dinsdag 12 juni 2018

Naakte vrouwen en kweekforel

Foto: Francesca Woodman

Ik ben geen groot voorstander van onaangekondigde experimenten maar soms ontstaat er eentje vanzelf ergens achter in mijn hoofd. Meestal merk ik het pas op als hij al een paar centimeter groot is en ik er niet meer omheen kan. Heel slim van het experiment, vind ik dat. Ik weet niet of hiermee bewezen is dat experimenten een bewustzijn hebben maar het zou me niets verbazen. Als je ongewenst in een lichaam woont moet je iets verzinnen om overeind te blijven.

Het experiment bestond eruit dat mijn geest en lichaam deden alsof de wereld om hen heen bedacht was. Buiten mij om, want ik was mij van geen kwaad bewust. Ik kocht ondertussen gewoon rundervinken in supermarkten of vissen van jute voor mijn kat met een stokje eraan.

Toen het al een tijdje aan de gang was kreeg ik het pas in de gaten. Ik merkte dat mensen mij niet terug groetten op straat of dwars door me heen keken als ik tegen ze praatte. Ik wist ook meteen dat het te laat was om dit proces te keren. Zodoende ging ik steeds meer geloven dat ik niet bestond. Dat lag aan mijzelf, ik reken het niemand aan. Al hielp de wereld wel een handje mee. Zo mailde ik een aantal mensen in korte tijd zonder ooit antwoord te krijgen. Een arts, een oude vriend, een kennis, één of twee uitgevers, een bedrijf. Ik checkte mijn mailinstellingen, mijn internetverbinding maar alles werkte naar behoren. Ervan uitgaande dat ik niet besta is dit ook niet zo raar natuurlijk. Je kunt niet niet bestaan en ondertussen respons krijgen, dat gaat niet samen.

Laatst volgde ik een discussie op Facebook over uitgevers en dichters. Iemand zei dat een dichter zonder uitgever geen echte dichter was. Uitgevers waren poortwachters. Zij hielden de kwaliteit in stand. Als zij je niet uitgaven was je gewoon niet goed genoeg. Ik moet altijd een beetje droevig glimlachen als ik zoiets lees. Al die brave mensen die met hun spoorboekjes langs de deuren gaan. Aanbellen, tabelletjes aanwijzen en opdreunen wat ze zien. Lieve schatten zijn het. Het zijn dezelfde mensen die bellen als er ergens een stoeptegel los ligt. Levensredders. Bewakers van de werkelijkheid. Wat zou de literatuur zijn zonder poortwachters, spoorboekjes en hun aanbidders? Een zootje, een verwilderde tuin met zoetzuur geurende schaduwhoeken, plakvlinders in nog niet ontdekte kleuren en insecten met rimpels en kraakstemmen die laag over de grond brommen en verre van fotogeniek zijn, ik zweer het je.

Het mooie van niet-bestaan is dat je veel vrijheden hebt. Ik kan gewoon schrijven wat ik wil, naakt in mijn tuin gaan staan met een emmer op mijn hoofd, mijn blogspot volproppen met gedichten over zingende zeekomkommers, geen hond die zich daar druk over maakt. Zo’n vrijheid komt je natuurlijk niet vanzelf aanwaaien, die moet je een handje helpen. Door midden in de nacht in je tuin te gaan staan met een spiegeleibord, bijvoorbeeld. En maar zwaaien. In de supermarkt ’s middags om 12 uur je hoofd achter een pot mosterd steken en zachtjes ‘roermenietroermeniet’ fluisteren.

Soms helpt het lot een beetje mee. Als je in deze wereld allerlei onzichtbare handicaps ontwikkelt schuif je namelijk vanzelf naar een zijlijn toe. Je moet er wel voor zorgen dat je aandoeningen onbekend blijven anders ben je alsnog de klos en zit je voor je het weet in een rolstoel op de eerste rij van een Guus Meeuwis concert met vrijwilligers om je heen die je hand vasthouden en om de seconde vragen of je gelukkig bent.

Nog een voordeel van niet-bestaan is dat je tijd genoeg hebt. Als je in een lichaam woont dat maar een paar honderd stappen per dag kan zetten en een geest waarin drie miljoen gedachten elke seconde van de dag om een nieuwe ordening schreeuwen kun je het gewoon wat rustiger aandoen.
Ik heb dus veel tijd om na te denken over mijn niet-bestaande wereld, waar ik dan vervolgens stukjes over schrijf. Dat is zo’n beetje de situatie hier.

Soms ga ik een uurtje op internet de wereld bekijken. Internet is voor mij een uitkomst. Vroeger als kind was ik ook vaak onzichtbaar ziek en keek dan elke ochtend schooltelevisie. Schooltelevisie klinkt heel georganiseerd maar in mijn herinnering leverde deze omroep maar één uitzending per week die vervolgens elke dag herhaald werd. Ik kende die uitzendingen woord voor woord uit mijn hoofd en moest grote moeite doen om halverwege de week niet van verveling dood neer te vallen.

Nee, dan internet. Want al kan ik zelf niet actief ‘meewerelden’, ik kan wel zien hoe jullie bij elke scheet je telefoon pakken om dat te delen. Erg fijn. Dank jullie allemaal bij deze. Ik ben een soort van geest die naast jullie bed staat, in de kroeg over jullie schouder meekijkt met wie jullie nou weer zitten te ouwehoeren. Erg tof. Zo niet-besta ik automatisch toch wat minder.

Facebook heeft wel een groot nadeel, tho. Het is er allemaal erg serieus. Laatst bijvoorbeeld had ik een fazant van straat getrokken, hem blauw geverfd en wilde hem een papieren hoedje opplakken maar kon geen juiste lijm vinden. Driesecondenlijm, houtlijm, zoogdierenlijm, ik wist het niet en vroeg het aan de mensen op FB. Dat viel niet in goede aarde. Ik verloor 50 vrienden en iedereen was boos. Want dan besta ik blijkbaar ineens wel. Gek is dat.

Je kunt geen grapjes maken op Facebook. Elke keer als je inlogt verschijnt er een vakje bovenin de pagina waarin je mag typen ‘wat of je aan het doen bent’. Dat klinkt heel vrij, maar is het niet. Fazanten blauw verven en beplakken wordt niet getolereerd. Naakte vrouwen boven een aquarium met kweekforel hangen ook niet. Je mag alleen dingen doen die in dat vakje passen.

‘Je moet je eigen vakje creeëren’ roepen mensen (die waarschijnlijk ook niet bestaan) dan. Maar daar ben ik niet goed in. Ik kan ook niet tegen blousjes die hoog dichtgeknoopt zitten. Dichte dozen of deuren.

Gisteren rolde er een aluminium balletje voorbij, op de plek waar ik een boek zat te lezen. Dat balletje bleef aan het eind van de kamer stilliggen en begon daarna te zoemen, eerst zachtjes maar steeds harder. Hij groeide ook. Eerst twijfelde ik daaraan, want als ik er naar keek zag ik niets gebeuren, maar elke keer als ik de kamer uitliep en terugkwam werd mijn vermoeden bevestigd. Hij groeide!

Inmiddels is hij net zo groot als de boekenkast dus dat belooft wat.

Op facebook wordt ook veel gediscussiëerd. In praktijk komt het er op neer dat zogenaamd geëngageerde mensen vragen stellen in de daarvoor bestemde vakjes. Bijvoorbeeld: Mag je dieren van straat trekken en blauw verven?#durftevragen. Wat maakt jou gelukkig?#durfteleven. Mijn poep is groen, is dat goed? #durftepoepen. Mag je een zin met ‘ik’ beginnen?#durfteschrijven.

Mij interesseert het meestal geen zak wat andere mensen vinden maar dat zal wel een voordeel van het niet-bestaanschap zijn. Want als ik wel bestond zou ik me waarschijnlijk ook druk maken over hoe ik me moest gedragen.

Jullie denken nu misschien, waar gaat dit stukje heen? We zitten al op 1400 woorden, geen rode draad te bekennen en we hebben nog meer te doen, ja.

Ik moet daarop antwoorden dat ik het niet weet.

Ik weet wel dat ik zojuist buiten met mijn spiegelei onder de pergola stond te zwaaien en iets groots zag glinsteren voor mijn raam. Dat was de aluminium bol, denk ik, die maar groeit en groeit. Ik hoop dat ik straks nog in mijn huis pas.


donderdag 17 mei 2018

Zeekomkommer zingt schipperslied

Vandaag ben ik een koraalbank, een sirene
een deinend zeeskelet.

Mijn haren vuilwit schuim dat zich vasthecht
aan zwerfplastic, het hoofd vol radiostemmen
uit een onbemande boot.

Door mijn tenen wegschietende visjes met namen
als haakneuzen, prikkend en poerend in zeevloeren
van potvishuid. Potvispootjes.

Misschien ben ik dood.

Potvissen hebben geen pootjes, zegt de zeekomkommer
aan de wand.

Waarom niet, vraag ik. De zeekomkommer antwoordt
dat hij dit niet weet. Wel dat sommige mensen
verjaardagsslingers in een kamer zijn, hand in hand, hoera!

En dat hij moe wordt van de mensen in dit huis
elke dag dat zingen, lachen, doden, eten, huilen
en weet hij veel wat liefde nog meer liefde maakt.

Schurende pokken misschien, vanaf potvishuid de zon boven
je hoofd door het wateroppervlak heen zien schijnen, misschien.

Over duinen klimmen, achter elke heuvel een nieuwe pan,
een nieuwe golf, komkommer, snik.



maandag 14 mei 2018

Geluidsbazen


Ik heb dus misofonie, of 'de geluidenziekte' zoals mijn oma het altijd noemde. ‘Net als Simon Vestdijk,’zei zij dan als iemand ernaar vroeg. Dat had ze gezien op televisie. De oordoppen die hij tijden het schrijven in had omdat hij zich aan omgevingsgeluiden irriteerde. 
De oordoppen die permanent in haar nachtkastje woonden en die ik ook altijd bij me heb als ik ergens moet overnachten omdat ik anders geen oog dicht doe. De blinde agressie die ik voel als iemand naast mij een zakje chips openmaakt, het uitgebreid op gaat zitten knagen. Sowieso mensen die smakken tijdens het eten, luid ademen, het tikken op een toetsenbord, een klok, het druppen van een kraan, nagelbijten, velletjesbijten, het geluid van een kartonnen bakje dat zacht op een tafelblad wordt neergezet. De woede die dan door me heen jaagt, man… niet te beschrijven, echt. Dat er nog geen doden zijn gevallen mag een wonder heten. 
In ieder geval, misofonie blijkt dus een echte ziekte. Je kunt er voor in behandeling zelfs, al zou ik dat wantrouwen, hoor. Ik weet precies hoe dat gaat. ‘Door de angst heen’, yeah, right. 
Ik zag ooit een documentaire op televisie over fobieën. Ze filmden een man die doodsbang was voor witte bonen in tomatensaus. Eerst gingen ze met hem praten over witte bonen in tomatensaus, daarna lieten ze hem geluiden horen van witte bonen in tomatensaus (lepel door witte bonensmurrie) en als laatste zetten ze de arme man (die inmiddels was veranderd in een zenuwwrak) alleen in een kamer met een gasstelletje waar een potje witte bonen in tomatensaus op stond te pruttelen. Met duizenden tegelijk voor de buis zagen wij hoe de stumper zichzelf op de grond liet vallen, jammerend en huilend dat het op moest houden, alstublieft, hij kon niet meer, zagen wij dat dan niet. 
Gebroken moesten ze hem afvoeren. Waarmee ik maar wil zeggen dat het allemaal niet zo makkelijk gaat als het lijkt. En dat fobieën op zichzelf levende organismen zijn, totaal niet met rede begiftigde wezens. Je kunt er doorheen gaan, omheen lopen, tegen zingen, praten, schoppen of bidden, je schiet er geen donder mee op. Uiteindelijk zijn ze de baas. 
Wat dat betreft draait altijd alles om bazen. De grootste bek, de grootste woorden, de grootste lul. Totdat alles op een dag ontploft. En dan niet bij mij komen huilen hè! Ik heb jullie gewaarschuwd.

woensdag 9 mei 2018

De avond dat mijn vader door een Biedermeierstoel heen zakte


      We aten soep op schoot. De hond beschermde grommend
      zijn pantoffel. Boven zijn kop hing een foto van mij als vierjarige
      in een kanariepak.
     
      Tot die avond had ik altijd gedacht dat ik mijn zus, de hond of de
      Biedermeierstoel was.
     
      Hij kraakte vervaarlijk onder mijn vader die oreerde alsof
      er een landelijke staking was uitgeroepen die dag  
      en hij de vakbondsleider was.  
      
      Net voor hij bezweek fluisterde mijn zus dat ze vroeger altijd dacht
      dat ze een jongetje was dat Hänzel heette.

      Terwijl het hout als versplinterd bot tegen oma’s portret opvloog
      gooide de hond zijn kop in zijn nek en jankte
      dat alles onomstotelijk waar was.
     
     
      (Uit: Planeetversterkers)

maandag 7 mei 2018

Vogelding


Dochter, terwijl we van haar studentenflat tussen andere flats door naar het Buikslotermeerplein in Amsterdam Noord lopen: Waarom kom je niet gezellig hier wonen, mam!

Ik: Ach, lieverd, dat wordt niks met mij. Ik kan toch niet zonder de bossen, de herten en de zwijnen.

Dochter, enthousiast naar drie uitgelichte stoeptegels wijzend waar een frisgroen boompje zijn stinkende best staat te doen: Kijk! Wij hebben hier ook natuur, hoor.

Ik: Haha. Grapjas.

Dochter: Nee, echt! Aan het eind van de straat, bij de tennisbaan bijvoorbeeld, staat een grote boom. En je hebt ‘het Twiske’.

Ik: ‘Het Twiske’ is toch geen natuur joh, mallie, dat is een park.

Dochter: Het A’damse bos dan!

Ik: Dat is toch geen bos joh, gekkie.

Dochter (streng): Je moet wel een beetje flexibel zijn, hè.

Ik: Nou ja, misschien later, ooit. Het lijkt me ook fijn om dichter bij jou en je broer te wonen, natuurlijk. Maar als ik mijn deur uitstap ben ik in een uur met de auto bij jullie. En als jij met het OV bij je broer (die aan de andere kant van de stad woont: JG) op bezoek wil, ben je net zolang bezig. Daarnaast woon ik in mijn eentje voor een paar honderd euro per maand in een huis met een beneden-en bovenverdieping, een grote groene voor-en achtertuin, én riante schuur en jullie wonen daar allemaal communegewijs voor 1000 euro per maand met tig man op elkaar gepropt in gestapelde kippenhokken.

Dochter: Ja, maar dan woon je wel in Amsterdám!

Ik: Dat bedoel ik.

Als we terug in haar flat zijn roep ik enthousiast terwijl ik naar het venster loop: Oh, wat is de boom voor je raam weer mooi groen! Geweldig, zeg.

Dochter: Ja, mooi hè. Allemaal natuur. Er zit zelfs zo’n vogelding in, heb je dat gezien?

Ik: Een vogelding?

Dochter: Ja joh, jeweetwel. Zo’n ding met vogels er in.

Ik: Je bedoelt een nest? Een vogelnest?

Dochter: Ja, man. Dat.



zondag 6 mei 2018

Het verdriet dat geluk heet




Deze dagen lees ik 'Een soort geluk' van Peter Abelsen, wat een soort geluk op zichzelf is. 
Vanwege een verstoorde relatie tussen mij en de literatuur was het alweer een tijd geleden dat ik voor het laatst een roman las. Ik ga daar nu niet over uitweiden, maar zeg het toch, omdat het lezen daardoor, voor mij, een speciale lading krijgt. Ik heb een gevecht te winnen. Of nou ja, beter gezegd, te voéren. Een gevecht waarin het uiteindelijk niet (meer) om de strijd an sich zal gaan (ja, ik ken de uitkomst al), maar om het vinden van een consensus. De overeenstemming over het feit dat er een strijd is, waarin jijzelf overeind blijft. Gebutst misschien, maar je bestaat. En dat telt. Of (vrij naar Kierkegaard): er is geen beloning, het leven zélf is de beloning.

Eenzelfde volgorde in beleving (rotwoord, I know) overvalt me tijdens het lezen van ‘Een soort geluk’. Het gevecht en de uiteindelijke consensus, een vorm van berusting. Wat dat betreft is de timing uitstekend te noemen.


Liefde, dood, spijt, de onverbiddelijke tijd, het helle heden met zijn (fel) uitverlichte mombakkes dat je smalend toegrijnst, krakers, drugs, ouwe punk, halfgare eighties bandjes, the ‘good’ old days, het komt allemaal voorbij in deze roman.

Met de hoofdpersoon Martin heb ik (nu het boek zijn einde nadert) inmiddels een haat-liefdeverhouding opgebouwd. Vaak scheld ik op ‘m, snap ik geen reet van ‘m, haalt ie oud zeer bij me naar boven, om me na een tijdje -op de een of andere manier- toch weer voor zich te winnen. (zoals dat vaker gaat tussen mij en hopeloze mannen;)

Aan de andere kant werpt zijn laksheid in de liefde, zijn ontrouw, ook oprechte vragen op. Want waarom lijkt het vaak zoveel ‘makkelijker’ om je over te geven aan de rouw dan aan het geluk van de liefde die daaraan vooraf gaat? Het is ook precies daar in het verhaal dat de hoofdpersoon en ik elkaar weer vinden. In de lelijke, snoeiharde rouw die hem ontredderd achterlaat en die Abelsen magnifiek beschrijft.

Wat dat betreft is het een echt verhaal. En dat bedoel ik letterlijk, want alles wat er staat kan zomaar ergens echt gebeurd zijn. Wat tijdens het lezen (met name het gedeelte voordat de ellende losbarst) dan ook gaat wringen. In mijn wereld althans. Dan mis ik de magie, de poëzie. Maar dat is een kwestie van smaak. Dat kan de schrijver niet worden aangerekend. Want schrijven kan ie, hetgeen het lezen van dit boek sowieso tot een feestje maakt.

Toch zal het niemand (die mij een beetje kent) verbazen dat ik het briefje van een meisje genaamd Zuzka (pag 191), waarin zij een droom beschrijft, één van de meest ontroerende stukjes uit het boek vind. Het gaat zo:

Paatje zat boven op het dak met licht in haar handen. Ik riep doe niet zo stom straks val je nog. Maar ze zei dat jij het goed vond dat het geen kwaad kon. Ik ging naar binnen lopen. Het was donker. En toen stond ze in de tuin en ze liet haar handen los en allemaal vlinders en licht vlogen weg. Waar komen die vandaan? Paatje zei nou van de maan natuurlijk. Dat vond ik zo lief!

Zuska.

Tijdens het lezen van dit soort fijne ijle zinnetjes voelt het alsof ik tussen het zwemmen door even lekker aan de rand van het zwembad mag hangen. Met mijn benen door het water mag wiebelen. In mijn element. Maar nogmaals, dat is mijn manco. Mijn aversie tegen teveel werkelijkheid.

Maar dan het eind. Een dwingend, urgent eind, eentje die zomaar ineens zachtjes in je nek begint te hijgen, steeds harder, en vanaf hier leest het dan ook als een rollercoaster en leg je het boek niet meer aan de kant.

Het zorgt er ook voor dat de persoonlijke opdracht vóór in het boek automatisch een melancholieke lading krijgt. De liefde, vooral als ie groots en meeslepend is, lijkt soms een onoverwinnelijk land, een stoere, sterke entiteit op zich, maar in elke hoek staat gewoon weer een nieuwe ramp, een nieuwe dood, een nieuw eind op je te wachten. En natuurlijk weet je dat zelf ook wel, maar tijdens het lezen van dit boek wordt dat onheilspellende voelen nog eens extra opgepookt. En dat is goed. Dat houdt alert.

Wat na lezing blijft hangen:

Life is a bitch, we gaan er allemaal aan, de een iets glorieuzer of smeriger dan de ander, maar als er zo af en toe van dit soort fijne boeken blijven verschijnen, is het allemaal prima vol te houden.

En nu ga ik een eindje lopen in het bos. Mijn kop door laten waaien. ‘Ontwerkelijken’. Het mos op de boomstammen aaien en ze in codetaal toespreken. Basten voelen. De ruwe schors tegen mijn wangen drukken als niemand kijkt. Leven. Mateloos van mijn geliefden houden. Stappen in de grond duwen. Zoveel ik kan.


Peter Abelsen, Een soort geluk, Ambo/Anthos.