wel eens voorbij gekomen, waarbij haar stevige strot indruk had gemaakt maar daar bleef het bij. Voornamelijk omdat het geen muziek is waar ik ‘ongestraft’ naar kan luisteren.

Ik draag al jaren een denkbeeldig lijstje met verboden muziek met mij mee vanwege de hoofdstofjes die ze triggeren en die ik beter gedempt kan houden. Jimi Hendrix staat (helaas) bovenaan dat lijstje, Rage against the machine, het laatste pianoconcert van Horowitz in Moskou, Arvo Pärt, en Beth Hart volgen vrij direct. Ik luister voor mijn eigen bestwil voornamelijk naar rustige kabbeldingen. Gitaartje, zacht stemmetje, kalme jazz, piano, trompetje, soul, R&B, niets gevaarlijks, alles cool.

Ondanks dat ik weinig van Beth afwist check ik al jaren incidenteel haar concertagenda. Als ik bijvoorbeeld een verjaardagsfeest voor mijn kinderen of Sinterklaas plan en wil weten of de vader van mijn kinderen daar bij kan zijn. Mijn ex is namelijk vaste geluidstechnicus van Beth Hart en tourt met haar de wereld over. 

Afgelopen weekend was er een korte documentaire op NPO 3 over Beth Hart, The untold Stories. En omdat ik nu eindelijk wel eens wilde weten wat voor een werk mijn ex deed, zat ik er helemaal klaar voor. Het was wat dat betreft meer uit nieuwsgierigheid dat ik die docu ging kijken dan oprechte interesse. Ik had dan ook helemaal niet verwacht dat die uitzending mij zo diep zou treffen. En niet alleen vanwege haar geweldige stem, de muziek die ze speelde en het effect dat dit op mijn bipolaire hoofd had (ik sliep pas om twee uur en viel Django de Kat lastig met rare verhalen), maar ook om de dingen die ze vertelde. Over bipolair zijn, haar verleden met drank en drugs, maar vooral over de noodzaak om éérlijk te zijn, ook als dit als mogelijke consequentie heeft dat je er nooit helemaal bij zult horen, dat mensen je liever mijden. Dit raakte me zo dat ik hard op zoek moest naar iets of iemand om me aan vast te houden. Want ik doe altijd wel zo stoer, maar ik ben natuurlijk maar een weke trut in het diepst van mijn gedachten. (nogmaals, sorry Django)

Wat me ook trof was de reden waarom ze (naar eigen zeggen) muziek maakte. Als een poging om verbinding te maken met de wereld, de mensen om haar heen. Omdat het blijkbaar op een andere manier niet lukte.

Waarschijnlijk waren mijn zenuwen al aardig voorgeweekt door de kerstdonkerte van de afgelopen dagen, hoor, en moet ik er niet teveel waarde aan hechten maar ineens had ik een openbaring. Zag ik in dat ik misschien helemaal niet zo sociofoob of asociaal was als ik altijd dacht. Want anders maakte ik die gekke gedichten en stukkies van mij wel thuis in mijn eentje. Liep ik er niet op internet of in tijdschriften mee te zwaaien. Blijkbaar zitten er nog genoeg gaten in mijn verdediging. Dat ontroerde mij. 

Beth zei nog veel meer mooie dingen en zong zo prachtig kwetsbaar dat ik nu al weet dat ik -helaas- nooit meer naar haar kan luisteren zonder mijn hoofdstofjes finaal op hol te brengen. 

Dus als jullie met kerst nog een fijn kijkbuisprogramma zoeken en je hebt geen last van jagende dopaminewolken in je kop, ga dan deze docu zien. Houd er wel een zakdoek bij, want man, wat kan dat wijf zingen. Nu kunnen dat er meer natuurlijk, maar de bloederige waarheid die zij eruit schreeuwt is van een andere orde. Die gaat dwars door je heen. Het is ook precies die rauwe eerlijkheid en pijn die ik node mis in de literatuur, en waar ik altijd zo over loop te zeiken. Die onversneden eerlijkheid die ik voel bij de muziek van Jimi Hendrix of Amy Winehouse, in het werk van Ingrid Jonker of Rogi Wieg, allen toevallig ook bipolair.

Wat is dat eigenlijk met die bipolairen. Waarom schuwen zij die lelijkheid niet? Lijken ze liefst recht in de armen van de duivel te willen rennen. Om zich daarna net zo makkelijk te nestelen in de schoot van een of andere (reddende) engel. De destructieve en ontregelende drang om op dat randje te balanceren, de demonen recht in de ogen te loeren in combinatie met het werk dat dit oplevert.

Misschien moet ik in 2019 niet zoveel meer zaniken over de saaiheid van de hedendaagse kunst en literatuur. Want ik realiseer me ineens dat als alle schrijvers, muzikanten en kunstenaars met hun werk ons gemoed zo heftig op de kop zouden zetten zoals Beth, Jonker of Jimi dat doen, het misschien een beetje veel van het goede werd. 

De uitzending is terug te zien op Uitzending gemist onder deze link:


Een kort fragment hieronder:





woensdag 19 december 2018

Waarom de kans groot is dat half invalide NL er met de kerst slordig bijzit


Aangezien ik er tegenwoordig een kwart ochtend over doe om mezelf aan te kleden of in een jas te hijsen, waarbij de kans bestaat dat ik na uren noeste arbeid de jas, het vest of de jurk schuinscheef om mijn schouders heb hangen, bestelde ik onlangs een aankleedstok bij een webwinkel in thuiszorgproducten. 

Helaas kon de stok kon niet direct geleverd worden. Volgens de meneer van de thuiszorg vlóóg het klerending deze donkere dagen voor kerst de deur uit. Alsof al mijn medehulpbehoevenden het hele jaar maar wat aangeklooid hadden met een halve arm, om nu ineens, op het eind van 2018 in te zien dat dit een verloren strijd was. Een jaar zonder aankleedstok geen volwaardig jaar.

Dus. Dankzij de eindejaarsopenbaring van half invalide Nederland wacht ik nu al een week op mijn aankleedstok die qua praktisch nut in mijn fantasie steeds grotere vormen begint aan te nemen. Zo kan ik er inmiddels al ramen mee openen, mokken aan hun oor mee uit de kast trekken,  de kat op zijn lazer geven als hij op veilige afstand aan mijn bank krabt en denkt; daar kan die invalide gek toch niet bij, de was uit de machine halen, eksters mee uit bomen jagen, enz, enz. Het is zelfs al een keer voorgekomen dat de aankleedstok mijn hele tuin winter-en-zomerklaar maakte nadat hij eerst een complete tentoonstelling van naïeve kunst uit de Oxazepamvallei had samengesteld in het Moma, waar ik als gastcurator natuurlijk voor was uitgenodigd, al gebiedt de eerlijkheid mij te zeggen dat ik toen iets teveel Naproxen had geslikt.  

Inmiddels zie ik telkens voor me hoe duizenden wonderstokken in wilde vaart over Nederland vliegen, terwijl evenzoveel een-of-halfarmigen ongeduldig in scheefhangende peignoirs voor het raam zitten te wachten.

De post is de wanhoop ook nabij. Elke ochtend krijg ik een mail waarin staat dat mijn pakket wegens kerstdrukte waarschijnlijk (weer) een dag vertraagd is. Wit/oranje busjes met uit het raam stekende aankleedstokken rijden paniekerig door het land heen en weer en overal vind je stokken -die soms zelfs tijdens het rijden door pakketbezorgers op goed geluk uit het autoraam worden geslingerd- in keurig aangeharkte voortuintjes terug. Het zou mij dan ook niets verbazen als de eerste dode van 2019 veroorzaakt gaat worden door een aankleedstok.

Afijn, hoe dit allemaal af gaat lopen weet niemand. Ik weet alleen dat het van de post afhangt dit jaar of ik er straks met kerst een beetje netjes bijzit.

Duim voor mij.



maandag 17 december 2018

Pakjes-en-zakjesliteratuur (een pleidooi voor het experiment)


Afgelopen jaar las ik een inspirerend artikel in de NRC van schrijver, filosoof Maxim Februari over de literatuur anno 2018 die oersaai zou zijn geworden. De redenen volgens Februari:
"Commerciële druk, het verbod om te rommelen. Twee misprijzende recensies, een tegenvallende verkoop en je leven is voorbij."

In de kunst lijkt het niet veel beter te zijn volgens kunsthistoricus Joke de Wolf die (ook afgelopen jaar) in Trouw de hedendaagse kunst in openbare ruimten als volgt beschreef;  “Nederland hád een voorbeeldfunctie in de wereld. Die is het nu kwijt. Wat rest in het landschap: Daan Roosegaarde en brave beelden van risicoloze dieren.”

Bezuiniging, verzakelijking, angst om buiten de boot te vallen in een door (social)media en commercie gedicteerde (hypercorrecte) cultuur, wat de redenen ook mogen zijn, het levert blijkbaar een berg aan zouteloze kunst en literatuur op.

Ik was blij met het artikel van Maxim. En heus niet alleen omdat ik vorig jaar een roman en dichtbundel schreef die in een la bleven liggen omdat mijn uitgever ze commercieel niet interessant vond, al speelde dat wel mee natuurlijk, want toegegeven; elke keer als ik de zoveelste saaie poëziebundel en/of roman tegenkom steekt dat toch een beetje.

Toch is het de literaire houdgreep waar we in verzeild zijn geraakt die me het meest dwarszit. Uitgevers zijn bang om niet te scoren, lezers zijn (of lijken) bang (te zijn) voor het onbekende, het onbesprokene, recensenten zijn bang (of te elitair) om werk te recenseren dat niet bij de grote uitgeverijen verschijnt en schrijvers zijn bang om niet (meer) uitgegeven te worden. Worden ze eindelijk uitgegeven ligt de volgende angst op de loer: wel of niet besproken worden en/of literaire prijzen winnen. Mijn uitgever bijvoorbeeld wilde mijn laatste dichtbundel na vier (twee bij uitgeverij Atlas, twee bij Marmer) goed besproken bundels, waarvan de eerste werd genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs, niet uitgeven omdat ik nooit een literaire prijs won. Prijswinnende dichters verkopen beter.

Wat dat betreft zou je mij kunnen verwijten dat ik gewoon een gegriefde zeurdoos ben die makkelijk lullen heeft achteraf. Want zou ik ditzelfde stukje hebben geschreven als ik nog werd uitgegeven en onderdeel van de literaire houdgreep was geweest? Afhankelijk van de goede wil van jury’s, redacteuren en recensenten? Dat weet ik eerlijk gezegd niet.

Aan de andere kant merk ik dat de literaire zijlijn, waar ik (mede wegens chronisch ziek-zijn) momenteel noodgedwongen bovenop zit, buitengewoon vrij voelt. Geen noodzaak tot scoren meer, geen mens die over mijn schouder meekijkt en mompelt dat ik prijzen moet winnen, minder ‘raar’moet schrijven, enz, enz.

Deze vrijheid heeft een prijs. Zo kom ik niet meer in aanmerking voor werkbeurzen, treed ik nergens meer op en binnenkort zullen die paar laatste bundels van mijn hand die nu nog in boekhandels of bibliotheken liggen langzaam verdwijnen. Daar staat tegenover dat ik kan schrijven wat ik wil. Terug naar de basis. Dat heeft inmiddels een rare (volgens anderen; behoorlijk waanzinnige, verinnerlijkt-manische, Thomas Bernhard meets Han Kang-achtige) commercieel totaal oninteressante roman in dagboekvorm opgeleverd die waarschijnlijk niemand gaat uitgeven, maar het is mijn stem, mijn geluid, mijn verhaal. En dat voelt goed. Sterk.

Ondertussen lijken uitgeverijen vooral gefocust op jong talent. Jeugd is hip. Jong talent krijgt voorrang op ouder talent. Dit werd me afgelopen jaar weer eens duidelijk toen een redacteur van een (grote) uitgeverij mij schreef dat ze mijn poëziemanuscript tegen beter weter in gelezen had, want; geen plek, er stond nieuw jong talent te trappelen en dat ging voor, hoe jammer ze het ook vond aangezien ze mijn manuscript met veel plezier had gelezen.

Ik lees wel eens poëzie van jong talent, en zeker, soms is het veelbelovend, maar meestal is het vooral erg veilig en politiek correct. Tam. Soms is het zelfs buitengewoon slecht. Neem de recent verschenen bundel van ‘dichter’ Niels Zwakhals bij Prometheus met gedichten die waarschijnlijk zelfs voor een gemiddeld Libellelezer te corny zouden zijn. Ik citeer het (complete) gedicht Levenssamenvatting:

Ik dans/ en struin/rond/ in een tuin/ van liefde/ en puin.

Een grap, dacht ik eerst. Het wervingspraatje in de webshop van de uitgever leert ons dat de gedichten van Zwakhals “…over jou gaan. Over mij. Over ons. Over alle liefde. Dat voel je in alles. Even puur als herkenbaar. Alsof ze zo uit jouw hart komen.” 

Platte bouquetreeksversjes die schaamteloos naast de prachtige poëzie van Menno Wigman worden geëtaleerd. Alsof Prometheus een dikke drol in zijn eigen huiskamer heeft zitten draaien. En de pest is, je kunt je ogen sluiten, maar je blijft het ruiken.

Blijkbaar is er een tendens gaande. Zo hoor ik steeds vaker om mij heen dat literaire schrijvers en dichters (die dan misschien geen best-sellers maar wel literaire kwaliteit leveren) het veld moeten ruimen terwijl dit soort fröbelschrijvers als nieuwe talenten worden binnengehaald. Stapels veilige, saaie kabbelromans en dichtbundels overspoelen op deze manier ons land. Kleuren op nummer. Iedereen kan schilderen met Ravensburger. Want dat willen de mensen.

Maar is dat eigenlijk wel zo? Misschien zijn ‘de mensen’ het wel spuugzat om die voorgestanste ondoorleefde boekjes door de strot geduwd te krijgen. En zijn de meesten er gewoon niet zo goed in om hun hand op te steken en te zeggen; ‘Johooo, hallo uitgevend NL, wij zijn best in voor een experimentje, we zijn geen kleuters die aan het handje door wéér een veilig boekje of bundeltje van een randstedelijke hippe midden-twintiger hoeven worden geleid.'

Neem Albert Heijn en hun plotselinge fascinatie voor gezonde producten. Deze is heus niet uit maatschappelijke bezorgdheid ontstaan. Hun ‘maatschappelijke taak’ om de mensen van goed voedsel te voorzien. Het is de toenemende vraag naar dit soort producten die daarvoor gezorgd heeft. Kortom, dat hebben we zélf gedaan. Door beter voedsel te eisen. Meer variatie. Minder pakjes en zakjes. En in de grond verschillen uitgevers en supermarkten niet veel (meer) van elkaar. Want van de 'volksverheffende' functie waar men vroeger zo sjiek over deed is natuurlijk weinig meer over. 

Bezuinigingen dwongen een meer marktgericht denken af, en dat is logisch, maar pretendeer dan niet dat je die voorbeeldfunctie nog hébt. Uitgevers zijn allang geen sjieke poortwachters van de literatuur meer. Bewakers van kwaliteit. Het zijn supermarkten geworden. Winkels die nog steeds het wapen van ‘hofleverancier’ boven hun deur hebben hangen, maar dat allang niet meer zijn.

Commerciële bedrijven moeten zich conformistisch opstellen om te overleven terwijl kunst en literatuur bij uitstek non-conformistisch horen te zijn. Dat gaat niet samen. Neem ‘Finnegans wake’ van James Joyce. Zou deze ‘kruiswoordpuzzel van 600 pagina’s’ zoals de roman ooit werd omschreven, in deze tijd zijn uitgegeven? Weinig kans.

Recensenten zijn belangrijk in dit verhaal want zij houden de literaire houdgreep mede in stand. Zij bespreken immers voornamelijk werk dat wordt aangeleverd door de grote uitgeverijen. De kleineren (die nota bene vaak wél non-conformistische literatuur durven leveren, oftewel, de volksverheffende taak op zich nemen) worden genegeerd. Op een enkele uitzondering na, want er zijn gelukkig nog recensenten die hun nek durven uitsteken. Die begrijpen dat het tijd is voor herijking. Een nieuwe orde.

Recensenten zouden zich bij uitstek moeten bekommeren om de literatuur in zijn puurste vorm, uit welke bron (grote/kleine uitgever, eigen beheer) deze ook ontspringt. Nieuwe tijden vragen om een nieuwe werkwijze. Want eerlijk, wat kun je kwalitatief verwachten van uitgeefhuizen die ‘commercieel interessant’ en ‘jong en hip’ als belangrijkste uitgeefcriterium hanteren?

Terug naar het artikel. Maxim Februari eindigt op milde toon:

“Dit jaar heb ik veel gesprekken aangehoord over kunst en literatuur en ik ben ervan overtuigd geraakt dat over honderd jaar de eenduidigheid van het hedendaagse proza zal worden gewaardeerd als een weergaloze neerslag van de huidige cultuur. Een cultuur die niet meer neuriet, die jonge mensen niet meer uitnodigt tot experimenteren in de openbare ruimte en het landschap, maar die ze terroriseert met studieschulden, literaire voorschotten, boekhoudprogramma’s, oplagecijfers, leesminuten, bestsellerlijsten, recensiesterren, recensieballen – en ze vervolgens verwijt eenduidig te zijn.”

Voor een deel ben ik het hiermee eens. Ik kan me voorstellen dat al die boekhoudkundige ellende de creativiteit smoort. Aan de andere kant is het ook onzin. Literatuur zou zoveel meer moeten zijn dan het wachten of anticiperen op recensieballen, voorschotten en boekhoudprogramma’s. Want waar is de innerlijke noodzaak in dit verhaal? Het hoofd een expansievat, het boek een ventiel en fuck de lezer, de uitgever, de wéreld. Dacht James Joyce toen hij zijn leipe shit schreef aan ‘de lezer’? Braken Kafka en Céline hun hoofd tijdens het schrijfproces over ‘hoe hun werk commercieel in de markt zou komen te liggen’? Waarschijnlijk niet.

Wat dat betreft ligt er ook een verantwoordelijkheid bij schrijvers zelf. Laat je niet dicteren door grote, zogenaamd sjieke uitgeverijen en recensenten. Waarom zou je? Er wordt toch voornamelijk eenheidsworst uitgegeven. Pakjes-en-zakjesliteratuur met steeds dezelfde smaakjes. Nieuw! Wereldgerecht van Knorr! Roti! Smaakt hetzelfde als Boboti! Boerenkool met worst! Omdat iedereen dat lust! Lekker veilig!

Komen we automatisch bij het volgende, want waarom zijn we tegenwoordig zo bang voor het onbekende of experimentele? Waar is dat mis gegaan? We zouden het moeten omarmen, bejubelen. Iedereen heeft altijd de mond vol van oorspronkelijk en authentiek talent, maar zelfs als het voor onze voeten ligt, we er bijkans over struikelen, doen we er niets mee. Eerst moet een recensent, een uitgever, een influencer het van de grond rapen, het in de lucht steken en roepen dat het goed is. Dan pas volgt de rest.

Serieus. In zo’n cultuur kan (en wil) je als schrijver toch niet werken? Doorzoek de krochten, sleep de monsters uit je teennagels en laat ze desnoods in al hun lelijke schijtkleuren door de pagina’s heen tieren en razen. En laat het dan absurd, magisch, lyrisch, bij vlagen kitsch of politiek niet correct zijn. Zo is het léven.

En nee, waarschijnlijk gaat geen (grote) uitgever zich daar aan wagen, maar gelukkig hebben we allemaal de grootste uitgever van de wereld gratis voor handen; internet. Ook zijn er steeds meer kleine uitgeverijen te vinden die de taak van poortwachter hebben overgenomen door non-conformistische pareltjes uit te geven. Kortom, voor de échte leesuitdagingen moeten we blijkbaar underground. Blogs, kleine uitgeverijen, keldertjes en achterafkamertjes. En zo erg is dat allemaal niet. Ik vind het eigenlijk wel mooi. Gewoon weer lekker scharrelen, zoals je vroeger in keldertjes van platenzaken voorovergebogen, diep in de schouders gezakt tussen de meest obscure meuk naar pareltjes kon zoeken. Ontdékkingen deed die je later enthousiast ging melden in de kroeg. En dat een week later iedereen naar die rare shit luisterde. Mooi toch. Want we kunnen wel allemaal braaf thuis gaan zitten wachten tot een of andere bleekteutige stagiëre of redacteur iets spannends uit die manuscriptenberg gaat trekken, maar dat gaat toch niet gebeuren. Dat weten wij allemaal. We moeten het zelf doen.

Wat dat betreft is de lezer, de consument net zo goed schuldig. Wie betaalt, bepaalt tenslotte. En misschien krijgt elk land wel de literatuur die het verdient. Tegen die lezer zou ik willen zeggen: Koop eens een boek van een kleine literaire uitgeverij dat niet in de grote kranten besproken is, of lees op internet werk van schrijvers die niet (meer) gepubliceerd worden omdat ze commercieel oninteressant zouden zijn, niet in de kant en klare frames passen. Oké, dat vergt wat meer moeite en muisklikken misschien, maar niet alles hoeft als een gebraden haan in je mond te vallen, toch?

Laten we de boel opengooien. Ruimte creëren. De angst-en-stresscultuur aanpakken. Uitgevers, schrijvers, lezers en recensenten, iedereen die een hart voor de literatuur heeft. Laat het eigen geluid, de stem van de schrijver, kwaliteít weer belangrijk zijn in plaats van verkoopcijfers. De schrijver als wandelende antenne, spiegel van de samenleving. Vrij. Zonder wurgcontracten en angst om niet commercieel genoeg te zijn. Want als we zo doorgaan houden we een oersaai, slaapverwekkend semi-literair kantoorfeestje over. Met flauwe bitterballen, een combootje en wat vale slingers aan het plafond. Een feestje waar niemand naartoe wil.


donderdag 29 november 2018

De 'O' van Pinzot (en andere dingen die ik in 2018 leerde)


De stapjes die ik op een dag zet zouden voor een gezond mens waarschijnlijk te klein zijn om te benoemen, een trap op en af, een bed opmaken, een boterham smeren, maar voor mij zijn al die ministapjes tesamen de wereld. Mijn kleinegrote wereld waar ik –noodgedwongen- van heb leren houden. Oké, het ging niet vanzelf, maar inmiddels voel ik hoe alles in en om mij heen ronder en warmer wordt. Aaibaarder.

Werelden veranderen. Soms werkt dit in je voordeel. Vaak niet. Een jaar geleden bijvoorbeeld werd mijn werk nog uitgegeven, schreef ik elke dag van acht tot twee, kon ik nog zelfstandig boodschappen doen, fietsen, de ramen wassen, de kat met twee handen optillen, een tafel van zijn plek schuiven, kortom, ik functioneerde -ondanks mijn toen al ruim aanwezige aandoening- redelijk. Geleidelijk aan veranderde dit. Schoof ik naar een rand. Voor me de zee, achter mij het land. Tegenwoordig kan ik nog maar een uur per dag schrijven, word ik (op publicaties in literaire tijdschriften en bloemlezingen na) niet meer uitgegeven (te oud, te gehandicapt, te raar, commercieel niet interessant genoeg), treed ik nergens meer op, en als ik meer boodschappen wil doen dan ik met één hand kan tillen moet er iemand met mij mee.

Er zijn twee plekken in mijn huis waar ik goed kan toeven. Waar ik gestut en gesteund door zachte materialen kan bestaan. De wereld om me heen kan bekijken, overdenken, bevoelen zonder bang te hoeven zijn dat er een schouder uit zijn kom vliegt, een heup subluxeert. Twee plekken op de wereld waar de chronische pijn die ik voel redelijk beheersbaar is.

Dit klinkt voor een gezond persoon waarschijnlijk behoorlijk shitty, maar echt, ik ben best heel gelukkig met mijn leven zoals het is. Dit duurde wel even. Een jaar om precies te zijn, waarin ik veel vloekte, schopte en raasde. Tegen de goden, artsen, falende ledematen, falende zorginstanties, hulpdiensten, de armoedegrens waar ik dagelijks noodgedwongen tegenaan knal (fulltime ziekzijn is de slechts betaalde en tevens meest geldslurpende baan van de wereld), nou ja, tegen alles wat me dwarszat.

Wie goed kan boekhouden heeft de halve wereld. Boos zijn kost bergen energie. Ik heb niet veel energie. Ik weet nog dat ik als kind, elke dag als ik uit school kwam gelijk naar mijn kamer rende, de deur op slot draaide en er niet meer van afkwam. Op de rand van mijn bed in mijn eigen (sprookjes)wereld dobberde. Dat mijn vader bij tijd en wijlen in zijn manische gekte een deur uit zijn sponningen trapte had daar vast mee te maken. Die kamer was feitelijk mijn schuilkelder in een jeugd met een ouder die elk moment kon ontploffen. Het maakt ook niet uit waarom ik daar zat, het gaat om HOE ik daar zat. Redelijk tevreden in mijn eigen kleine wereldje. Met een blokfluit, een boek en pop Monique. Zogenaamd ver weg van alles wat bedreigend was. Een plek waar niemand me kon raken, waar ik en mijn hoofd onbereikbaar waren voor de rest. Ik herschiep de wereld in die kamer. Vormde en kneedde hem net zolang totdat ie redelijk comfortabel om me heen bewoog, iets waar ik nog elke dag profijt van heb. Dat is ook boekhouden.

Ik las laatst een mooi verhaal over mijn heldin Frida Kahlo. In een straat vlakbij haar huis stond een winkel waarboven met grote letters PINZOT stond geschreven. Frida, die als kind gepest werd vanwege een door kinderverlamming gevormd raar voetje en haar orthopedische schoenen, stelde zich graag voor hoe ze met haar ellebogen maaiend door die O van Pinzot kroop, waarachter een hele wereld lag waarin ze zichzelf kon zijn, compleet met haar rare fantasieën, voetje en gedachten. Toen dacht ik; mijn hoofd en huis zijn die O van Pinzot! Een hele wereld voor mij alleen. De beste wereld van de wereld. Een wereld waarin ik kan fantaseren en schrijven wat ik wil, hoe raar of niet relevant het ook is. Met een fakkel in mijn hand in een grot  lekker op een muur kan zitten krassen. Commercieel totaal oninteressante tekenen van leven waar niemand op zit te wachten maar die voor mij belangrijk zijn. Dat is ook iets wat ik geleerd heb; dat hele schrijven van mij, waarvan ik ooit in mijn beste dromen hoopte dat het misschien een functie in een groter geheel zou hebben (haha, lachen met mij), dat het belángrijk was, is natuurlijk gigantisch van zijn sokkel geflikkerd.

Het heeft een meer particuliere belangrijkheid gekregen. Het schuiven van woorden op mijn manier, vanuit mijn plek in de wereld als een blokje belangrijkheid tussen duizenden andere blokjes. Dingen in zijn eerlijkste vorm opschrijven. Woorden die ongefilterd uit mijn ogen, oren en mond naar buiten kruipen en die ik op mijn manier schik, weggooi, omvorm, ze als schelpen tussen miljarden andere schelpen leg, en dan toch precies weten, die daar, die zijn van mij, zonder veel nadenken, weetikveel, vrije associatie, weetikveel, doenwatikmoetdoen, weetikveel, niet meer (in opdracht) hijgerig duizenden woorden naar mensen toé schrijven omdat ik zo nodig gelezen moet worden, weetikveel.

Ik weet dus geen hol, daarom. 
Misschien is dat wel de grootste les die ik het afgelopen jaar geleerd heb; ik weet niks, ik wist niks en ik zal nooit iets weten, behalve dat ik in het hier en nu sta of zit met wat ik heb. En dat dit, ondanks mijn invalide lijf, nog stikveel is. Een fijn huis, een land zonder oorlog, niemand in mijn buurt die zomaar ontploft, alleen maar lieve mensen om me heen.

Verlangens verschuiven. Jarenlang droomde ik stiekem van een bestseller, een literaire prijs met mijn uitgegeven werk. Afgelopen jaar was ik al godse blij geweest als mijn werk überhaupt uitgegeven wérd en inmiddels streep ik de dagen af waarop ik van mijn revalidatiearts een op maat gemaakte ijzeren arm krijg, een ligorthese in bed die ervoor zorgt dat mijn schouders tijdens mijn slaap niet  uit de kom vliegen. Droom ik ervan om ooit weer te kunnen fietsen. Leef ik met de kruimels en confettirestjes die ik ’s ochtends naast mijn bed vind en waar ik elke dag een op maat gemaakt feestje mee bouw.

Soms klaag ik. Vaker probeer ik dat niet te doen. Klagen betekent in mijn geval zoiets als stoken met alle deuren en ramen open. Soms moet het even, om de boel te luchten, maar nooit langer dan dat, het kost teveel. En ik heb wel tien bomen achter mijn huis staan die met de seizoenen mee kleuren. Er zitten spechten in die bomen, boomklevers, zanglijsters en spreeuwen die zo mooi zingen dat je gemoed niet weet waar die het zoeken moet. Ook zijn er nog steeds dagen dat ik me goed genoeg voel om een museum te bezoeken, naar mijn geliefde in Den Bosch, mijn kinderen in A'dam af te reizen, te winkelen, soms rechtop staand, soms in een rolstoel, met een mitella of een wandelstok, het maakt niet meer uit, ik grijp elke meter vast die zich voor me uitrolt. Ook het schrijven is niet opgehouden. Er dient zich af en toe nog een gedicht of stukje proza aan. Soms schrijf ik het op, stuur het naar een tijdschrift, zet het op mijn blog of geef het mee aan de wind.  

De rand van de wereld is niet het einde van de wereld, het is de rand. De plek waar mijn grot, gehouwen uit de rotsen ligt/staat en waar ik met een stompje krijt in mijn handen tijdens het optekenen door naar buiten kijk, waar of mijn geliefden rondhangen.

En als er toevallig es iemand langsloopt, zijn kop naar binnen steekt, mijn kleine verzameling woorden leest en weer verder trekt dan is dat goed. En als dat niet gebeurt is het ook goed. Dat is wat ik dit jaar geleerd heb. En dat een leven een fijn leven is als overal om je heen woorden als PINZOT staan geschreven, met grote ronde letters waar je doorheen kunt kruipen.



zaterdag 3 november 2018

Dokter Oetker


Dat mijn orthopeed en ik geen vrienden gingen worden werd bij het eerste consult al duidelijk toen ik bij hem kwam met een zeer pijnlijke ‘frozen shoulder’ (een schouder die vanwege ontstoken, verkleefd en hard geworden kapsel 1-5 jaar lang muurvast zit). De orthopeed bestudeerde in de verwijsbrief mijn voorgeschiedenis met HSD (hypermobility-spectrum-disorders) en h-EDS en riep geagiteerd dat een hypermobiel klachtenpatroon niet samenging met een frozen shoulder. Iets met beweeglijkheid versus vast. Logisch toch. Eéntweetje. Easypeasy.

Zijn reactie gaf weinig hoop voor een mooie gezamenlijke toekomst aangezien frozen shoulders vaak voorkomen bij hypermobiliteit, en hij dus geen verstand van de materie had. Eén telefoontje van mijn dochter (zij heeft dezelfde aandoening) naar haar revalidatiearts in A’dam (die veel van HSD/h-EDS weet) bevestigde dit vermoeden. Maar omdat ik dringend hulp nodig had besloot ik het toch met de orthopeed te proberen.

Zo langzamerhand weet ik, na jarenlange ziekenhuiservaring, bij binnenkomst al vrij snel met welk type arts ik te maken heb. Deze hield duidelijk niet van mondige vrouwen met rare, onbekende aandoeningen. Gelukkig werd ik snel doorverwezen voor een MRI en een arthografie. Toen ik vertelde daar zenuwachtig voor te zijn, leefde hij op. Hè, hè, eindelijk iets praktisch, zag je hem denken. Hij ging het regelen. Kon ik tegen seresta? Ja? Hij ging gelijk de dagbehandeling bellen. Kwam goed.

Dat laatste bleek iets te hoog gegrepen. Toen ik een uur voor de MRI op de afdeling radiologie naar ‘mijn seresta’ informeerde keken ze me aan alsof ik een lastige junk was die om zijn methadon kwam zaniken. Gelukkig had ik zelf een oxazepammetje mee, voor de zekerheid.

Bij het tweede consult, waar de uitslag zou worden besproken, hing de orthopeed als een onwillige en verveelde puber in zijn stoel. De foto’s van mijn schouder sierden de muur achter hem. Hij wees er nonchalant naar en sprak van een scheurtje in de bicepsaanhechting en dun kraakbeen alsof hij een kastje op Marktplaats verkocht, beetje gebutst hier en daar, maar verder prima kassie, hoor.

‘Dat dunne kraakbeen, is dat artrose?’ vroeg ik. ‘Ja,’ antwoordde hij. ‘En dat bicepsscheurtje?’ Jaaaa, dat kwam door de ‘beweeglijkheid’ van de schouder. Huh? Maar ik kon toch niet hypermobiel zijn, volgens u, met zo’n bevroren schouder? Dat laatste zei ik natuurlijk niet, want als ik iets heb geleerd door de jaren heen is het dit: hoe horkerig sommige artsen zich ook gedragen, je moet altijd vriendelijk blijven. Voor je het weet schrijven ze je dossier vol met onzin of houden ze je weg van behandelingen die je nodig hebt.

Aangezien de orthopeed nog steeds zweeg en me aankeek alsof ik ongewenst bezoek was dat hem stoorde tijdens een vrije avond, vroeg ik hem zelf maar of er een behandeling mogelijk was. Hij begon een vaag verhaal over opereren, schouder ‘vastzetten’, nieuwe schouder wellicht, allemaal zaken die volgens hem bij mij geen enkele zin hadden vanwege de beweeglijkheid van mijn schouder. Sowieso kon ik met een frozen shoulder niet geopereerd worden. Eerst moest ik wachten tot dat (vanzelf) over ging. Een proces dat jaren kon duren. 


Weer viel hij stil. Ik vroeg of hij me dan in ieder geval kon doorverwijzen naar een revalidatiekliniek, ik had tenslotte een arm die er levenloos bij hing, me belemmerde in al mijn activiteiten. Ook de rest van mijn conditie (die toch al niet best was) holde achteruit. Subluxerende heupen, rugwervels, nek, pijn, enz, enz…

Dat vond hij zowaar een goed idee, en blij (waarschijnlijk bij de gedachte van mij af te zijn) pakte hij zijn opschrijfboekje. De vreugde duurde maar kort. Om precies te zijn, tot het moment waarop ik aangaf graag naar Utrecht te willen, naar een revalidatiekliniek waar ze veel ervaring met HSD/h-EDS hebben. De orthopeed keek mij koel aan en antwoordde minzaam dat daar niets van in kwam. De dichtstbijzijnde kliniek was goed genoeg, Utrecht nergens voor nodig en expertise bestond overal.
 
Ik bleef aandringen, vertelde over de nare ervaringen die ik in de regio had gehad met een revalidatietraject (een revalidatiearts die van mening was dat hypermobiliteitsproblematiek tussen de oren zat). De orthopeed echter was onvermurwbaar. Ik verbaasde mij over zijn onverzettelijke en arrogante houding. Het totale gebrek aan empathie. Waar kwam dat vandaan? En buiten dat, er was toch sprake van vrije zorgkeuze? En waarom kregen mijn volwassen en uitwonende kinderen (allebei behept met dezelfde –erfelijke- aandoening) wel goede en op maat gemaakte zorg 100 km verderop in A’dam? Lag het aan de provincie? Was de zorg hier gewoon minder goed?

Terug in de auto op de parkeerplaats begon ik te trillen. Na een uur zat ik er nog. Totaal van de kaart door de arrogante houding van de arts, het vooruitzicht weer naar die vermaledijde rotrevalidatiekliniek te moeten waar ik zoveel nare herinneringen aan had. En hoe te leven met een schouder/arm die doods aan mijn romp bungelde en waar volgens de orthopeed niets meer aan te doen was, met de pijn dag en nacht, het niet kunnen slapen van de pijn, niet kunnen fietsen, zwemmen, tillen, huishouden, dansen, winkelen, stoeien, een stevige knuffel, een struikje snoeien, de kat optillen, een cake bakken, niets. En hoe zat het eigenlijk met dat ‘scheurtje’, de artrose? Feitelijk wist ik nog niks. Hoogstens drie zinnen had de man aan mijn schouder gewijd.

Ik belde mijn zorgverzekeraar en vroeg of een arts mocht weigeren mij door te sturen naar een revalidatiekliniek die ik zelf had uitgezocht. De zorgverzekeraar was verbaasd. En ook een beetje boos. Ik had gewoon vrije zorgkeuze, hoor, daar kon de orthopeed op zijn apenrots helemaal niets aan veranderen.

De volgende dag besloot ik mijn medisch dossier op te vragen. Ik wist bij voorbaat al dat het niet compleet zou zijn, bij een eerder onderzoek -15 jaar geleden- bleken er delen uit te zijn verdwenen. Natuurlijk ‘toevallig’ net de stukken die melding maakten van een bijna fatale fout die ik op de nipper overleefd had vanwege een nalatige arts (ook ivm mijn ‘onbekende’ aandoening), de klacht die ik hier later over had ingediend, het was allemaal weg.

Ik vulde het aanvraagformulier voor het dossier in bij de balie van het ziekenhuis. De baliemevrouw checkte mijn ID en belde naar boven. Binnen twee minuten kwam er een meneer naar beneden die me overdreven vriendelijk en zenuwachtig tegelijk uithoorde over de reden van mijn verzoek. Waar ging ik het voor gebruiken? Voor verder onderzoek? Mocht hij vragen waar dit onderzoek ging plaatsvinden? In Utrecht misschien?

Mijn ogen werden groot. Huh? Was ik nou gek? Waarom begon die man over Utrecht?! Net nu de orthopeed had geweigerd mij naar Utrecht door te sturen. Werd ik paranoia? Of was dit dom toeval?

Twee dagen later kreeg ik de uitslagen van de MRI binnen. Ineens zag ik in heldere taal verwoord waarom mijn schouder zoveel pijn deed. En dat er wel wat meer aan de hand was dan artrose en een scheurtje. Het scheurtje in de bicepsaanhechting was een scheur in het superieure en anterieure labrum geworden. Er was sprake van botoedeem, tendinopathie van de supraspinatuspees, spieratrofie en een Hill-Sachs laesie (deuk in het bot van de schouderkop veroorzaakt door een schouder die (herhaaldelijk) uit de kom is geweest). Allemaal HSD/h-EDS gerelateerde klachten waar de orthopeed over gezwegen had, ondanks de dringende vraag van de radioloog die er bij stond: ‘Heeft mevrouw een verleden met luxaties?’

‘Ja!’ hoorde ik mezelf vanaf de bank thuis roepen, uitzinnig blij over het feit dat ik tenminste door IEMAND daar serieus werd genomen. ‘Ja, radioloogmeneer/mevrouw! Hallooo, hoort u mij? IK!’

In het medisch dossier las ik de brief die de orthopeed naar mijn toekomstige revalidatiekliniek had gestuurd. Verbijsterd las ik dat mevrouw ‘naar eigen zeggen’ HSD/hEDS had maar dat het ‘onduidelijk’ was wie die diagnose had gesteld. Terwijl ik de naam van de reumatoloog -die de diagnose 15 jaar geleden stelde- nota bene had genoemd tijdens het 1e consult. Hoe was ik anders aan die deuk in mijn schouderkop gekomen, als mijn schouder niet constant uit zijn kom vloog, meerdere malen per dag/nacht, al jarenlang. Wat dacht die orthopeed nou, dat ik mezelf 3000x van de schuur had gegooid?

Diezelfde middag nog stuurde ik een bericht naar het ziekenhuis, waarin ik ze vriendelijk verzocht de onjuistheden in mijn dossier te herstellen, waarop ik tot nu toe (een week later) slechts een automatisch en totaal niet ter zake doend antwoord heb gekregen.

Ondertussen blijf ik er maar over door malen. Want wat is dat toch met die apenrotsartsen die mij niet serieus nemen omdat ik iets heb wat buiten hun interessegebied, hun vakgebied, hun weetikveel-gebied valt. De arrogantie, de laatdunkendheid. En hoezeer ik daar telkens weer door van streek raak. Hoe het diep in mijn systeem dringt, oud zeer triggert, de bijna fatale behandeling die uit mijn dossier was gewist bijvoorbeeld, en die toentertijd een bloederige slachtpartij had opgeleverd, met jarenlange nachtmerries tot gevolg.

Mijn vader, die –toen hij nog leefde- ook een aantal slechte ervaringen met de zorg had, noemde dit soort artsen altijd dr Oetker. Zo hield hij het leefbaar. Door er grapjes over te maken. Misschien moet ik dat ook maar eens gaan proberen. Ondertussen onverstoord mijn eigen plan blijven trekken. Schijt hebben aan die koekenbakkers en de rots waarop ze staan te brullen. Tenslotte ben ik na jarenlang ziekzijn de grootste expert op het gebied van mezelf. En niemand zonder enig verstand van HSD/hEDS komt vanaf nu nog met zijn poten aan mijn (sub)luxerende wiebelbotten. Dat ze het weten. 




zondag 21 oktober 2018

Mammoethelmen en zwarte gaten

Soms vallen de dingen mooi op hun plek. Dit woeste stuk mammoetbekken op de foto bijvoorbeeld, dat een dag voor ik allerlei enge schouderbotprikken en scans in het ziekenhuis moest ondergaan op mijn kast kwam te wonen. Wat een geluk. 15 kg morsdood en oersterk bot in mijn huis. In de keurig afgeronde heupkom past precies een hoofd. Het voelt zo ongelooflijk fijn, je hoofd te rusten leggen in een tigduizend jaar oude mammoet, dat is niet na te vertellen, dat moet je voelen. Alsof je inplugt in een tijdmachine. De bottenkom een helm voor onderweg. Meneer K heeft al een paar keer bezorgd naar me gekeken terwijl ik op een krukje voor de kast stond te balanceren. ‘Je wordt toch geen bottenknuffelaar, hè?’

Nee, een bottenknuffelaar word ik niet en niemand hoeft bang te zijn dat ik vanaf nu botten en skeletten ga verzamelen, een knekelkabinet om me heen ga bouwen, het blijft bij deze mammoet (en nou ja, oké, hondenschedel ‘Archibald’ die gekrompen lijkt naast zijn nieuwe buurman). Al zal ik noodgedwongen wel een tijdje in de bottensfeer blijven, vrees ik, aangezien mij van alle kanten is aangeraden om vanaf nu elke dag bottenbouillon te drinken. Iets met collageen en kraakbeenkracht.

Ondertussen denk ik na over een wel-of-niet-naam voor de nieuwe kastbewoner. Een reden voor ‘wel’ heb ik nog niet gevonden. Voor ‘niet’ daarentegen wel. Vanwege de prachtige Estlandse herkomst, natuurlijk. Aardmol noemen ze hem daar volgens Catawiki. Ma = aarde, muth = is mol. Dat harige, oersterke gigantenlijf, stampend over de mammoetvelden met zo’n ielig mollennaampje, mooi toch. In hetzelfde artikel lees ik dat mammoeten vegetarisch waren. Huh? Zoveel kilo bot moeten onderhouden met wat graan en gras? Hoe dan? En waarom zou IK dan iedere dag bakken bottenbouillon weg moeten werken met mijn minibotjes, collageentjes en kraakbeentjes? Raadsels.


Nog meer raadsels. Ik droomde vannacht over een gruwelijk lot, de zwarte gatendood. Ik had de dag ervoor die nieuwe serie op Netflix ‘The haunting of Hill House’ gebinged, daar kwam het natuurlijk van. Sommige dingen zijn heerlijk simpel. Neem wat radioactief schouderrestafval dat door een lichaam zwerft, meng het met tien afleveringen horror en je krijgt geheid zwarte gatendromen.

In mijn droom was het zwarte gatenlot iets dat mensen slechts over zichzelf konden afroepen. Je kon niemand de schuld geven als het je overkwam. Een lot ook waar iedereen zeer beducht voor was vanwege zijn onontkoombaarheid. Er was een arena, een wedstrijdtribune, een massa juichende mensen en een man die iets riep wat hij nooit had mogen roepen. Alles mocht je zeggen in de wereld, behalve dat ene. Wat dit was ben ik vergeten. Stom natuurlijk, en geloof me, ik heb mijn hoofd vanochtend in allerlei standen gedraaid maar ik weet het niet meer. Misschien was het niet belangrijk, ging het om het gegeven zelf, het verbodene van het woord, ongeacht welke dat was.

Iedereen in de arena hield zijn adem in. De dader keek geschrokken om zich heen, het was overduidelijk een fout geweest, zijn opmerkingsgave had hem een seconde in de steek gelaten, maar het ongezegde was gezegd en de zwarte gatendood onomkeerbaar. Het zieke was, de straf moest worden voltrokken door degene die je het meest liefhad. Dat was de deal.

De volgende dag rende de ongelukkige al vroeg het strand op waar hij aan de rand van de wereld de zee in wilde duiken om aan zijn lot te ontkomen. Ik weet niet wat de sukkel dacht, zwemmen naar Engeland misschien, maar ja, Engeland was ook de wereld, álles in de wereld was de wereld.

Regels zijn regels dus werd de man tegengehouden door zijn meestgeliefde die als een wachter in de branding stond. Hij wist meteen dat protesteren zinloos was. Precies zo had ze gekeken toen hij eens twee dagen spoorloos was geweest. Strak mondje, koolzwarte ogen, een brok onverbiddelijkheid. In paniek keerde de man om en rende het strand af. Het malle was, er rende nog een man over dat strand, maar dan richting de zee. Een man die precies op hem leek, dezelfde kleren aanhad, dezelfde geschrokken uitdrukking op zijn gezicht. Ze renden recht op elkaar af, botsten tegen elkaar op, grepen tegelijkertijd naar hun hoofd en keken verward om zich heen. Links, rechts, links. Toen zagen ze het pas. Langs de lange kustlijn liep een spiegelmuur. Plotseling uit de grond gerezen, uit de lucht gevallen, weet ik het.

In de wolken verscheen een toren. Zijn meestgeliefde stond er bovenop met wapperende haren in de hoogkoude wind. Een zwarte schoorsteen naast haar waar rook uitkwam. Aan haar voeten een persoon in zwarte doeken gewikkeld met gevouwen handen op zijn borst. De man op het strand wist gelijk dat hij dat zelf was. Zijn vlucht een sneue poging het lot te keren. Hij keek om zich heen. Zijn nieuwe wereld kende twee uitzichten, de zee en de spiegelmuur. Natuurlijk draaide hij zijn gezicht naar zee.

Soms kwam er een bootje langs, een potvis, een stem. 'De wereld is zoveel groter dan dit, dat weet je wel hè,' zei die laatste wel zes keer op een dag. 'Ja, dat weet ik,' antwoordde hij dan gehoorzaam.