maandag 13 augustus 2018

Wat zou Frida hebben gedaan? (over slim boekhouden versus positiviteitsterreur)


Toegegeven, ik schrijf de laatste tijd veel over mijn pauperige gezondheid, maar het is even niet anders. Pijn  is een dictator. No way dat ik die megalomane gek weg krijg, maar door over hem te schrijven houd ik hem (een beetje) op zijn plaats. Althans, zo voelt het. Daarbij zijn er ruim drie miljoen pijnpatiënten in Nederland, dus de kans dat iemand zich in mijn gehannes herkent is groot.

De pest is, tegenwoordig moet je alles positief benaderen. Het stikt op internet van verhalen over mensen die rampen overwonnen door ‘positief’ te blijven. Die kanker overleefden door cavia’s te knuffelen, psychoses door blootsvoets en achterstevoren pelgrimstochten te lopen.

Natuurlijk, positiviteit geeft energie waardoor je aan het eind van de dag meer overhoudt, dat is geen rocket-science. Of al dat gelul over (half)volle glazen, ook allemaal waar. De keerzijde van teveel positiviteit is dat je jezelf al snel sterker gaat wanen dan je bent. En je schuldig voelt als je -ondanks grenzeloos caviaknuffelen- je ziekte niet overwint. Fake it till you make it klinkt geweldig maar als een blinde zonder hulphond of stok een drukke straat oversteekt is de kans dat ie wordt platgereden best groot. Wat dat betreft lijkt slim boekhouden verstandiger dan opgevoerd positivisme.

Hoe kom ik op dit alles?

Laatst bezocht ik de geweldige Redon-tentoonstelling in het Kröller Möller voor de tweede keer. De eerste keer zag ik hem rechtop, afgelopen weekend in een rolstoel. Ik zat eerder in rolstoelen, dus weet hoe het werkt. Mensen kijken je niet of half aan, schichtig. Anderen daarentegen kijken onbeschoft lang, zelfs als je terugkijkt. Waarschijnlijk is in hun wereld beleefdheid alleen van toepassing als je allebei rechtop staat.

Meneer K duwde mij. Natuurlijk heb ik altijd geweten dat dit moment kon komen maar wilde er niet aan. De laatste keer dat ik in een rolstoel zat was (dankzij veel oefenen en doorzettingsvermogen) alweer 15 jaar geleden en ik had mezelf gezworen er nooit meer in terecht te komen. Ik ben te ijdel voor die krengen, weet je.

Wilskracht klinkt mooi maar een erg intelligente krachtvorm is het niet.  ‘Ik moet, ik zal, ik moet, ik zal’, veel meer woorden kent het niet. Ik moest en ik zou, ik moest en ik zou en kwam natuurlijk (weer) in een rolstoel terecht. Niet 24/7 gelukkig. Ik kan een half uurtje wandelen op een goede dag, een half uurtje autorijden, maar dan is het op.

Ik weet niet wat ik dacht driekwart jaar geleden, maar op de een of andere manier had ik mezelf wijsgemaakt dat ik de baas over mijn ziekte (Ehlers-Danlos) was. Dat ik alles kon doen wat anderen ook deden als ik maar wilde. Ik moest er gewoon in geloven! Positief denken! Dat er indertijd veel belangrijke gebouwen om mij heen tegelijkertijd instortten had daar vast mee te maken. Iets met evenwicht en herstellen.

Van Ehlers-Danlos herstel je niet. Oké, ik kan er redelijk mee leven, mits ik mij aan de regels houd, iets wat ik de afgelopen 15 jaar redelijk had gedaan. Tot driekwart jaar geleden. Ineens was ik het zat om een chronisch bouwval te zijn. Echt spuugzat. Ik ging tuinieren, wandelen, springen, dansen, gaten graven, met kasten sjouwen en zette wel 6000 stappen op een dag. Op pure wilskracht. Domme kracht. Iedereen-kan-naar-de-hel-lopen-kracht. Ik-zal-de-wereld-es-laten-zien-wie-hier-de-baas-is-kracht.

Inmiddels is het bouwpakket in elkaar gelazerd en de kracht weg. Op me uitgekeken waarschijnlijk. Ik was natuurlijk geen match, deed maar alsof. Hij verdween zonder poeha of slaande deuren. De rolstoel, braces, de ondersteuningskussens in bed, de mitella’s, de ‘leeshulp’, bloeddrukmeters, TENS-apparaten en ontstekingsremmers kwamen daarentegen luidruchtig en handenwrijvend terug. Gedroegen zich als oude kennissen waarvan je had gehoopt ze nooit terug te zien. ‘Hé Johannaaaaa, daar zijn we weer, gezellig hè? De hele dag samen in je zieke lijf sudderen, urenlang plat op je rug in bed naar het plafond staren, weet je nog de leuke spelletjes die we altijd deden? De labyrinten die we in gedachten in de witte kalk tekenden, en dat jij de uitgang moest zoeken?’

Ja, hoor, die ken ik nog. En weer ziet er het naar uit dat het nog wel even gaat duren voor ik die klote-uitgang heb gevonden.

Sorry voor mijn gescheld. Het past niet bij de kleurige kimono die ik draag terwijl ik dit stukje tik met een vrolijke mok in mijn hand. Bij de spreeuw in de boom achter mijn huis die verpletterend ontroerend zingt. Ik moet minder boos zijn. Een blog schrijven over hoe blij ik van die rotvogel word, misschien, met een leuke foto van mijn vogelmok erbij, ook al voelen sommige ledematen alsof ze geamputeerd worden, elke minuut van de dag.

Terug naar afgelopen weekend. Hoe gedraag je je in een rolstoel als je zo fokking ijdel bent als ik? Hoe zet je je voeten in de steunen, plaats je je rug tegen de zitting zonder eruit te zien als een halfgare idioot die door de ruimte wordt gereden? Ik wist het niet meer. Voelde me verslagen en woest tegelijk. Weg wilde ik, mijn beweeglijke huppelziel uit dit lullige lijf redden en rennen tot ik een streep aan de horizon werd. Foetsie. Weg.

Natuurlijk bleef ik zitten en dacht aan Frida Kahlo. Frida is mijn allergrootste voorbeeld, eindbaas en held in het ziek-zijn. Wat zou zij hebben gedaan? Dat wist ik heus wel. Zij zou een bloem in haar haren schuiven, een trotse kop opzetten en zich waardig langs het werk van Redon hebben laten duwen. Dus dat deed ik. Ik ging recht zitten, klapte met mijn goede hand mijn waaier uit en woei mezelf mentale koelte toe. Meneer K kuste mij in mijn hals. Ik zag nog veel moois die dag.

Redon



donderdag 26 juli 2018

Een dubbele kont




Dochter en ik doen onze oefeningen. Die van mij zijn zo minimaal, die zie je niet, maar de dochter pakt stevig uit. 'Dat komt,' zegt zij, 'omdat ik speciale oefeningen krijg voor 'festivals en fietsen'. Ik denk na over mijn dagelijkse oefeningen, symmetrisch liggend op bed met een stok in mijn handen terwijl ik heeeeel licht mijn buik, voeten, middenrif en billen aanspan. 'Festivals en fietsen’ ga ik daar nooit mee bereiken, maar gewoon een beetje normaal leven zou al leuk zijn. ‘Ik wil niet zien dat je iets beweegt!’ roepen mijn fysio's streng, elke keer als zij mijn oefeningen in het onzichtbare beoordelen. De Bugnet-methode. Dat klinkt als een appelbol. Werkt (hopelijk) als een tiet.

Ondertussen zwemt mijn dochter met brede arm-en-beengebaren door de kamer terwijl ik vanaf de bank met allerlei positioneringskussens mijn best doe om zó te zitten/liggen dat ik niet uit elkaar val. ‘Dit mag jij niet nadoen, hoor’ waarschuwt ze streng. Ik schud gespeeld bangig mijn hoofd. Natuurlijk ga ik dat niet nadoen. Ik ben niet gek. Mijn schouder zou al bij de eerste zwemslag uit zijn kom glijden. Dat is het kuttige van zo’n bindweefselaandoening. Naast dat ie wreed erfelijk is, is het een zieke poging van je botten en spieren om hard bij je vandaan te rennen terwijl jij de boel 24/7 krampachtig bij elkaar probeert te houden. ‘Blijf nou jongens, toe, zo erg is het hier nou toch ook weer niet?’ Bergen energie kost dat. Elke stap of beweging een strijd tegen mogelijk (sub)luxerende botten. Een dagtaak.

Dochter maakt al haar hele leven muziek en is momenteel met een producer een EP aan het opnemen. Ze laat me een van haar laatste liedjes horen. ‘Wat is je pijn op de schaal van één tot tien? Wat is je pijn op de schaal van één tot tien?’ De kamer vult zich met het heldere stemgeluid van mijn dochter, freaky geluidjes op de achtergrond, beetje disharmonisch, afgezet tegen een driestemmig engelenkoortje. Op sommige plekken valt de muziek ineens stil. ‘Daar komt nog een rapper bij, hoor, mam, het is nog niet af.’ Het ontroert me hoe tof ze hiermee omgaat. Narigheid omzetten in iets moois. Je ziet niets aan ons, op het oog zien wij er allebei compleet normaal uit. Ehlers-Danlos, Hypermobiliteitssyndroom (sinds maart 2017 HSD genaamd) , het zijn onzichtbare aandoeningen, vanbinnen echter hangen we met losse elastiekjes aan elkaar.

‘Hoe zal ik mijn EP noemen, mam, ik heb nog geen titel,’ mijmert de dochter voor zich uit. ‘Songs from Reade,’ grap ik. Zo heet het revalidatiecentrum in Amsterdam waar ze een paar keer per week naartoe moet. ‘Nou, mam, niet álles in mijn leven gaat daarover, hoor.’ Nee, natuurlijk niet, gelukkig niet. Ook dat bindt ons, naast het hebben van een onzichtbare aandoening; de kunsten. Zij met haar muziek, ik met mijn schrijven. ‘Als ik mijn muziek heb, heb ik verder niks nodig, mam,’ riep ze laatst enthousiast door de telefoon. ‘Het is eigenlijk net zoiets als religie!’ ‘Ja precies,’ antwoordde ik opgetogen, ‘er vallen alleen geen doden bij.’

Even later kopen dochter en ik, terwijl heel NL halfdood en oververhit in een bak water ligt, onderbroeken bij de Zeeman. We doorzoeken de bakken vol degelijk damesondergoed. No strings. Ik kan niet zo lang lopen en staan en voel mijn ongeduld groeien. ‘Zullen we anders een keer gewone onderbroeken meenemen?’ vraag ik hinkend van been op been terwijl ik een panterroze lapje stof omhoog houd. ‘Ben je gek!’ roept de dochter met een oververhit hoofd vanuit de onderbroekenbak, ik ga toch niet met een dubbele kont lopen!'  ‘Een wát?’ roep ik terug. ‘Een dubbele kónt,’ herhaalt ze geagiteerd. ‘Kijk, het is heel makkelijk mam, in een gewone onderbroek heb je twee konten, in een string één. Dus ik weet niet wat jij wil, maar ik ga niet met twee konten lopen als het ook met één kan.’ Ik staar naar de opblaaspalm boven mijn hoofd en vind het eigenlijk wel logisch klinken. ‘Maar ze zitten zo kut,’ sputter ik nog tegen.

Terwijl we vanuit het winkelcentrum naar de auto lopen kijk ik stiekem in een etalage naar mijn wiebelkont. Ok, het is een flinke kont, een behoorlijk flinke kont zelfs, maar ik ben toevallig dol op mijn kont. Een lekkere kont. Daar wil ik er best twee van hebben. Niet alles in mijn leven hoeft onzichtbaar te blijven, tenslotte.



zondag 22 juli 2018

Verdwijnen met zestig honden



Gisterochtend liep ik door het ‘bos’. Ik loop graag ‘s ochtends vroeg in mijn eentje door het oude bospark bij mij in de buurt. In een echt bos zul je mij nooit alleen tegenkomen, dat durf ik niet. 
Vroeger wel, toen ik twee grote gevaarlijke honden had. Niet dat ik toen nooit lastiggevallen werd. Er was een man die langzaam met een auto op het bospad naast me bleef rijden, onderwijl smerige gebaren makend. Er was een man die maar achter me aan bleef lopen , me vervolgens heel langzaam inhaalde en toen hij dichtbij was in mijn oor siste dat een lekker ding als ik niet alleen in een bos moest lopen omdat dit wel eens heel vervelend voor me af zou kunnen lopen.

Acht uur is een tijdstip waarop je nog van alles om je heen hoort wegschieten. Geheimzinnig geritsel links en rechts. Muizen, vogeltjes, klein leven. Rond een uur of tien is een bos meestal wel uitgeritstelt, hebben de geluiden zich tot diep in zijn kern teruggetrokken en wacht het tot de mensen weg zijn en de schemer valt.

Ik hou van bossen en zou er graag leven. Nou ja, niet echt léven. Niet met bloed dat moet stromen om warm te blijven, benen en armen die op hersencommando naar eten zoeken. Ik zou er als geest willen leven, een flard die enkel uit gedachten bestaat, een mist of een dauwdruppel zonder moeilijk gedoe als emoties en oordelen. Zoiets als een ‘zijn’. Een registreren. Misschien een paar milde emoties. Abge-eckte die in een dauwdruppel passen. En dan lekker de hele dag als een diamantje in het hart van een lupineblad liggen dobberen.

Gisterochtend telde ik de sporen van de nacht:

1. Een verse vossendrol midden op het pad, bezaaid met vliegjes die zich er dronken in een wolk bovenop hadden gestort. Maniakaal zoemend van vreugde.
2. Het tot hout verworden landdier met vermolmde vleugels waar een stukje af was gegeten door een hert.
3. Een nieuw uitsteekselding op de wortelfaun die daardoor net iets gemener grijnsde dan normaal.
4. De wortels van de vers omgevallen boom. De opengesperde muil waar je met gemak met wel zestig honden in zou kunnen verdwijnen.

Ik tel graag. Op mijn vingers. Meneer K vindt dat er altijd schattig uitzien. Die voelt de grijze kleefdraden niet die de cijfers met elkaar verbinden. Hoe meer ik tel, hoe groter de kans dat de draden losraken en uit mijn telhanden vallen. Driehonderdachtenvijftig, achtmiljoenzestig…

Sommige dingen lijken voor eeuwig te zijn. De stronk die op een komodovaraan lijkt bijvoorbeeld en die ik als een oude vriend beschouw, de gekke dode Zadkineboom, met zijn dramatische geheven armen die scherp tegen de lucht afsteken. Andere dingen lijken dan juist weer een heel kort leven beschoren. Een pad waarvan ik zou zweren dat het bestond maar wat ik niet meer terug kan vinden, een heel kruispunt laatst zelfs. Een zwijnenpoel, een gammel houten uilenhuis.

Er zijn zoveel bossen in mijn omgeving dat ik minstens 100 levens zou moeten hebben om ze allemaal te leren kennen. Daar is geen beginnen aan. Het zou helpen als ik alleen in een bos zou kunnen lopen, gods nou, DE IDEE ALLEEN AL! ALLEEN IN EEN BOS LOPEN! Ik kan me niet eens voorstellen hoe geweldig dat zou zijn. Soms probeer ik het wel, maar meestal zie ik al na tien tellen een man verschijnen die voor me op het pad springt, zich aan me opdringt, handen, tong, scherp stinkzweet. En vroeger was ik gezond en kon ik nog wegrennen. Nee, dat is niet waar. Ik rende nooit weg. Ik liet het allemaal gebeuren. Waarom? Geen idee. Ik was waarschijnlijk heel goed in het laten verdwijnen van mijn lichaam. Geest worden. Dat ben ik nog. Daar helpt geen tellen tegen.
 
Ik hoop dat ik het nog een keer mag meemaken in mijn leven; dat je als vrouw zonder angst alleen buiten kunt lopen. In een bos, een nachtelijke stad, een verlaten industrieterrein, een parkeergarage, gewoon overal.

Ooit zag ik een programma op tv waarin een Noor zijn vader in Oslo van het station haalde. De vader had er al een hele reis op zitten. Er volgde een drieregelig gesprek dat sindsdien in mijn hoofd woont en waar ik graag aan terugdenk als ik in mijn eentje in de buitenwereld loop.
 ‘Hoi pap, had je een goede reis? vroeg de zoon aan zijn vader. ‘Zeer voorspoedig, jongen’ antwoordde de man. ‘Geen mens tegengekomen.’


vrijdag 6 juli 2018

Paskamer

De onder het bed gerolde kroon
trekt mild aan onze wangen
je hardkale kop waar het kwaad
van de wereld tegen afketst

In deze kamer draagt niemand zijn naam

Zijn je handen om mijn hals je ogen
de manier waarop je naar me kijkt
me elke ochtend uit-en-aankleedt
alsof je me voor het eerst

Je vingers tussen mijn kaken mijn mond
die gehoorzaam opent

En dat het zo wonderlijk is, zeg je
terwijl je mijn lippen
zacht dwingend uit elkaar duwt
mijn tong naar buiten lokt

Hoe ik er ineens was
met al mijn eigenwijze dingetjes
woordjes, wangetjes en kinnetjes

Het allemaal in deze kamer past


Tekening Kees van der Knaap (uit 'Vuurmakers', 2015)





dinsdag 26 juni 2018

De jongen die wind kon maken


Foto Giusi Barbiani
Hoe harder lichamelijk ongemak groeit, des te kleiner de wereld om je heen wordt. Logisch natuurlijk, zonder beweging kom je niet vooruit. Of; wat er aan de ene kant bijkomt moet er aan de andere kant weer af. Er zitten tehuizen vol met dit soort voorbeelden. Bejaarden, revalidanten, chronisch zieken, ontplofte sporters, allemaal mensen die ooit dansten, liepen, fietsten, renden, als adelaars boven rekstokken zwierden, tot er iets of iemand ergens op een stopknop drukte.

Vanwege een subluxerende, ontstoken en ingetapede schouder ben ik sinds een paar weken meer gehandicapt dan normaal. Ik kon als Ehlers-Danlos patient annex bouwpakket natuurlijk al 100 jaar geen heuvels meer belopen of zonder pijn een stokbrood snijden, maar deze schoudershit is van een nieuwe orde. Lopen, autorijden, douchen, aan-en-uitkleden, over alles wordt langdurig nagedacht en met behulp van bewegingstherapeuten schematisch in kaart gebracht. Soms kan ik een minuutje dit, soms een minuutje dat, de wereld opgedeeld in blokjes. Pixels. Omgevallen torens en onscherpe foto’s.

Wat ook nieuw is: sinds mijn arm besloten heeft geen arm meer te willen zijn is het schrijven lastig geworden. Het vergt kort gezegd een andere tactiek. Er is slechts ruimte voor een paar zinnen per dag. Paniek! Welke? Ik hoefde nooit te kiezen, alles kwam altijd vanzelf. Diende zich nonchalant en ruimhartig aan, liet zich uitgebreid opschrijven, uitgummen, bejubelen of bespotten en verdween zingend in de nacht om de volgende ochtend alweer…

Sinds kort wonen de woorden en zinnen achter metershoge muren en moet ik ze lokken met atonale melodietjes die ik zachtjes door mijn voortanden pers. Sommigen laten zich makkelijk lokken, anderen gooien hun neus in de wind en doen alsof ik niet besta. Van een nonchalant komen en gaan is in ieder geval geen sprake meer. Misschien zien ze de paniek uit mijn oren groeien en zoeken ze liever blakend gezonde mensen uit. Iets met economie en voordeel.

Dromen zijn ook niet erg economisch. Vannacht had ik er één over de wind. De wind landde in de oude eik achter mijn huis en vertelde over zijn wortels die volgens hem communiceerden met de omgekeerde wereld. ‘Je bedoelt de achterkant van de bodem?’ vroeg ik. ‘Ja,’zei de wind, ‘dat zou ik in een afgemeten wereld zomaar kunnen bedoelen, ja.’ ‘Wat is een afgemeten wereld?’ wilde ik vragen, maar toen was de droom alweer afgelopen.

Ik werd wakker, liet mezelf met hulp van de goede arm uit bed lazeren en keek, voor ik naar de badkamer strompelde nog even snel de tuin in. Daar stond, midden in het gras, een jongen.
‘Heb jij wel eens wind gemaakt?’ vroeg ik hem. Zijn armen staken wit onder zijn hemdsmouwen uit. Zijn haren als een ontplofte zee-egel op zijn hoofd. De jongen lachte droevig, alsof hij ooit wind maakte wanneer het hem uitkwam, alle dagen en nachten van de week, een gave die hem inmiddels ontnomen was.

‘Fijn is dat, hè,’ zei ik. ‘Wind maken. Eerst de stilte, het niets. De bladeren en stammetjes in de tuin die zwijgen. Dan je armen wijd, de scharende bewegingen, het ruisen in de verte dat aanzwelt, het kloppen van je hart in eenzelfde ritme tot alles simultaan opzweept, hoger, hoger, het over je hoofd trekt zodat je haren rijzen, en maar maaien met je armen als een maniakale dirigent, harder, harder, het binnenhalen van een vliegtuig dat oorverdovend over boomtoppen raast.’

De jongen keek ernstig naar de grond. Zijn armen, twee dunne bleke berkenstammetjes, hoorden niet bij hem. Zijn vingers berkentakjes, één beweging, knak.


dinsdag 12 juni 2018

Naakte vrouwen en kweekforel

Foto: Francesca Woodman

Ik ben geen groot voorstander van onaangekondigde experimenten maar soms ontstaat er eentje vanzelf ergens achter in mijn hoofd. Meestal merk ik het pas op als hij al een paar centimeter groot is en ik er niet meer omheen kan. Heel slim van het experiment, vind ik dat. Ik weet niet of hiermee bewezen is dat experimenten een bewustzijn hebben maar het zou me niets verbazen. Als je ongewenst in een lichaam woont moet je iets verzinnen om overeind te blijven.

Het experiment bestond eruit dat mijn geest en lichaam deden alsof de wereld om hen heen bedacht was. Buiten mij om, want ik was mij van geen kwaad bewust. Ik kocht ondertussen gewoon rundervinken in supermarkten of vissen van jute voor mijn kat met een stokje eraan.

Toen het al een tijdje aan de gang was kreeg ik het pas in de gaten. Ik merkte dat mensen mij niet terug groetten op straat of dwars door me heen keken als ik tegen ze praatte. Ik wist ook meteen dat het te laat was om dit proces te keren. Zodoende ging ik steeds meer geloven dat ik niet bestond. Dat lag aan mijzelf, ik reken het niemand aan. Al hielp de wereld wel een handje mee. Zo mailde ik een aantal mensen in korte tijd zonder ooit antwoord te krijgen. Een arts, een oude vriend, een kennis, één of twee uitgevers, een bedrijf. Ik checkte mijn mailinstellingen, mijn internetverbinding maar alles werkte naar behoren. Ervan uitgaande dat ik niet besta is dit ook niet zo raar natuurlijk. Je kunt niet niet bestaan en ondertussen respons krijgen, dat gaat niet samen.

Laatst volgde ik een discussie op Facebook over uitgevers en dichters. Iemand zei dat een dichter zonder uitgever geen echte dichter was. Uitgevers waren poortwachters. Zij hielden de kwaliteit in stand. Als zij je niet uitgaven was je gewoon niet goed genoeg. Ik moet altijd een beetje droevig glimlachen als ik zoiets lees. Al die brave mensen die met hun spoorboekjes langs de deuren gaan. Aanbellen, tabelletjes aanwijzen en opdreunen wat ze zien. Lieve schatten zijn het. Het zijn dezelfde mensen die bellen als er ergens een stoeptegel los ligt. Levensredders. Bewakers van de werkelijkheid. Wat zou de literatuur zijn zonder poortwachters, spoorboekjes en hun aanbidders? Een zootje, een verwilderde tuin met zoetzuur geurende schaduwhoeken, plakvlinders in nog niet ontdekte kleuren en insecten met rimpels en kraakstemmen die laag over de grond brommen en verre van fotogeniek zijn, ik zweer het je.

Het mooie van niet-bestaan is dat je veel vrijheden hebt. Ik kan gewoon schrijven wat ik wil, naakt in mijn tuin gaan staan met een emmer op mijn hoofd, mijn blogspot volproppen met gedichten over zingende zeekomkommers, geen hond die zich daar druk over maakt. Zo’n vrijheid komt je natuurlijk niet vanzelf aanwaaien, die moet je een handje helpen. Door midden in de nacht in je tuin te gaan staan met een spiegeleibord, bijvoorbeeld. En maar zwaaien. In de supermarkt ’s middags om 12 uur je hoofd achter een pot mosterd steken en zachtjes ‘roermenietroermeniet’ fluisteren.

Soms helpt het lot een beetje mee. Als je in deze wereld allerlei onzichtbare handicaps ontwikkelt schuif je namelijk vanzelf naar een zijlijn toe. Je moet er wel voor zorgen dat je aandoeningen onbekend blijven anders ben je alsnog de klos en zit je voor je het weet in een rolstoel op de eerste rij van een Guus Meeuwis concert met vrijwilligers om je heen die je hand vasthouden en om de seconde vragen of je gelukkig bent.

Nog een voordeel van niet-bestaan is dat je tijd genoeg hebt. Als je in een lichaam woont dat maar een paar honderd stappen per dag kan zetten en een geest waarin drie miljoen gedachten elke seconde van de dag om een nieuwe ordening schreeuwen kun je het gewoon wat rustiger aandoen.
Ik heb dus veel tijd om na te denken over mijn niet-bestaande wereld, waar ik dan vervolgens stukjes over schrijf. Dat is zo’n beetje de situatie hier.

Soms ga ik een uurtje op internet de wereld bekijken. Internet is voor mij een uitkomst. Vroeger als kind was ik ook vaak onzichtbaar ziek en keek dan elke ochtend schooltelevisie. Schooltelevisie klinkt heel georganiseerd maar in mijn herinnering leverde deze omroep maar één uitzending per week die vervolgens elke dag herhaald werd. Ik kende die uitzendingen woord voor woord uit mijn hoofd en moest grote moeite doen om halverwege de week niet van verveling dood neer te vallen.

Nee, dan internet. Want al kan ik zelf niet actief ‘meewerelden’, ik kan wel zien hoe jullie bij elke scheet je telefoon pakken om dat te delen. Erg fijn. Dank jullie allemaal bij deze. Ik ben een soort van geest die naast jullie bed staat, in de kroeg over jullie schouder meekijkt met wie jullie nou weer zitten te ouwehoeren. Erg tof. Zo niet-besta ik automatisch toch wat minder.

Facebook heeft wel een groot nadeel, tho. Het is er allemaal erg serieus. Laatst bijvoorbeeld had ik een fazant van straat getrokken, hem blauw geverfd en wilde hem een papieren hoedje opplakken maar kon geen juiste lijm vinden. Driesecondenlijm, houtlijm, zoogdierenlijm, ik wist het niet en vroeg het aan de mensen op FB. Dat viel niet in goede aarde. Ik verloor 50 vrienden en iedereen was boos. Want dan besta ik blijkbaar ineens wel. Gek is dat.

Je kunt geen grapjes maken op Facebook. Elke keer als je inlogt verschijnt er een vakje bovenin de pagina waarin je mag typen ‘wat of je aan het doen bent’. Dat klinkt heel vrij, maar is het niet. Fazanten blauw verven en beplakken wordt niet getolereerd. Naakte vrouwen boven een aquarium met kweekforel hangen ook niet. Je mag alleen dingen doen die in dat vakje passen.

‘Je moet je eigen vakje creeëren’ roepen mensen (die waarschijnlijk ook niet bestaan) dan. Maar daar ben ik niet goed in. Ik kan ook niet tegen blousjes die hoog dichtgeknoopt zitten. Dichte dozen of deuren.

Gisteren rolde er een aluminium balletje voorbij, op de plek waar ik een boek zat te lezen. Dat balletje bleef aan het eind van de kamer stilliggen en begon daarna te zoemen, eerst zachtjes maar steeds harder. Hij groeide ook. Eerst twijfelde ik daaraan, want als ik er naar keek zag ik niets gebeuren, maar elke keer als ik de kamer uitliep en terugkwam werd mijn vermoeden bevestigd. Hij groeide!

Inmiddels is hij net zo groot als de boekenkast dus dat belooft wat.

Op facebook wordt ook veel gediscussiëerd. In praktijk komt het er op neer dat zogenaamd geëngageerde mensen vragen stellen in de daarvoor bestemde vakjes. Bijvoorbeeld: Mag je dieren van straat trekken en blauw verven?#durftevragen. Wat maakt jou gelukkig?#durfteleven. Mijn poep is groen, is dat goed? #durftepoepen. Mag je een zin met ‘ik’ beginnen?#durfteschrijven.

Mij interesseert het meestal geen zak wat andere mensen vinden maar dat zal wel een voordeel van het niet-bestaanschap zijn. Want als ik wel bestond zou ik me waarschijnlijk ook druk maken over hoe ik me moest gedragen.

Jullie denken nu misschien, waar gaat dit stukje heen? We zitten al op 1400 woorden, geen rode draad te bekennen en we hebben nog meer te doen, ja.

Ik moet daarop antwoorden dat ik het niet weet.

Ik weet wel dat ik zojuist buiten met mijn spiegelei onder de pergola stond te zwaaien en iets groots zag glinsteren voor mijn raam. Dat was de aluminium bol, denk ik, die maar groeit en groeit. Ik hoop dat ik straks nog in mijn huis pas.