dinsdag 26 september 2017

Johanna Geels optimist bij EenVandaag

Vandaag was ik de optimist bij het NPO1 radioprogramma EenVandaag, nav een column over pijnpatienten die ik drie jaar geleden voor HPdeTijd schreef. Er is veel veranderd in de tussentijd, zo is het aantal chronische pijnpatienten bijvoorbeeld, door meer en beter onderzoek, verdriedubbeld. 

Ik ben zelf pijnpatient, mijn dochter is pijnpatient en 3 miljoen Nederlanders zijn het met ons. Dat is 18% van de bevolking! Voor al die helden steek ik vandaag nogmaals een kaarsje (lees: etherisch vuurtje) aan. O ja, en ik lees een gedicht voor natuurlijk.



vrijdag 22 september 2017

Mooi werk in museum Belvédère


Gisteren (21-9) brachten Kees (van der Knaap) en ik tekeningen naar museum Belvédère in Friesland, waar een selectie van zijn werk (tekeningen van Radio Kootwijk) binnenkort te zien zal zijn, en vielen middenin een drukbezochte kunstbeurs. Ik kocht een tekening van Henk krist, die mij aan 'De Eenzamen' van Munch deed denken en zag prachtig helduister werk van Alle Jong.

Kees zijn werk is te zien vanaf 27 september. De kunstbeurs duurt tot zondag 24 september. Het museum ligt prachtig midden in de natuur, dus dubbel prijs! 

Museum Belvédère
Oranje Nassaulaan 12
8448 MT, Heerenveen-Oranjewoud

Meer info: https://www.museumbelvedere.nl/
The Moor, Kees van der Knaap







Henk Krist, Back Home

Alle Jong





















woensdag 20 september 2017

Wat een tuin ziet als hij slaapt (deel III)


Ik heb misschien niet veel van de wereld gezien, maar de wereld in mijn achtertuin ken ik als geen ander. Ik ben in boomtoppen geklommen, door bladnerven gekropen, heb door hun sapbanen gesuisd en weet nu dat de wereld vanuit een beukenblad om twee uur ’s nachts zachter en meer gedempt klinkt dan vanuit een eikenblad. 

Ik hou van beuken. Ze zijn de koningen van het bos en zien er zo geil uit als het net geregend heeft. Die natte dikke stammen als glanzende pikken, dat zwoele geritsel van het tere blad als een minnaar die iets fijns in je oor fluistert alvorens hij je ongenadig te grazen gaat nemen.

Ik heb een tuin van niks. Vijf bij tien meter gevuld met wildgroei. Ooit heb ik er, in betere tijden, strakke funderingen aangelegd. Maar door de jaren heen zie ik hoe mijn tuin steeds meer uit zijn voegen kruipt. Het gazon inneemt, het terras, steeds dichterbij komt, en elke keer als hij de muren van mijn huis raakt hoor ik het ritselen in mijn slaap. Alsof iemand aan de binnenkant van mijn hoofd kriebelt. Dan pak ik de snoeischaar en knip de scheuten bij.

Ik heb een periode achter de rug waarin er aardig wat in mij is gehakt en gesneden. Dat moest, wilde ik blijven leven, maar ik haat de achtergebleven littekens, de roodpaarse strepen die als lianen over mijn buik lopen en nog altijd dik en pijnlijk zijn. De huid die na vier operaties nooit meer mooi strak, zacht en onschuldig verend zal worden. Het is de buik van een strijder, zegt mijn geliefde dan.

Mijn geliefde is als een beuk in het bos. Elke keer als ik hem zie trilt het vanbinnen een beetje. Dan wil ik zijn handen voelen, zijn zachte levende buik, zijn hitsige tong. Is ie echt? denk ik dan, echt helemaal voor mij alleen echt? Alsof ik het nooit helemaal durf te geloven. Dat laat ik nooit merken natuurlijk. Soms moeten dingen onbesproken blijven om ze te laten bestaan.

Laatst reden we door een dorpje waar ik vroeger gewoond heb. Ik vertelde mijn geliefde een verhaal dat ik al driehonderdduizend keer heb verteld. Hij zei dat ik het verhaal al driehonderdduizend keer had verteld. Ik zei dat echte liefde inhield dat je elkaar driehonderdduizend keer hetzelfde verhaal kon vertellen. Mijn geliefde keek me geamuseerd aan. ‘Is dat zo?’ vroeg hij. Al was het niet echt een vraag hoor, dat hoorde je duidelijk aan zijn stem. ‘Ja, dat is zo,’antwoordde ik bozig. ‘Wat is echte liefde volgens jou dan,’ vervolgde ik, nog steeds een beetje stuurs. ‘Echte liefde is een harde lul krijgen als je langs loopt,’ antwoordde hij.

Mijn geliefde is heel goed in het mijden van funderingen. Muren, poortjes, hekjes, hij ziet ze niet. Op andere dagen lijkt zijn wereld dan weer juist en alleen uit funderingen te bestaan. Houdt hij van reizen. Of heeft hij genoeg aan mijn achtertuin. Neemt hij alles serieus, of helemaal niks. Ik denk dat ik mede daarom zoveel van hem hou. Ik kan heel slecht tegen zeker weten. Zeker weten is de dood en alle oorlogen en gektes van de wereld tegelijk.

Mijn overgrootopa was dominee en professor hoogleraar in de theologie. Eerst bestudeerde hij jarenlang het geloof en daarna gaf hij er les in. Een paar minuten voor zijn dood echter ging hij ineens twijfelen en stierf vol gewetenswroeging. Ergens tussen het bestuderen, lesgeven en zijn dood in moet het dus mis zijn gegaan. Moet het geloven langzaamaan zijn overgegaan in een soort van zeker weten. En de pest met zeker weten is, het neemt alle ruimte in. Als het wegvalt heb je niets meer. 

Verder wil ik nog even zeggen dat ik slecht tegen ruzie kan. Dan ga ik trillen, zie ik alleen nog maar vlekken, hoor ik de aarde gonzen en moet ik weg. Daar ben ik ooit voor in therapie geweest, maar dat hielp geen zak. Tot ik een therapeut vond die zei dat ik mijn best niet meer hoefde te doen. En dat ik blij moest zijn met elke dag die ik redelijk normaal doorkwam. Vanaf dat moment zijn er al duizenden dagen prettig voorbij gegaan. Miljoenen seconden van turen, lopen, bouwen, slapen, zitten, beuken omarmen, knopen aan jasjes naaien, stukjes schrijven en vaasjes afstoffen.

Ik heb mezelf aangeleerd om tijdens ruzies aan nerven van beukenbladeren te denken. Weet je nog, zeg ik dan tegen mezelf, die middag in april, dat ik het meest zachte, verse en net uitgerolde blad ter wereld vond? Gewoon, achter de sering. En dat ik het streelde. Ineens iets nats voelde, omdat ik het kapot had gewreven, per ongeluk, tussen mijn vingers.



zondag 17 september 2017

De nacht dat Linda de Mol op mijn feestje kwam


Vannacht had ik een feestje. Linda de Mol kwam ook. Ik had een ronde tafel neergezet zodat niemand aan het hoofd zat. Ik zag dat Linda, na een afvalpoging eerder dit jaar, nog steeds slank was en eerlijk gezegd baalde ik daar een beetje van. Ik had stiekem gehoopt dat ze weer was aangekomen. Gewoon, omdat een Linda met een iets te hoge BMI voor mijn gevoel meer ‘van ons’ is.
Ik weet niet waarom maar ik was nogal gefascineerd door Linda’s haar. Waarschijnlijk staarde ik er te lang naar want op een gegeven moment draaide ze zich naar me toe en vroeg of er iets mee was. ‘Nee,’ stotterde ik, ‘nee, niets. Het is, het is, het is gewoon…’

Verder kwam ik niet en voor ik het wist ging mijn hand naar haar hoofd. Linda zette het op een krijsen. ‘Mijn haar!’gilde ze, ‘mijn haar!’ ‘Oh sorry, sorry,’ antwoordde ik, ‘ik wilde alleen maar voelen, ik vind het zo mooi. Mag dat?’ ‘Nee, natuurlijk mag dat niet!’gilde Linda. Haar hoofd was inmiddels blauwpaars aangelopen. ‘Sorry,’herhaalde ik, ‘ik wist het niet, ik leef in een wereld waarin je aan elkaars haar mag zitten.’

Ik legde mijn handen strak naast mijn bord en we deden alsof er niets gebeurd was. Linda kreeg haar normale kleur weer terug en we aten drie soepstengels en een stukje bleekselderij gestoofd in gegrilde Mexicaanse lowfat hamstervoetkussentjes.

Na het eten wilde ze mijn bibliotheek zien. Ik was ook verbaasd hoor, maar die scheen ik dus te hebben. Een prachtige ruimte was het, met hoge kasten en ladders en liften en bouwputten voor nieuwe stellingen en machines op ratelende rails die de boeken aanleverden en nog veel meer moois. Linda vroeg of er een boek van mij tussen zat. Ik knikte trots, jaha, nou en of, wel vijf, en wilde ernaartoe lopen maar op het moment dat ik bij de G van Geels aankwam zag ik dat alle boeken, en we spreken echt van duizenden hè, waren veranderd in de boeken van de Noorse schrijver Per Petterson. Linda slaakte een kreet van geluk. ‘Per! Mijn lievelingsschrijver!’

Verbaasd pakte ik een boek van Per uit de kast. En nog een, en nog een. Ze waren allemaal persoonlijk gesigneerd en voorzien van unieke spitsvondige boodschappen.

Godverdomme, dacht ik, die Per heeft het hem maar mooi geflikt. Ik weet bij die paar dichtbundels en één columnboek van mij al nooit wat ik voorin moet zetten. Nooit. Meestal zet ik er gewoon voor iedereen hetzelfde in. Ik raak helemaal in paniek in zo’n situatie. Dat moment waarop je in een roezemoezerige boekhandel een boek overhandigd krijgt, en dat de mensen je vol verwachting aankijken. ‘Het is dus voor mijn vrouw hè, die is ernstig ziek geweest. Ze zat op het randje. Daarna raakte ze verslaafd en in de Here. In die volgorde. Toen lazerde ze van een keukentrap. Tijdens het dieptebidden. Zo heet dat. Ik weet ook niet waarom. Achtdubbele beenbreuk. Ze kwam in een burnout terecht. Want het hele kampverleden van haar grootvader kwam terug. Ze telde alleen nog maar hamstertenen terwijl ze aan ronde tafel zat, zodat ze nooit aan het hoofd…, u weet wel. Dus, als u iets persoonlijks, een hart onder de riem…’

Ondertussen las Linda gelukzalig de voor haar persoonlijk gesigneerde boodschap. Er scheen licht door haar wangen heen. Of ik wist dat Per, naast geweldig schrijver, ook dichter was? Trots overhandigde ze mij het boek.

‘Voor Linda met de mooie haren,’ stond voorin geschreven. Daaronder een gedicht: ‘Netto gewicht’ heette het. Fel trok Linda het boek uit mijn handen. ‘Ik lees het wel even voor,’zei ze. ‘Dat is beter.’ Ze keek ineens heel serieus, alsof iemand ergens onder haar kin aan een touwtje had getrokken waardoor haar gezicht in de ‘voorleesstand’ was gesprongen. Oh godindehemel, dacht ik paniekerig, als ze maar niet gaat declameren. Ik haat declameren. Nou, misschien gaat het op zich nog wel, bij een gebruiksaanwijzing van een kruimeldief, The Dirt Gator IV bijvoorbeeld, maar niet bij poëzie. Declameren is de dood voor poëzie. Maar dat wist Linda allemaal niet. Die spande haar stembanden eens lekker aan, keek naar een verdwijnpunt in de verte en begon:

‘Het weegt niets meer. Dan dat het weegt.’ Hier stopte ze even, peilde mijn reactie en ging verder terwijl haar ogen ditmaal wild de grond afschuimden. ‘Het gáát waarschijnlijk minder wegen. Of hééft ooit meer gewogen. Maar nu… weegt het niets meer…. dan dat het weegt…..’

Die laatste zin klonk stemtechnisch zo laag dat ik bang was dat hij ter plekke de grond in zou zakken. Ik verwachtte meer, dus hield gehoorzaam mijn mond, maar dat had ik blijkbaar verkeerd ingeschat. Na vijf minuten begon ik me ongemakkelijk te voelen, iets waar Linda, die nog steeds gelukzalig naar de vloer staarde, overduidelijk geen last van had.

‘Mooi hè?’ zuchtte ze. Ik knikte. Ik zei maar niet dat ik twijfelde aan ‘dan dat het weegt’. Zou ‘dan het weegt’ niet mooier zijn geweest? Buiten dat was het natuurlijk een gedicht voor randdebielen.

Nu was het mijn beurt. Ik sloeg een willekeurige Petterson open en las: ‘Voor J’. Meer niet. Boos klapte ik het boek dicht en zei dat Per een oplichter was. Linda antwoordde met een serene glimlach om haar lippen dat Per slechts een spiegel van de ziel was. Ik bromde dat Linda meer hamstervoetkussentjes moest eten omdat er overduidelijk te weinig vet in haar hersencellen zat. Vet is goed voor de geleiding van neurotransmitters, ging ik verder. Dus je kunt wel leuk slank zijn en zo, maar voor je intelligentie doet het weinig goeds. Linda zei dat ik uit mijn nek lulde en dat ze naar huis wilde.


Bij de deur stonden we nog even zwijgend naast elkaar. Ondanks onze verschillen voelden we een band. ‘Een kosmische,’ zei Linda. Ik knikte. Ja, dat zou het zijn. Ze legde een hand op mijn schouder en bijna streelde ik haar blonde pony. Ze merkte mijn aarzeling op. ‘Ik wou dat ik ook in een wereld woonde waarin je aan elkaars haar mocht zitten,’zuchtte ze. ‘Het kan nog,’antwoordde ik, maar Linda en ik wisten allebei dat dit niet waar was.