woensdag 26 april 2017

Snoekenruil

Soms zou ik mijn kinderen willen bellen om te vragen wat ze er aan overgehouden hebben. Aan al die jaren hier, met mij, katten en cavia’s, de kleuren van het wisselbehang, de periodes zonder vlees, man, suiker of vaste vloerbedekking op de trap.

Wat! zou ik willen roepen. Wat! Ik was misschien te druk, teveel, te ongeduldig ook, maar je belt je kinderen niet midden in een leven om vragen te stellen die niemand ooit beantwoorden kan zonder liegen of wegkijken.

Ik heb wel eens een alarmnummer gebeld om drie uur in de nacht, een dikke man nam op.
Dat ie dik was kon ik horen aan het gewicht van zijn stem die in zijn slokdarm was gezakt, daar dag en nacht verlangend naar eten hengelde met een verlichte snoekhaak die diep in zijn maag hing.

Ik weet nog dat het licht van de straatlantaarn naar binnen scheen, precies op de oude fauteuil die me spottend aankeek. Ik voelde me een indringer, alsof de kamer overdag van mij maar ’s nachts van hem was.

‘Ik versta je niet!’ schreeuwde ik. De man aan de telefoon trok de hengel uit zijn keel en vroeg wat er godverdomme loos was. Ik antwoordde huilend dat ik te ongeduldig was geweest in supermarkten met kinderen, ik misschien wel dood ging en dat er mensen waren die op het moment dat wij praatten als verdroogde vissen in een veld lagen te sterven.

‘Snoek!’riep de man slechts, ‘snoek!’

Ik mopperde dat dit geen serieuze feedback was op mijn gelamenteer, en dat ik het alarmnummer had gebeld, geen sportvisvereniging. De man veranderde van toon en antwoordde zacht dat snoeken prachtige en mysterieuze dieren waren, en dat ik alles in mijn leven wat ademde blind kon inruilen tegen deze wonderen der natuur. Ik hoorde water op de achtergrond stromen en even leek het zelfs of er druppels door de gaatjes van mijn telefoonhoorn opblobden.

Toen ik ophing viel er een snoek door de bus, en later nog een. Elk uur hoorde ik een plof in de gang bij de voordeur. En nu, als ik goed luister, nog steeds.



donderdag 9 maart 2017

Doe de detox! (not)

Op het moment doe ik een ontgiftingskuur. Zelf was ik daar niet op gekomen, maar het leek mijn (antroposofische) huisarts een goed idee omdat ik nog steeds kamp met de nodige postoperatieve rest-ellende. Nu, na een kleine week kan ik zeggen dat het redelijk succesvol is. Ik voel me iets sterker, strakker en helderder. Eén ding echter verontrust mij. 

Iedereen die mijn werk kent weet dat ik de neiging heb om redelijk 'raar' te schrijven. Dat dekt de lading natuurlijk niet, maar ik weet het even niet anders te zeggen. Aan de andere kant, aangezien ik reeds vanaf mijn 14e jaar officieel kneitergek werd verklaard én om die reden subiet uit de leerplicht ontheven gedraag ik mij (en schrijf ik) geheel volgens de verwachting. Normaal dus. Begrijpt u het nog? Vrees niet, de kern is nakende.

Mijn hele leven droom ik al conform mijn anamnese. Paarsrode woestijnkatten die ondersteboven aan haken hangen en waar lang uitgerekte ballonwerelden soepel onder hun staarten vandaan rollen die net voor ze de grond raken veranderen in fluorescerende grondbloemen die pijlsnel wegschieten en in bermen van slaapsteden nieuwe werelden doen ontkiemen, waar paarsrode woestijnkatten uit groeien die ondersteboven… Afijn, u vangt mijn drift. Dat gedroom van mij is een van de bronnen waar ik tijdens mijn schrijven uit put. Een dankbare en makkelijke bron. Hij is er immers altijd. Elke nacht vang ik mijn dromen op in grote emmers en zet die naast mijn bed.

Tot de ontgiftingskuur. De eerste nachten ging het nog wel, maar na enkele dagen het beregezonde chlorella en spirulina in grote hoeveelheden weggestouwd te hebben waarna ik enthousiast alle kleuren van de regenboog uitplaste trof ik mijzelf vanochtend vroeg bij het wakker worden in complete verwarring aan. De emmer naast mijn bed was nagenoeg leeg. Slechts een paar letters wriemelden als visjes over de bodem. Dit is wat er stond:

1.     1. Ik ga op bezoek bij F. Als ik bij zijn huis aankom is de deur open. Ik loop naar binnen. F is nergens te bekennen. Al zijn meubels zijn weg. Er zijn anderen voor in de plaats gekomen. Er komt een jongen de trap afgelopen. ‘Hallo,’ roept hij opgewekt, ‘ik ben Bart.’

2.     2. Ik krijg mail. Beste mevrouw Geels, staat er. Op aanraden van mijn vriend Ton las ik uw gedicht over het verzorgen van een chagrijnige gehandicapte jongen. Dit leek Ton leuk voor mij omdat ik zelf al jaren voor een chagrijnige gehandicapte jongen zorg en dus affiniteit heb met het onderwerp. Ik heb uw gedicht gelezen. Ik vond er niets aan.


zaterdag 4 februari 2017

De jongen met de dunne duif op zijn hoofd

Vannacht gingen Willem Brakman en ik de kroeg in. Op verzoek van Willem droeg ik een rode alpinopet schuin op mijn hoofd. De kroeg was mij onbekend, toch werden wij binnengehaald als oude vrienden. Men keek op, zwaaide en sommigen riepen  'Willem' of 'Johanna'. Er hing een houten bord boven de bar waar onze namen in stonden gebrand, samen met tientallen anderen. “Stamgasten” stond er in een halve cirkel boven geschreven als een luifel tegen regen, wind en zonneschijn. Willem boog zich verliefd naar me toe en zette zijn lippen tegen mijn oor. ‘Een biertje voor mij, en haal voor jezelf ook wat,’ beval hij nors.
'Dat rijmt niet samen, Willem,' zei ik.
'Hoezo niet,' vroeg hij verbaasd.
'Wat je zegt en hoe je erbij kijkt,' antwoordde ik. 'Dat bijt.'
'Je moet niet zoveel over dode schrijvers dromen,' zei Willem Brakman, 'dat is niet gezond.'
'Ik heb laatst anders ook over David Bowie gedroomd, hoor,' sputterde ik tegen.

Achter de bar stond een chinees. Ik bestelde een Spa rood maar dat verstond hij niet en voor ik het wist schoof hij een bak natte koolsalade met druiven en een halfliterglas bier voor mijn neus.
‘Spa rood!’ riep ik geërgerd, ‘ik had een Spa róód besteld.’
De chinees trok me hard aan mijn haren over de toog zodat mijn alpinopet als een frisbee door de zaak vloog.
‘Oorlog,’ siste hij, ‘het is oorlog.’
Ik moest ineens aan serieuze Hollandse dichteressen van boven de vijftig denken.
‘Bedoel je niet eurlug,’ antwoordde ik.
‘Flikker op met je eurlug,’ schreeuwde de man. Zijn tanden waren zo geel dat het pijn deed aan mijn ogen. Hij had me nog steeds vast aan mijn haren en drukte de helft van mijn gezicht op het natte hout van de bar. Het rook naar bier.
‘Likken,’ beval hij, ‘anders gaat je kop eraf.’
Ik probeerde me voor te stellen hoe dat zou zijn, mijn kop op de bar, mijn lichaam er levenloos onder, hoe het van de kruk zou vallen. Gracieus in elkaar als een gebouw? Of wanhopig en lelijk met maaiende armen. Ik begon te kreunen en zacht om hulp te roepen. Willem keek mijn kant op, knikte me bemoedigend toe en praatte verder met een wat oudere man die eruit zag als een geleerde die zich daar een beetje voor schaamt. Hoog opgetrokken schouders, schichtige oogopslag, zoekende handen, van die dingen.

‘Godverdomme, Willem,’ riep ik door de zaak, ‘hou op met leuteren en kom me helpen, ja.’
‘Ik ken niemand die zo intelligent en fijnbesnaard is als die dame daar,’ oreerde Willem overdreven terwijl hij naar mij wees. De gestudeerde man die zich daar voor schaamde keek mijn kant uit. Je zag aan zijn gezicht dat hij de woorden van Willem en mijn verschijning moeilijk met elkaar kon rijmen. Logisch, ik hing ondertussen met mijn tong half uit mijn mond, scheef op mijn barkruk in de meest onflatteuze houdingen die spatel te ontwijken.

Er kwam een schoolklas binnen. De kinderen droegen een duif op hun hoofd die allen een andere kant opkeken. De jongen met de dunste duif keek ernstig toe hoe de chinees mijn hoofd aan het bewerken was. Hoe hij op mijn mond sloeg, mijn wangen, mijn ogen.
‘Zachte wangen slaan het fijnst,’ hoorde ik een meneer aan een tafeltje verderop zeggen. ‘Vrouwenwangen, meisjeswangen, hamsterwangen. Net als billen. Vrouwenbillen, meisjesbillen, hamsterbillen. Het heeft met vering te maken, begrijp je. De intensiteit daarvan. Een juiste vering neemt aan en geeft in eenendezelfde beweging terug. Dat zou je overgave kunnen noemen, ware het niet dat zulks een matter of the mind is, en dat kun je van een huidvering niet zeggen, dat is meer eh, natúúrkunde, geloof ik. Denk ik.’

De jongen met de dunne duif op zijn hoofd ging met zijn hand omhoog, aaide het dier zo zacht als mogelijk was en vroeg in het wilde weg of iemand hem kon vertellen waarom ik op mijn hoofd werd getimmerd.
‘Ze bestelde een Spa rood,’ wist iemand.
‘Is dat een reden?’ vroeg de jongen.
‘Voor alles is een reden,’ zei Willem, die naast de jongen was komen te staan.
‘Ze bestelde een Spa rood maar kreeg natte koolsla,’ zei de oude meneer die zich voor zijn gestudeerdheid schaamde. ‘Iets met langs elkaar heen lopende verbindingen. Omgekeerde synchroniciteit.’
‘Juist,’ zei Willem. ‘Dat bedoel ik.’
Hij wees naar de jongen met de dunne duif op zijn hoofd.
‘En wie ben jij?’
‘Ik ben de jongen met de dunste duif,’ antwoordde hij.
‘Kunnen duiven eigenlijk wel dun zijn,’ vroeg Willem aan de gestudeerde meneer.
‘Mmm, er zijn ook dikke duiven,’ antwoordde deze, ‘dus wellicht zou je dan ook…’
Op dat punt schoof zijn hoofd zo diep zijn schouders in dat hij onverstaanbaar werd. Je hoorde slechts nog wat gemurmel. Willem pakte een bakje noten van een tafel en hield dat voor de duif. Die draaide beledigd zijn hoofd naar het noorden.
‘Hij eet niet,’ zei Willem.
‘Nee,’ zei de jongen.
‘Wat nee,’ zei Willem.
‘Nee, meneer Brakman,’ zei de jongen.
‘Hou op met die flauwekul,’ schreeuwde Willem ‘en zeg me waarom die duif niks wil vreten.’
‘Omdat hij anders geen dunne duif meer is,’ antwoordde de jongen zacht.

Toen ik wakker werd greep ik direct naar mijn mobiele telefoon en zocht op afbeeldingen naar Willem Brakman. Hij leek voor geen meter. 

vrijdag 27 januari 2017

Rapsodie in B

Je kent dat wel, bij het zoveelste gedolven gat.
En dat je vroeger aan de dode dacht, en nu slechts
aan de afgebroken fietszadelpen van S,
het kapotte 24uurskaarsje van de Lidl.

Treurlied 1. Treurlied 2. Treurlied zonder eind.

Vrouw uit raam: ‘In den beginne was er niks. Niks dus.
En moet je nou kijken.’

Maar jij keek enkel onder de motorkap van je Cherry Tango.
In een tijd waarin alles okay was. (Omdat ik beter faken kon?)
Terwijl ik minstens tien keer op een nacht
uit elkaar getrokken werd, beenhard.

Maar sinds ik twee keer dood was. Fysiek dood.
Echt dood dus hè, geen grapje (en nooit licht zien, of tunnels,
ik bedoel, zelfs in de dood besta ik niet).
Mijn lithiumloze driepits hersenbak naar Australisch kangoeroemodel
compleet verlittekent blijkt te zijn waardoor ik (pingpong, pingpong)
veel vergeet (en waarmee ik maar zeggen wil, schatje, het is geen onwil).

Behalve de olifantsberg tweeduizend kilometer verderop
die in een tiende seconde zomaar ophield te bestaan.
En waar nooit meer zonnen opkomen of ondergaan.

Ik hield van die berg, de goden die hem bewoonden, de boten die af en aan, als messen
door hem heen gleden, maar hij ging niet dood, nooit dood, hij sliep slechts,
als een vader, met zijn mond een beetje open, de televisie op de achtergrond zacht aan.

Er waren mannen, vaders, bergen. Die plotseling ophielden te bestaan.
En er is een wereld die voorzichtig naderbij sluipt.
’s Nachts hoor ik hem, zijn gierende adem langs het raam.



vrijdag 2 december 2016

Hoe Frenzie Parkie het EINDEBEGIN VAN DE WERELD ontdekte

Gebeurtenissen word je geacht in de hand te kunnen houden. Daar ben ik niet zo goed in. Zet mij midden in de nacht op een verlaten duin en er komt een meneer op mij af die zegt voor het Kaiser Wilhelm Instituut in Berlijn te werken en dat -ie heimelijk op zoek is naar een specifieke aardstraal die genoeg energie oplevert om een middelgroot continent mee van licht te voorzien. En dat die, stop mevrouw, ja dáár precies onder mijn voeten loopt. En dat ik niet mag bewegen tot hij terugkomt met een Kaiser Wilhelm delegatie die de straal gaat winnen, delven, of hoe noem je zoiets, waar ik vervolgens niets van geloof maar wat dan achteraf toch waar blijkt te zijn.

Ik zal een voorbeeld geven.

De dag dat ik Frenzie Parkie ontmoette was koud en lang. Hoe lang weet ik niet meer precies maar in ieder geval langer dan de meeste dagen van dat jaar die allen precies 23 uur en 3599 seconden duurden. Frenzie Parkie was een meisje van ongeveer acht jaar dat van pony’s hield. Ze was samen met haar broertje, ouders en heel veel anderen met een bootje uit een oorlog gevlucht. Je denkt nu misschien: er bestaan geen gevluchte ponymeisjes die Frenzie Parkie heten, maar ik heb er later nog twee gezien. Eentje in paardendisco Black Bjoetie aan de Bunderweg in Teuge en eentje dansend in een hoelarokje met raffiarandjes in een Boliviaans huis terwijl een mank kind op het dak zich een circus waande. ‘Er is geen uitgang, nergens een uitgang, nooit een uitgang,’ sprakzong het achter elkaar als een wekkeralarm. Dwingend ook wel een beetje. Sommige kinderen hebben daar een handje van. Deze ook. Zo van: ‘Kijk mij eens mank zijn op een willekeurig dak in Bolivia terwijl er een compleet circus in mij woont.’ Allemaal leuk en aardig, denk ik dan, maar ik heb een Mexicaanse schoondochter met een oma die leeuwen in de tuin houdt. Echte.

De dag dat ik het ponymeisje Frenzie Parkie ontmoette zat ik onder een terraskachel in Griekenland en zong: “Pierlala pierla dood pierlapier lala…”. Algauw werd het een hit. Alle gevluchte en aangespoelde kinderen en bejaarden zongen mee terwijl de boten tikkeriktik achter hun rug tegen de rotsen kapot sloegen. Gekleed in meters knisperende warmhoudfolie dartelde Frenzie Parkie geelblinkend als bladgoud onder de Griekse herfstzon over het terras, want meisjes blijven meisjes, ook zonder brood, droog huis of onderkomen. Ik dacht aan mijn  eigen huisje, waar het geluk tot in de splinters van de plinten zat, ik hoefde het alleen maar op te merken. Eruit te pulken. Ook dacht ik aan het liedje wat mijn overgrootopa vroeger vaak voor me zong: ‘Kun je dansen Johanna, laat zien wat je kan.’ Dan deed ik een dansje. Of niet. Gewoon, waar ik zin in had. Frenzie Parkie echter deed de hele dag dansjes daar op dat terras in Griekenland terwijl de mannen haar geld toegooiden. Vrouwen zie je eigenlijk nooit met geld gooien, of het moet ze expliciet worden opgedragen. Waarschijnlijk zien ze daar het nut niet van in. Of komt het niet in ze op. Vrouwen geven geld of houden het gewoon in hun zak. Nu ik erover nadenk, misschien is dat het probleem. Vrouwen bijvoorbeeld géven leven. Alles wat mannen doen steekt daar behoorlijk zwak bij af. Misschien nemen ze daarom levens. Uit nijd. Jaloezie.

Frenzie Parkie kreeg al snel door dat als ze ondeugend keek tijdens het dansen de mannen meer geld gooiden. Ook al was ze nog maar acht jaar en hield ze van pony’s. Het is trouwens niet dat ik een verschrikkelijke hekel aan mannen heb, hoor. Er zijn heus veel leuke in de wereld.

De ouders en broer van Frenzie Parkie wachtten de hele dag op het strand tot zij terugkwam met het bij elkaar gedanste geld en kochten daar dan brood van. Pretzels. Aspirines. In het strand zaten gaten waar toeristen hun mobiele telefoons in verstopten tijdens het zwemmen.  Een soort van zandkluizen dus. Althans, dat leek zo. Want de kluizen bleken tunnels met opgerolde wegenkaarten verstopt in alikruiken voor de kilometerslange ondergrondse snelwegenstelsels met borden aan de zijkant waar HIER en DAAR of EINDEBEGIN VAN DE WERELD op stond. Ik zag Frenzie Parkie vaak naar die gaten loeren. Dan keek ze voorzichtig lachend naar mij en wist dat ik hetzelfde dacht.

Ik heb haar wel eens gevraagd of ik haar slechts Frenzie mocht noemen. Zonder dat Parkie. Of andersom, want het was zo’n mondvol, maar dan werd ze furieus. Logisch. Als je veel bent kwijtgeraakt is de naam die men je bij geboorte gaf een heilig goed. Dat had ik moeten weten.

Even voor de statistieken. Er blijkt nog een Parkie te (hebben) bestaan. Een olifant om precies te zijn en onderdeel van een duo. Hans en Parkie kwamen in 1786 met een VOC-schip uit Ceylon aan in Nederland als cadeautje voor stadhouder Willem V die op het Loo een exotische mini-dierentuin hield. Hans (mannetje) en Parkie (vrouwtje) woonden in een speciaal gebouwde olifantenstal en veroberden elke dag 80 pond broodhompen, 12 vaten wijn en grote hoeveelheden groentesoep en rijst. Die wijn verklaart waarschijnlijk waarom er nogal wat vrolijke tekeningen van Hans en Parkie bestaan. Tekenaar, zoöloog en anatoom J.P. Houel tekende bijvoorbeeld hoe ze samen jolig door het paleisbos dartelden. Ook beeldde hij ze af in kussende en parende houdingen, alsof het mensen waren.
In 1795 vielen Franse troepen Nederland binnen. Willem V vluchtte naar Engeland en zijn bezit viel in handen van de Franse Republiek. De mini-dierentuin bevatte naast Hans en Parkie o.a een orang oetan die graag peterselie met een vorkje van een delftsblauw bordje at, giraffes, wat angolaschapen en Chinese zilverfazanten. Alle dieren moesten worden verhuisd naar Parijs. Hans en Parkie gingen ieder in hun eigen hok, bewapend met zes zware artilleriewielen scheep in Deventer. Na een turbulente reis kwamen ze aan in Jardin des Plantes, een klein Parijs’ park waar ze publiekelijk tentoongesteld werden als ‘volumineuze monsters en wonderen der intelligentie’. Ze trokken zoveel bezoekers dat een speciale suppoost de toestroom in goede banen moest leiden.

Parkie (die inmiddels door de Fransen was omgedoopt tot ‘Margeritue’) en Hans misten de weidsheid van het Loo, het gedartel door de Apeldoornse bossen en misschien ook wel hun dagelijkse vaten wijn. Ze kwijnden langzaam weg, aten minder, bewogen amper nog en uiteindelijk stierf Hans aan een longontsteking. Parkie was ontroostbaar en kreeg een kameel als metgezel, daarna een olifant uit Senegal (die ook overleed) en een uit Azïe. Toen Parkie stierf was ze vierendertig jaar oud.

Terug naar het ponymeisje.

Op een dag hing Frenzie Parkie’s foto aan alle bomen rondom het terras. Haar ouders en broer zaten huilend op het strand. Het terras was verlaten en niemand gooide meer met geld. De mensen vroegen aan mij of ik wist waar Frenzie Parkie was. Ja, knikte ik, dat weet ik wel. Iedereen keek opgelucht. Ik nam ze mee naar de gaten in het zand en wees. Daar. De holletjes hadden de grootte van een opgerold konijn en de mensen lachten me uit. ‘Verder graven,’ riep ik dan, terwijl ik tegen mijn hoofd tikte bij zoveel achterlijkheid. ‘Verder graven dan jullie neuzen lang zijn…’ Maar dat deed niemand natuurlijk.


vrijdag 25 november 2016

Vannacht droomde ik dat de mensheid alleen nog van tofu kon leven

Al het andere was vergiftigd of op. "Waarom" zeiden ze er niet bij. Ik vermoed iets met uitgeputte bronnen en teveel oude mensen. Ik heb niets tegen oude mensen. Oude mensen weten meer dan jonge, wat dan wel weer opgeheven wordt door het feit dat ze veel vergeten. Ik merk dat zelf al. Soms poets ik zomaar twee keer achter elkaar mijn tanden. Of laat het gas aanstaan. Eet rijstepap met basterdklonten uit een pannetje met bruine randen.Verzin codewoorden voor vergeten codewoorden. Leg sleutels onder niet-bestaande dakranden. En ik moet nog vijftig worden.

Die tofu groeide als kool. Achter bushokjes, in plantsoenen of op balkonnen. Maar vooral in mijn tuin. Of eigenlijk, nu ik er nog eens goed over nadenk, bijna alleen in mijn tuin. Aan elke tofuplantenstengel hing zo’n vierkant blok bleek in de zon te bungelen. Met netten erboven, want de vogels en slakken aten ook alleen nog maar tofu. Gefrituurd was het lekkerst.  Dan krulden ze om en werden fijn knapperig.

Ik was de enige op de wereld met een frituurpan. Dus kwam iedereen bij mij. Vanaf mijn deur slingerden lange rijen de wereld in. Als je van boven naar beneden keek was dat een machtig gezicht. Sommige rijen splitsten zich zodat het wortels leken in een grond. Haarvaatjes in een wang. De rijen werden zo lang dat de mensen achterin niet eens meer wisten waarom ze daar stonden. Overal ter wereld kon je aansluiten om pas na weken wachten en langzaam voortschuifelen erachter te komen dat je op weg was naar de gefrituurde tofu van JG.

Er zijn ook mensen die tofu tahoe noemen, maar daar ben ik niet zo voor. Tahoe klinkt als een geloof. En je kunt lang wachten of kort wachten, maar daar komt geheid ruzie van.


maandag 21 november 2016

Lepeldood

vandaag woon ik in een wastafel, waar ik met een oranje markeerstift
woorden op het porselein schrijf

als ik met mijn ogen knipper glijden ze naar het afvoerputje
er is zelden een woord dat niet door de gaatjes past

er zijn er die ik moet onderscheppen op straffe van eeuwige opsluiting      
gebaksdoos bijvoorbeeld

gebaksdoos is een woord als een grindtegel
konijnenpoffertje daarentegen glijdt zo fijn vanzelf 
langs het koude glazuur

sommige durf ik niet op te schrijven
woorden die mooi lijken maar waarachter je makkelijk blijft haken
zoals defibrilleerverpleegsters
meteorologische cholesteroluilen
lepeldood