zondag 25 februari 2018

Jimi Hendrix heeft een zoon en zijn naam is Brian Pittar


Sinds vannacht weet ik dat Jimi Hendrix een zoon heeft. Dit kwam zo:

Meneer K en ik lagen een beetje te kletsen in bed en kwamen te spreken over het fenomeen ‘rondneuken’ en hoeveel kinderen er op de wereld zouden rondlopen die daar het gevolg van waren. Zo wist Meneer K bijvoorbeeld met een jaloersmakende stelligheid te beweren dat Jimi Hendrix aardig wat buitenechtelijke kinderen moest hebben.

‘Hoe weet jij dat nou?’ vroeg ik. ‘Want als dat zo vanzelfsprekend was zouden er net zo goed kinderen van jou kunnen rondlopen. Wij hebben allebei periodes in ons leven gehad dat we maar wat hebben rondgeneukt, net zoals zoveel mensen van onze generatie.’

Nou, meneer K wist wel zeker dat dit niet het geval was. Hij had altijd opgelet.

‘Misschien lette Jimi Hendrix ook wel op,’antwoordde ik een beetje geagiteerd, een staat van zijn die voornamelijk werd veroorzaakt door het feit dat het idee van een rondneukende meneer K me nogal jaloers maakte.

‘Waarom zouden door god gezonden gitaarhelden niet opletten, en jij wel,’ging ik verder, ‘dat is toch niet logisch?’ Ondertussen deed ik mijn ogen dicht, trok de dekens over mijn hoofd en hoorde vanuit een mist ergens achterin mijn hoofd een stem aanzwellen die met een ouderwets aardappel-engels accent de volgende zin herhaalde: ‘Who knows Brian Pittar? Who knows Brian Pittar? Who knows Brian Pittar?’

Okay. 1-0. Uitgemaakte zaak. Meneer K had gelijk. Jimi Hendrix heeft een zoon waar niemand van weet en zijn naam is Brian Pittar. Ik kwam overeind en ging hem gelijk googelen.

‘Wat doe je,’vroeg meneer K, ik dacht dat je ging slapen?
‘Eerst de zoon van Jimi googelen,’antwoordde ik.
‘Huh? Net was het allemaal onzin en nu heeft ie ineens een kind. Een zóón nog wel.’
‘Jazeker,’antwoordde ik met een jaloersmakende stelligheid, ‘en zijn naam is Brian Pittar.’
‘Hoe weet jij dat nou?’
‘Dat is me net verteld. Door een Engelsman.’

Afijn, ik vond allerlei Pittars: Eugene, Jack, Molly, een hond, een kinderboekenheld, een Poolse spion, een ‘seks-offender uit Canton die eigenlijk niet telt vanwege een D achter zijn naam, en zo nog wat Pittar(d)’s van over de hele wereld. Welke zou de zoon van Jimi zijn? Ik zocht op afbeeldingen en probeerde gelijkenissen te vinden, zocht in facebookbio’s naar hobbies als ‘gitaarspelen, ‘ukelele’ desnoods, maar vond niets.

Ik besloot dat ik twee dingen kon doen. Hier werk van maken, Brian opsporen, hem het nieuws vertellen, of alles laten voor wat het was.

‘Wat zou Jimi doen?’ vroeg ik aan meneer K, maar die sliep al. Ik besloot hetzelfde te doen. Misschien zou de Engelse stem terugkomen en me in de uitgebouwde wereld van de slaap vertellen waar Brian woonde. Binnen twee minuten sliep ik. Ik droomde dat ik in de Ardennen getuige was van een moord. Twee mannen sleepten een dood lichaam met een houthakkersblouse door een bos, een derde groef een gat. Op datzelfde moment belde de Vlaamse politie. ‘Dat is snel!’riep ik verheugd. ‘Het is net gebeurd. Ik heb alles gezien!’

‘Geweldig!’antwoordde de politieagent. ‘Beethoven en Bach zijn al de hele middag zoek, en iedereen is er ziek van!’

‘Hebben we het wel over dezelfde zaak?’vroeg ik vertwijfeld, ‘Ik zag namelijk maar één dode, en die zag er niet uit als iemand die Beethoven of Bach heette.’

Binnen een minuut stonden tientallen Vlaamse journalisten op de deur van mijn vakantiewoning te bonzen. ‘Waar is Beethoven, waar is Bach?’ riepen ze boos.

Ik antwoordde dat ik dat niet wist. En dat ze beter Brian Pittar konden gaan zoeken. Dat was pas nieuws.

‘Who the hell is Brian Pittar,’ riep iedereen. ‘De zoon van Jimi Hendrix,’schreeuwde ik terug.
‘Wat kan ons Jimi Hendrix schelen’, riep iedereen boos. ‘Wij willen Beethoven en Bach, de lievelingskippen van het dorp, terug!’

Daarna werd ik wakker. Meneer K stond breeduit lachend naast mijn bed.

‘Wat sta jij nou dom te lachen,’vroeg ik chagrijnig.
‘Lullen!’antwoordde meneer K. ‘Dat betekent het volgens google. Pitt is Zweeds voor lul. Pittar is het meervoud. Koffie?’

vrijdag 16 februari 2018

Goed in krullen

Kapster op winkelplein: Je bent hier nieuw hè.
Ik: Ja. 
Kapster: Hoe kwam je zo bij ons?
Ik: Ik las dat jullie goed in krullen waren.
Kapster: Dat klopt. Wij zijn erg goed in krullen. Ik zie dat je uitgroei hebt?
Ik: Eh, ja.
Kapster: Ik ga je een tip geven.
Ik: Okay.
Kapster: Zwart staat je niet. Het maakt je hard. Ik zou, als ik jou was, en dit is geheel vrijblijvend hoor, mijn haar lichtbruin laten verven, zodat je zachter wordt in je gezicht.
Ik: Ik wil niet zacht worden in mijn gezicht.
Kapster: NIET???
Ik: Nee.
Kapster (enigszins verward): Eh, ja, dat is een keuze natuurlijk. Ja, dat kan.
Ik: Inderdaad.
Kapster: Maar dit zul je niet voor het eerst horen. Dat het je zo hard maakt. Ik bedoel, ik ben vast niet de eerste die dit zegt.
Ik: Eh, nou, eigenlijk wel.
Kapster: Oh? Daar kijk ik van op.
Ik: Tja.
Kapster: Ik ga je nog een tip geven.
Ik: Eeeh, nou, okay…
Kapster: Als je je haar net gewassen hebt pak je vijf grote klemmen, en die zet je tussen je haar terwijl je het droogt. Dan krijg je volume.
Ik: Maar ik heb al heel veel volume van mezelf.
Kapster: Dat klopt. Dat kan ik zien. Het is een flinke bos.
Ik: Dus die klemmen heb ik eigenlijk niet nodig.
Kapster: Nee, eigenlijk niet. Maar nogmaals, het is geheel vrijblijvend hè. Je eigen keuze. Waar koop je die verf?
Ik: Bij de toko. Het is natuurlijke verf.
Kapster: Natuurlijke verf bestaat niet.
Ik: Nee, misschien niet.
Kapster: ZEKER niet.
Ik: Okay.
Kapster (terwijl ze een droogkap tevoorschijn trekt, mijn hoofd erin duwt en het kreng op voluit zet): Zo, nu ga je op minivakantie. Wil je een boek?
Ik: WAT?
Kapster: Of je een BOEK wil tijdens je vakantie!
Ik: Wat heeft u?
Kapster: De Story of de Revu.
Ik: Eh, nee, laat maar, ik red me wel.
Kapster: Je gaat je vervelen hoor, het duurt wel even.
Ik: Ik verveel me niet zo snel.
Kapster: Mag ik u een tip geven?
Ik (vanonder mijn droogkap): Ik versta u niet!!!
Kapster (tijdens het uitlaten): Nou, misschien zie ik u nog eens terug.
Ik: Ja, misschien.

vrijdag 2 februari 2018

Dag, lieve aardige dichter


Sinds ik gisteren van Menno Wigman zijn dood hoorde, ben ik een beetje stil. Ik beschouw hem als een van de beste dichters van Nederland, en alles wat ie schreef vreet ik. Het is, voor mij persoonlijk althans, vooral de urgentie die uit zijn werk spreekt. Wat hij schreef moest daar gewoon zo staan, als een onontkomelijkheid. Er zijn er maar een paar die dat kunnen. Dat is een zeldzaamheid.

Daarnaast voel ik me ook een beetje radeloos over zijn dood, al had ik geen echt contact met hem. Ik sprak hem jaren geleden soms na een optreden en we hadden een korte mailwisseling toen ik in 2009 een tijdje in het Literarisches Colloquium Berlin bivakkeerde, een plek waar hij graag naartoe wilde en waar hij mij regelmatig over uithoorde. Hij wilde alles weten over het huis, de staf, de tijdelijke bewoners. Hoe de Wannsee stroomde daar (vlakbij het LCB) waar de schrijver, dichter von Kleist ooit zelfmoord pleegde.

Zijn grootste zorg was echter of je er mocht roken. En zo niet, hoe je er dan stiekem tóch kon roken. Kon ik rookmelders detecteren? Stonden er asbakken? Gisteravond zocht ik me te pletter naar die mailwisseling, maar geen spoor. Verschwunden.

Later, toen ik in een vervelend conflict met een uitgever terechtkwam bood hij mij zijn hulp aan. Niet uit beleefdheid, hij méénde het echt. Ik weet nog hoe fijn ik dat vond. Ik bedoel, hij had zich ook om kunnen draaien en denken, zoek het maar uit met je gedoe. 

Twee jaar geleden kwam ik hem voor het laatst irl tegen op de Nacht van de Poëzie. Ik had er net opgetreden en was bang dat ik het verkloot had. Ik keek hem aan, hij keek mij aan maar we zeiden allebei niks. Was het ongemak, had ie een hekel aan me gekregen, keek ik onbedoeld misschien boos of arrogant? Het heeft me altijd dwars gezeten en ik had het hem graag willen vragen, maar deed het nooit. Daar heb ik spijt van. Ik ga dat dus nooit meer weten.

Wat ik wel weet is dat ik alle gedichten ga missen die hij nog had kunnen schrijven. Ik vind het ook heel, heel erg dat de Nederlandse televisie gisteren over zijn dood zweeg. Wat dat betreft leven we in een cultureel en literair armzalig randdebielenland. Een van onze grootste dichters ging dood en er was niemand in dat schermpje die zich daar druk over maakte. 

Dag, lieve Menno, je was een geweldige dichter. Een aardige dichter ook vooral. Doe von Kleist de groeten. Ik vond het fijn dat je er was.