vrijdag 2 december 2016

Hoe Frenzie Parkie het EINDEBEGIN VAN DE WERELD ontdekte

Gebeurtenissen word je geacht in de hand te kunnen houden. Daar ben ik niet zo goed in. Zet mij midden in de nacht op een verlaten duin en er komt een meneer op mij af die zegt voor het Kaiser Wilhelm Instituut in Berlijn te werken en dat -ie heimelijk op zoek is naar een specifieke aardstraal die genoeg energie oplevert om een middelgroot continent mee van licht te voorzien. En dat die, stop mevrouw, ja dáár precies onder mijn voeten loopt. En dat ik niet mag bewegen tot hij terugkomt met een Kaiser Wilhelm delegatie die de straal gaat winnen, delven, of hoe noem je zoiets, waar ik vervolgens niets van geloof maar wat dan achteraf toch waar blijkt te zijn.

Ik zal een voorbeeld geven.

De dag dat ik Frenzie Parkie ontmoette was koud en lang. Hoe lang weet ik niet meer precies maar in ieder geval langer dan de meeste dagen van dat jaar die allen precies 23 uur en 3599 seconden duurden. Frenzie Parkie was een meisje van ongeveer acht jaar dat van pony’s hield. Ze was samen met haar broertje, ouders en heel veel anderen met een bootje uit een oorlog gevlucht. Je denkt nu misschien: er bestaan geen gevluchte ponymeisjes die Frenzie Parkie heten, maar ik heb er later nog twee gezien. Eentje in paardendisco Black Bjoetie aan de Bunderweg in Teuge en eentje dansend in een hoelarokje met raffiarandjes in een Boliviaans huis terwijl een mank kind op het dak zich een circus waande. ‘Er is geen uitgang, nergens een uitgang, nooit een uitgang,’ sprakzong het achter elkaar als een wekkeralarm. Dwingend ook wel een beetje. Sommige kinderen hebben daar een handje van. Deze ook. Zo van: ‘Kijk mij eens mank zijn op een willekeurig dak in Bolivia terwijl er een compleet circus in mij woont.’ Allemaal leuk en aardig, denk ik dan, maar ik heb een Mexicaanse schoondochter met een oma die leeuwen in de tuin houdt. Echte.

De dag dat ik het ponymeisje Frenzie Parkie ontmoette zat ik onder een terraskachel in Griekenland en zong: “Pierlala pierla dood pierlapier lala…”. Algauw werd het een hit. Alle gevluchte en aangespoelde kinderen en bejaarden zongen mee terwijl de boten tikkeriktik achter hun rug tegen de rotsen kapot sloegen. Gekleed in meters knisperende warmhoudfolie dartelde Frenzie Parkie geelblinkend als bladgoud onder de Griekse herfstzon over het terras, want meisjes blijven meisjes, ook zonder brood, droog huis of onderkomen. Ik dacht aan mijn  eigen huisje, waar het geluk tot in de splinters van de plinten zat, ik hoefde het alleen maar op te merken. Eruit te pulken. Ook dacht ik aan het liedje wat mijn overgrootopa vroeger vaak voor me zong: ‘Kun je dansen Johanna, laat zien wat je kan.’ Dan deed ik een dansje. Of niet. Gewoon, waar ik zin in had. Frenzie Parkie echter deed de hele dag dansjes daar op dat terras in Griekenland terwijl de mannen haar geld toegooiden. Vrouwen zie je eigenlijk nooit met geld gooien, of het moet ze expliciet worden opgedragen. Waarschijnlijk zien ze daar het nut niet van in. Of komt het niet in ze op. Vrouwen geven geld of houden het gewoon in hun zak. Nu ik erover nadenk, misschien is dat het probleem. Vrouwen bijvoorbeeld géven leven. Alles wat mannen doen steekt daar behoorlijk zwak bij af. Misschien nemen ze daarom levens. Uit nijd. Jaloezie.

Frenzie Parkie kreeg al snel door dat als ze ondeugend keek tijdens het dansen de mannen meer geld gooiden. Ook al was ze nog maar acht jaar en hield ze van pony’s. Het is trouwens niet dat ik een verschrikkelijke hekel aan mannen heb, hoor. Er zijn heus veel leuke in de wereld.

De ouders en broer van Frenzie Parkie wachtten de hele dag op het strand tot zij terugkwam met het bij elkaar gedanste geld en kochten daar dan brood van. Pretzels. Aspirines. In het strand zaten gaten waar toeristen hun mobiele telefoons in verstopten tijdens het zwemmen.  Een soort van zandkluizen dus. Althans, dat leek zo. Want de kluizen bleken tunnels met opgerolde wegenkaarten verstopt in alikruiken voor de kilometerslange ondergrondse snelwegenstelsels met borden aan de zijkant waar HIER en DAAR of EINDEBEGIN VAN DE WERELD op stond. Ik zag Frenzie Parkie vaak naar die gaten loeren. Dan keek ze voorzichtig lachend naar mij en wist dat ik hetzelfde dacht.

Ik heb haar wel eens gevraagd of ik haar slechts Frenzie mocht noemen. Zonder dat Parkie. Of andersom, want het was zo’n mondvol, maar dan werd ze furieus. Logisch. Als je veel bent kwijtgeraakt is de naam die men je bij geboorte gaf een heilig goed. Dat had ik moeten weten.

Even voor de statistieken. Er blijkt nog een Parkie te (hebben) bestaan. Een olifant om precies te zijn en onderdeel van een duo. Hans en Parkie kwamen in 1786 met een VOC-schip uit Ceylon aan in Nederland als cadeautje voor stadhouder Willem V die op het Loo een exotische mini-dierentuin hield. Hans (mannetje) en Parkie (vrouwtje) woonden in een speciaal gebouwde olifantenstal en veroberden elke dag 80 pond broodhompen, 12 vaten wijn en grote hoeveelheden groentesoep en rijst. Die wijn verklaart waarschijnlijk waarom er nogal wat vrolijke tekeningen van Hans en Parkie bestaan. Tekenaar, zoöloog en anatoom J.P. Houel tekende bijvoorbeeld hoe ze samen jolig door het paleisbos dartelden. Ook beeldde hij ze af in kussende en parende houdingen, alsof het mensen waren.
In 1795 vielen Franse troepen Nederland binnen. Willem V vluchtte naar Engeland en zijn bezit viel in handen van de Franse Republiek. De mini-dierentuin bevatte naast Hans en Parkie o.a een orang oetan die graag peterselie met een vorkje van een delftsblauw bordje at, giraffes, wat angolaschapen en Chinese zilverfazanten. Alle dieren moesten worden verhuisd naar Parijs. Hans en Parkie gingen ieder in hun eigen hok, bewapend met zes zware artilleriewielen scheep in Deventer. Na een turbulente reis kwamen ze aan in Jardin des Plantes, een klein Parijs’ park waar ze publiekelijk tentoongesteld werden als ‘volumineuze monsters en wonderen der intelligentie’. Ze trokken zoveel bezoekers dat een speciale suppoost de toestroom in goede banen moest leiden.

Parkie (die inmiddels door de Fransen was omgedoopt tot ‘Margeritue’) en Hans misten de weidsheid van het Loo, het gedartel door de Apeldoornse bossen en misschien ook wel hun dagelijkse vaten wijn. Ze kwijnden langzaam weg, aten minder, bewogen amper nog en uiteindelijk stierf Hans aan een longontsteking. Parkie was ontroostbaar en kreeg een kameel als metgezel, daarna een olifant uit Senegal (die ook overleed) en een uit Azïe. Toen Parkie stierf was ze vierendertig jaar oud.

Terug naar het ponymeisje.

Op een dag hing Frenzie Parkie’s foto aan alle bomen rondom het terras. Haar ouders en broer zaten huilend op het strand. Het terras was verlaten en niemand gooide meer met geld. De mensen vroegen aan mij of ik wist waar Frenzie Parkie was. Ja, knikte ik, dat weet ik wel. Iedereen keek opgelucht. Ik nam ze mee naar de gaten in het zand en wees. Daar. De holletjes hadden de grootte van een opgerold konijn en de mensen lachten me uit. ‘Verder graven,’ riep ik dan, terwijl ik tegen mijn hoofd tikte bij zoveel achterlijkheid. ‘Verder graven dan jullie neuzen lang zijn…’ Maar dat deed niemand natuurlijk.


vrijdag 25 november 2016

Vannacht droomde ik dat de mensheid alleen nog van tofu kon leven

Al het andere was vergiftigd of op. "Waarom" zeiden ze er niet bij. Ik vermoed iets met uitgeputte bronnen en teveel oude mensen. Ik heb niets tegen oude mensen. Oude mensen weten meer dan jonge, wat dan wel weer opgeheven wordt door het feit dat ze veel vergeten. Ik merk dat zelf al. Soms poets ik zomaar twee keer achter elkaar mijn tanden. Of laat het gas aanstaan. Eet rijstepap met basterdklonten uit een pannetje met bruine randen.Verzin codewoorden voor vergeten codewoorden. Leg sleutels onder niet-bestaande dakranden. En ik moet nog vijftig worden.

Die tofu groeide als kool. Achter bushokjes, in plantsoenen of op balkonnen. Maar vooral in mijn tuin. Of eigenlijk, nu ik er nog eens goed over nadenk, bijna alleen in mijn tuin. Aan elke tofuplantenstengel hing zo’n vierkant blok bleek in de zon te bungelen. Met netten erboven, want de vogels en slakken aten ook alleen nog maar tofu. Gefrituurd was het lekkerst.  Dan krulden ze om en werden fijn knapperig.

Ik was de enige op de wereld met een frituurpan. Dus kwam iedereen bij mij. Vanaf mijn deur slingerden lange rijen de wereld in. Als je van boven naar beneden keek was dat een machtig gezicht. Sommige rijen splitsten zich zodat het wortels leken in een grond. Haarvaatjes in een wang. De rijen werden zo lang dat de mensen achterin niet eens meer wisten waarom ze daar stonden. Overal ter wereld kon je aansluiten om pas na weken wachten en langzaam voortschuifelen erachter te komen dat je op weg was naar de gefrituurde tofu van JG.

Er zijn ook mensen die tofu tahoe noemen, maar daar ben ik niet zo voor. Tahoe klinkt als een geloof. En je kunt lang wachten of kort wachten, maar daar komt geheid ruzie van.


maandag 21 november 2016

Lepeldood

vandaag woon ik in een wastafel, waar ik met een oranje markeerstift
woorden op het porselein schrijf

als ik met mijn ogen knipper glijden ze naar het afvoerputje
er is zelden een woord dat niet door de gaatjes past

er zijn er die ik moet onderscheppen op straffe van eeuwige opsluiting      
gebaksdoos bijvoorbeeld

gebaksdoos is een woord als een grindtegel
konijnenpoffertje daarentegen glijdt zo fijn vanzelf 
langs het koude glazuur

sommige durf ik niet op te schrijven
woorden die mooi lijken maar waarachter je makkelijk blijft haken
zoals defibrilleerverpleegsters
meteorologische cholesteroluilen
lepeldood 



zondag 23 oktober 2016

De bromtollenfabrikant

Toen ik acht was speelde ik bromtol in een petticoat gemaakt van ijzerdraad en oude
panty’s. De schoolmeester van de vierde klas had sluik haar. Elke maandagochtend
na het psalm sloeg hij een jongen die Willem heette om zijn oren. Ook als hij niets deed.

Ik denk daaraan omdat ik op een opening ben waar een kunstenaarsechtpaar zingt
van drie naalden een hooiberg en een bromtollenfabrikant terwijl een man
met sluik haar mijn oor inkruipt en fluistert dat de poëzie van een ons beider bekende dichteres aanvoelt als een vol handtasje waarvan de sleutel zoek is.

Misschien bedoelt ie mij denk ik achter elkaar bedoelt ie mij. Ik vraag aan hem
of dat erg is maar mijn stem klinkt te schril en ik weet dat hij nu denkt dat ik zo’n
vrouw ben die al haar zinnen eindigt met ‘toch?’ terwijl zij aanstellerig door haar
pony strijkt. Voor de duidelijkheid, ik heb geen pony.

Ik vertel hem snel van de rode maandagoren, dat is een praktisch verhaal. Hij legt
een arm om mijn middel en vraagt naar mijn fantasieën. Ik zeg dat ik die niet heb,
waarop hij naar de bar loopt en een kroket in zijn mond propt.





zaterdag 17 september 2016

Het hoofd dat op een tuinslang danste

En terwijl on-Hollandse weermodellen manisch over de eerste septemberdagen vlogen was het hier weer spannend. Iemand in een ziekenhuis ver weg had na mijn zoveelste MRI dit jaar bedacht dat het myoom in mijn baarmoeder, dat maar groeit en groeit en groeit, tóch best kwaadaardig kon zijn. Nadat het eerder goedaardig was verklaard, maar ja, dat was meer dan een half jaar geleden, en in korte tijd, blablabla.

Het gezwel leek volgens een van mijn artsen op een hoofd en drukte op mijn bloedvaten. 'Stel je een tuinslang voor,' zei ze, 'zet de kraan wijdopen en ga erop staan. Dat gebeurt er in je buik als je staat of loopt.' Ik knikte, zo ging het precies. Al twee en een half jaar. Dus stond of liep ik niet veel meer. Het bloed stroomde al zo lang zo ijzerloos en traag door mijn aderen dat ik de tijd een beetje vergat, hier achter mijn raam. De wereld.

Soms verlangde ik naar een inwisselbaar uitzicht en heb zelfs overwogen er eentje uit te vinden, voor mensen die ook een gezwel in hun buik hadden met een bloedende tuinslang eronder, maar het hele plan bleef steken bij het prototype. Op de een of andere manier beviel die me zo erg dat de noodzaak van de verwisselbaarheid een beetje verviel.

Oncologen, radiologen, gynaecologen, allemaal lieve mensen en ik kende ze allemaal bij naam. Mijn telefoon ging 33 keer per dag. Zo sociaal was ik nooit. Als ik ’s nachts in bed alle gesprekken reproduceerde leek het alsof ze allemaal achterstevoren en in stukjes waren opgenomen. Zoals ik ooit in een gedicht schreef: ‘De duivel komt altijd in fragmenten’. Ik hoorde telkens mijn telefoon gaan. Ook als die niet ging. Of explosies in mijn hoofd, compleet met drukgolven, een oude handicap die besloten had terug te keren. Exploding Head Syndrome heet dat. Ik verzin het niet. Google maar op. Toen ik dat tegen een van de artsen zei stuurde deze een drugskoerier eropuit. Zodoende zag ik gistermiddag een vreemde meneer voor mijn deur staan met een petje op. Hij belde niet aan, keek eerst naar links, naar rechts en schoof daarna heel discreet een zak met een gele sticker erop door mijn voordeur. Heerlijk geslapen. Ik kan niet anders zeggen. Geen fragmenten, geen explosies. De wereld een lange uitgerekte lijn.

Het hoofd heeft inmiddels een diameter van 16,5 centimeter en groeit een centimeter per maand. Ik zie telkens een monstrueus geheel voor me, met afschrikwekkende ogen, monden en oren, maar iemand zei tegen mij dat dit een keuze was. Want ik kon natuurlijk ook gewoon denken dat het een heel mooi en lief hoofd was dat daar binnenin mij groeide. Een poppenhoofd.

Een week geleden kreeg ik het verlossende telefoontje. Het hoofd was waarschijnlijk toch goedaardig. Voor de zoveelste keer. Het zag er in ieder geval goed uit. Geen uitzaaiingsverschijnselen en al die enge shit. ‘U heeft een zeer schoon bekken’ zei de arts. Dat vond en vind ik zo mooi klinken. Soms spreek ik dat hardop uit en voel me helemaal zacht en fijn worden. ‘Toch,’ ging ze verder, ‘kunnen we pas helemaal zeker zijn na weefselonderzoek.’

Dus word ik aanstaande maandag geopereerd. Dan halen ze alles weg. Het hoofd en zijn buikhuis. Een hysterectomie heet dat. Ik weet nog niet wat ik daar van vind. Het klinkt nogal hysterisch. Ik weet alleen dat het moet. Ik ben een klein beetje bang, want zo’n ingreep is (in mijn specifieke geval) best risicovol, maar ondertussen ook opgelucht. Ik weet niet, ik heb aan één hoofd genoeg, denk ik. En ik word door een heel artsenelftal geopereerd, met interventieradiologen, gynaecologen, oncologen, allerlei allerhande assistenten, 33 zakken extra bloed en de aardige meneer van de ziekenhuispostkamer drukte mij op het hart dat hij tijdens de ingreep ook even een hoofd om de OK-deur zou steken. Dus dat komt allemaal goed. Het elftal heeft er in ieder geval het volste vertrouwen in.

Men verwacht dat over een half jaar mijn oude leven weer een aanvang zal nemen. Fietsen, wandelen, dansen op rare muziek zonder tuinslang en hoofd in een verder uitgestorven huiskamer om zeven uur ’s morgens, strakke jurkjes, heel veel strakke jurkjes met hoge hakken eronder. Op dat laatste verheug ik mij dus zeer. Jurkjes en hakken. Of gewoon, lekker ouderwets veel bloed hebben, met ijzer erin. Trappen op en af lopen zonder exploderende harten en hoofden.

Of ik verpleging nodig had, vroegen ze in het ziekenhuis, omdat ik alleen woon. Maar ik antwoordde dat meneer K mijn verpleger werd de komende weken. Meneer K is de beste verpleger die ik mij kan wensen. Als ik ziek of anderszins zielig ben borstelt hij minutenlang mijn haar in rustige lange slagen. Masseert mijn slapen of maakt grappen waar ik zo hard om moet lachen dat alle opgehoopte angstklonters uit mijn oren naar buiten schieten. Geregeld vind ik er eentje achter de boekenkast, in de mand van de kat.

Hij kan trouwens ook erg goed uitzichten tekenen. Al zal ik die straks niet meer nodig hebben.

Tekening Kees van der Knaap


zondag 26 juni 2016

Werelden uit elkaar laten vallen is makkelijk, ze bij elkaar houden is different koek (over Brexit en 9B potloden)

Vandaag ga ik op bezoek bij meneer K. Aangezien hij meestal aan het werk is, rijd ik naar zijn atelier. Het is er altijd licht en warm. Buiten, achter zijn hoge atelierramen woedt de wereld. Dat klinkt banaal, en dat is het ook.
In de auto, op weg naar Den Bosch duidt Geert Mak op radio 1 de Brexit. 'Het is een puist,' zegt hij, 'die open moest barsten.' Onomkeerbaar dus. Als een wetmatigheid. Ergens stelt me dat gerust. Wetmatige onomkeerbaarheid lijkt minder eng dan populistisch volkschagrijn, ook al zijn de effecten daarvan precies hetzelfde. It's all in the mind. 

Ondertussen donderen hagelstenen vuistgroot uit de lucht, slaan als granaten om me heen in en overstemmen Radio 1. We leven in een tijd dat het gevaar allang niet meer slechts om ons heen sluipt. Het komt nu ook van boven, in de vorm van klimaatsverandering. Het mooie is, we hebben het allemaal aan onszelf te danken. Geen boze dondergoden, gewoon eigen schuld dikke bult.

Vroeger, toen ik klein was en op zondag in de kerk zat, drukte ik tijdens de preek vaak ritmisch uit verveling mijn oren open-en-dicht. Datzelfde geluid komt nu, alleen scherper, vanaf mijn autodak. Poef, poef, poef. Zo moet het ongeveer klinken in de Chak Chak grot, de Zoroastrische tempel. Het verhaal wil dat een Sassasijnse prinses, die vluchtte voor de invasie van de Arabieren en geen water bij zich had, uit wanhoop een stok tegen de rots aan gooide. Sindsdien drupt er continue water uit het steen. Chak, chak, chak.

Goede gedachten, goede woorden, goede daden, sprak de profeet Zarathoestra (Zoroaster) 1200 jaar voor Christus vanuit de filosofie om tot het ‘goede’ te komen. Door jezelf te richten op je innerlijke goedheid volgen de woorden en daden immers vanzelf. Dat klinkt makkelijk, en misschien is dat het ook wel.

Bij aankomst in het atelier is het stil. Op meneer K na, die met een mesje in drie bewegingen zijn potloden scherp slijpt. Chak, chak, chak. 9B. Het zachtste potlood. Vóór hem een kistje met stompjes, achter hem ontstaat een lucht van vijf bij anderhalve meter. Hele werelden tovert hij bij elkaar, met diepzwarte grafiethanden. Handen die hij -uit voorzorg- ver bij me vandaan houdt als ik binnenkom en me tegen hem opkrul, mijn wangen, kin en mond verlangend in zijn hals begraaf. In warm kloppende halzen en getekende luchten kun je makkelijk verdwijnen. In werelden niet. Die vormen het keiharde frame voor alles wat bestaat, met randen waar je vanaf kunt vallen, grenzen om tegenaan te botsen. 

In werelden waar grote hoeveelheden luchten, wangen, kinnen en monden samenleven is denkelijk een bepaalde voorzichtigheid geboden. Bewustzijn. Inlevingsvermogen. Een eeuwig polderen misschien zelfs wel. Hoe saai dat ook is. Nooit gedacht trouwens dat ik dit nog eens zou zeggen. Maar misschien is er geen keuze. Van alle (in de grond) falende politieke systemen is democratie waarschijnlijk de meest te pruimen soort. Ondanks de traagheid, klonterigheid en de verdeeldheid die het soms veroorzaakt..

Terug naar Den Bosch, naar het atelier in de oude fabriek aan het water. Dag en nacht staat meneer K hier aan zijn werelden te werken. Als een boer op zijn akker, zoals hij het zelf zegt. Terwijl ik honderd kilometer verderop zit te schrijven. Ook dat stelt gerust. Onze werelden lijken op elkaar, als magnetische cirkels in cirkels die in-en-om elkaar heen draaien. Waarschijnlijk zoek je dat onbewust toch op, de vertrouwdheid van een thuiskomen in de ander of een omgeving, iets waar je, naarmate je ouder wordt, steeds meer naar gaat verlangen. Het is wat dat betreft niet zo gek dat de meeste Brexitstemmers ouderen zijn. Een groep die gedurende hun lange leven al zoveel verloren heeft. Op een dag is daar de rek uit. En dan wil je simpelweg terug naar hoe het was. Naar huis. Toen je nog iets van controle over je leven leek te hebben.

Als je wil dat mensen bij je blijven moet je goed voor ze zorgen. Ze redenen geven om te blijven. Dat geldt voor bedrijven, gezinnen, relaties, geloofsgemeenschappen, en ook voor Europa. Werelden uit elkaar laten vallen is makkelijk. Ze bij elkaar houden is different koek.


woensdag 8 juni 2016

Wat een tuin ziet als hij slaapt II

Een tuin ziet er in de nacht in principe hetzelfde uit als overdag. Misschien krullen de boomblaadjes zich bij de randen iets om als de schemer valt, sluiten de bloemkelken zich, maar daar heb je het wel mee gehad. Wat geworteld is blijft geworteld. Wat dood is dood. Toch, als ik ’s nachts het gordijn van mijn slaapkamerraam een stukje open schuif, moet ik mezelf moed inpraten omdat ik bijna niet verder durf te kijken. Daar beneden ligt mijn tuin, waar ik bij warm weer een boek lees, mijn kat Snoet afwisselend Herman, Stumper of Roeland noem, waar de druivenstruik zoekend om zich heen graait en lege bloempotten al een halve lente staan te wachten op vulling.

’s Nachts verandert die tuin in een voodoojungle, een heksenwalhalla. Want iedereen weet dat als de wereld zich keert, zich terugtrekt voor de slaap, dat dit het moment is dat de geesten komen. De onderwereld zich roert. Met zijn eigen wetten, waar ik soms de codes van meen te kennen, maar wat in werkelijkheid nooit het geval blijkt. Nou, misschien ken ik ze op dat specifieke moment wel, maar de nacht heeft er een handje van hem juist dán razendsnel te transformeren in een compleet andere codering. Die, na ontcijfering, op zijn beurt ook weer verandert. Noem je dat een onontkoombaarheid? Een ziekelijke speling van het lot? Hoe dan ook, het is beangstigend. Want ik hecht aan controle. Ik heb niets dan dat. Iedereen heeft niets dan dat. Niemand heeft iets anders dan dat. Of je moet een zenmeester op een berg zijn. Hoewel die volgens mij juist barsten van de controle, al is het op een meer heimelijke manier. Zij verstoppen het zwart in het wit. Zoals illusionisten doen. Met het juiste gebruik van licht en donker kun je iedereen foppen. Misschien zijn zenmeesters niets dan goede illusionisten. Alleen dan zonder weelderig haar, schaars geklede assistentes en windmachines. Maar ik dwaal af.

Ik ben dus bang voor mijn tuin in de nacht. En ik ben niet de enige. Laatst zat er een jong vogeltje in een boom achter mijn huis, duidelijk alleen en verlaten. Ergens overdag waren zijn ouders er nog geweest, had hij zijn vliegoefeningen gedaan onder hun wakend oog. Tot er een moment kwam dat ze eten gingen halen, en niet meer terugkwamen. Ongerust zag het vogeltje de dag in de nacht verdwijnen, en wist uiteindelijk: ik ben alleen. En piepte hij overdag nog wat klaaglijk voor zich uit, verongelijkt bijna, ’s nachts klonk het hard en paniekerig. Twee dagen en nachten zat hij daar. Toen werd het stil. Waarschijnlijk is hij dood uit zijn boom gelazerd, ik weet het niet. Heeft een kat er een einde aan gemaakt. Katten zijn goed in de nacht. Die snappen hem. Is de nacht eigenlijk mannelijk? Bestaat er een commissie van wijze mensen die geslachten koppelen aan woorden? Houden die ergens kantoor? Of verloopt dat proces organisch, zoals stenen slijten in een rivier. De een rond, de ander hoekig. Nu zie ik ineens het woord ‘auto’ op straat lopen, een beetje in elkaar gedoken, een gigantische piemel aan een touwtje om het dwarsstreepje van de ‘t’ gewikkeld, als een last waar hij vanaf wil. Of de zon. Slechts drie letters om mee rond te sjokken, maar altijd met die onafwendbare kut rond haar nek. Misschien voelen veel dingen in het leven daarom zo ‘onvrij’. Omdat het meeste vanaf het begin bepaald is. Geslacht, afkomst, IQ, talent. Hoe mannen en vrouwen zich tot elkaar verhouden. Die uitgesleten cirkels als tredmolens waar we allemaal als kreupele paarden in rondsjokken. Of klinkt dat te depressief. Te puberaal.

Mijn kat verandert ook door de nacht. Maar dan gunstig. Overdag is hij de grootste angsthaas op aarde, durft amper de tuin in en zit urenlang bevend voor het kattenluikje, moed te verzamelen. Als het donker wordt echter, stapt -ie doodgemoedereerd naar buiten. Schieten zijn laserogen door het struikgewas heen en sluipt hij met zijn buik door het gras. Niets kun je hem dan maken. Zodra het eerste lichtstreepje door de bladeren piept is het over met de pret. Verandert hij in een psychiatrisch patiënt en rent terug naar binnen. Vorig jaar was hij op zijn gekst. Kroop onder een kast en wilde er niet meer onder vandaan komen. De dierenarts zei door de telefoon dat ik Snoet die middag mocht komen brengen, dan zou hij hem ‘resetten’. Stumper kreeg een pil, stapte bij thuiskomst koelbloedig uit zijn reismand en verdween direct naar buiten. Klom op de schuur, een boom in, struinde door de buurt, kortom, deed wat normale katten doen. Misschien was hij het zelfs wel even. Roeland, de kat die hij van zichzelf nooit mocht zijn. Ik weet niet wat de dierenarts hem gegeven had. Kattencoke vermoed ik. Het was in ieder geval niet goedkoop. Vroeger betaalde je een geeltje voor een kwartje wit. Dit lag ongeveer in dezelfde orde. Maar dan omgerekend.

Ergens op internet las ik dat Jeroen Brouwers van mening is dat als je meer dan drie keer het woord ‘maar’ op één bladzijde gebruikt, je jezelf geen schrijver mag noemen. De eerste keer dat ik bij mijn voormalige uitgever (Atlas) werd ontboden kreeg ik een plastic tasje met boeken uit het fonds mee. Dat tasje was diezelfde ochtend, samen met zijn eigenaar, uit het huis van Jeroen Brouwers vertrokken en had de hele reis lang zijn nieuwste manuscript gedragen. Ik weet niet welke, we spreken over 2007, en ik ben geen Brouwerskenner. Jeroens tasje heeft jarenlang in mijn werkkamer gehangen. Nee, dat lieg ik, ik heb helemaal geen werkkamer. Ik schrijf al jaren gewoon op de bank met een laptop op schoot. Het tasje hing dan ook boven de bank. Met mijn eerste poëziemanuscript erin, dat later genomineerd werd voor de C.Buddingh’-prijs. Ik mocht graag denken dat het tasje geluk bracht. Op een dag ging ik de boel verbouwen en was het verdwenen.

Ik heb ook een periode gekend waarin ik van alles vond. Ruim twee jaar lang schreef ik wekelijks een column voor HP/DeTijd. Dit was tevens de tijd waarin ik regelmatig mails ontving van mensen die schreven dat ik ernstig ziek of lang en secuur gemarteld moest worden. Ik was op een gegeven moment zo druk met overal iets van vinden dat ik bijna niet meer aan ‘gewoon’ schrijven toekwam. Het vergt bepaalde kwaliteiten om opinies uit te dragen. Waarschijnlijk miste ik die. Opinies zijn ook zwaarder dan fantasieën. Qua soortelijk gewicht. En ze willen altijd bovenop liggen. Een dodelijke combinatie. Ik voelde me dan ook met de dag ongelukkiger worden. Tot mijn dochter een keer op licht cynische toon tegen mij zei: ‘Je hoeft niet altijd ergens iets van te vinden hoor, mam.’ Ergens ging een fel licht aan. Daarna lukte het niet goed meer. Het onderhouden van meningen. Elke keer als ik het probeerde zag ik dat halfspottende gezicht van mijn dochter weer voor me. Nu lag het op het laatst ook wel een beetje aan HP/DeTijd, hoor. In eerste instantie schreef ik vooral rare columns voor ze. Met dingen erin die niet konden bestaan. Ik had namelijk een redacteur die dat leuk vond. En mij de vrije hand gaf. Na een jaar of twee kwam er een ander. Aardige jongen hoor, geen kwaad woord, maar hij vond dat rare gedoe niks. Ik moest relevante stukjes schrijven, die ik dan eerst bij hem moest ‘pitchen’. Het probleem was, ik had nog nooit iets gepitcht. Ik ging gewoon zitten, keek uit het raam, dan naar mijn laptop, en bewoog mijn vingers over de toetsen. Vanzelf. Over onderwerpen dacht ik nooit na. Laat staan relevante.

Toch wilde ik het graag proberen. Elke week stuurde ik mijn pogingen op, die ik bijna altijd terugkreeg. Met kanttekeningen erbij. Dat het relevanter moest. Nog relevanter. Véél relevanter. Terwijl ik mijzelf al zo verschrikkelijk relevant vond. Dat was dus een misvatting. Ik bleek totaal relevantloos. Op een gegeven moment begon het in huis te ritselen, alsof er kevers in het behang woonden die aan het papier knaagden, heen en weer over de muren renden. De dag dat ik ophield met relevant proberen te zijn hield het geritsel ook op. Volgens mij zegt dat genoeg.

Niet relevante stukjes passen mij beter. Zoals ik dobberen in halfgare bootjes op een verlaten bergmeer leuker vind dan georganiseerde Moezelcruises met entertainment aan boord. Door gaten en kieren komt veel goeds. Slechts. In ieder geval onverwachts. En dan maar hozen.