zondag 17 september 2017

De nacht dat Linda de Mol op mijn feestje kwam


Vannacht had ik een feestje. Linda de Mol kwam ook. Ik had een ronde tafel neergezet zodat niemand aan het hoofd zat. Ik zag dat Linda, na een afvalpoging eerder dit jaar, nog steeds slank was en eerlijk gezegd baalde ik daar een beetje van. Ik had stiekem gehoopt dat ze weer was aangekomen. Gewoon, omdat een Linda met een iets te hoge BMI voor mijn gevoel meer ‘van ons’ is.
Ik weet niet waarom maar ik was nogal gefascineerd door Linda’s haar. Waarschijnlijk staarde ik er te lang naar want op een gegeven moment draaide ze zich naar me toe en vroeg of er iets mee was. ‘Nee,’ stotterde ik, ‘nee, niets. Het is, het is, het is gewoon…’

Verder kwam ik niet en voor ik het wist ging mijn hand naar haar hoofd. Linda zette het op een krijsen. ‘Mijn haar!’gilde ze, ‘mijn haar!’ ‘Oh sorry, sorry,’ antwoordde ik, ‘ik wilde alleen maar voelen, ik vind het zo mooi. Mag dat?’ ‘Nee, natuurlijk mag dat niet!’gilde Linda. Haar hoofd was inmiddels blauwpaars aangelopen. ‘Sorry,’herhaalde ik, ‘ik wist het niet, ik leef in een wereld waarin je aan elkaars haar mag zitten.’

Ik legde mijn handen strak naast mijn bord en we deden alsof er niets gebeurd was. Linda kreeg haar normale kleur weer terug en we aten drie soepstengels en een stukje bleekselderij gestoofd in gegrilde Mexicaanse lowfat hamstervoetkussentjes.

Na het eten wilde ze mijn bibliotheek zien. Ik was ook verbaasd hoor, maar die scheen ik dus te hebben. Een prachtige ruimte was het, met hoge kasten en ladders en liften en bouwputten voor nieuwe stellingen en machines op ratelende rails die de boeken aanleverden en nog veel meer moois. Linda vroeg of er een boek van mij tussen zat. Ik knikte trots, jaha, nou en of, wel vijf, en wilde ernaartoe lopen maar op het moment dat ik bij de G van Geels aankwam zag ik dat alle boeken, en we spreken echt van duizenden hè, waren veranderd in de boeken van de Noorse schrijver Per Petterson. Linda slaakte een kreet van geluk. ‘Per! Mijn lievelingsschrijver!’

Verbaasd pakte ik een boek van Per uit de kast. En nog een, en nog een. Ze waren allemaal persoonlijk gesigneerd en voorzien van unieke spitsvondige boodschappen.

Godverdomme, dacht ik, die Per heeft het hem maar mooi geflikt. Ik weet bij die paar dichtbundels en één columnboek van mij al nooit wat ik voorin moet zetten. Nooit. Meestal zet ik er gewoon voor iedereen hetzelfde in. Ik raak helemaal in paniek in zo’n situatie. Dat moment waarop je in een roezemoezerige boekhandel een boek overhandigd krijgt, en dat de mensen je vol verwachting aankijken. ‘Het is dus voor mijn vrouw hè, die is ernstig ziek geweest. Ze zat op het randje. Daarna raakte ze verslaafd en in de Here. In die volgorde. Toen lazerde ze van een keukentrap. Tijdens het dieptebidden. Zo heet dat. Ik weet ook niet waarom. Achtdubbele beenbreuk. Ze kwam in een burnout terecht. Want het hele kampverleden van haar grootvader kwam terug. Ze telde alleen nog maar hamstertenen terwijl ze aan ronde tafel zat, zodat ze nooit aan het hoofd…, u weet wel. Dus, als u iets persoonlijks, een hart onder de riem…’

Ondertussen las Linda gelukzalig de voor haar persoonlijk gesigneerde boodschap. Er scheen licht door haar wangen heen. Of ik wist dat Per, naast geweldig schrijver, ook dichter was? Trots overhandigde ze mij het boek.

‘Voor Linda met de mooie haren,’ stond voorin geschreven. Daaronder een gedicht: ‘Netto gewicht’ heette het. Fel trok Linda het boek uit mijn handen. ‘Ik lees het wel even voor,’zei ze. ‘Dat is beter.’ Ze keek ineens heel serieus, alsof iemand ergens onder haar kin aan een touwtje had getrokken waardoor haar gezicht in de ‘voorleesstand’ was gesprongen. Oh godindehemel, dacht ik paniekerig, als ze maar niet gaat declameren. Ik haat declameren. Nou, misschien gaat het op zich nog wel, bij een gebruiksaanwijzing van een kruimeldief, The Dirt Gator IV bijvoorbeeld, maar niet bij poëzie. Declameren is de dood voor poëzie. Maar dat wist Linda allemaal niet. Die spande haar stembanden eens lekker aan, keek naar een verdwijnpunt in de verte en begon:

‘Het weegt niets meer. Dan dat het weegt.’ Hier stopte ze even, peilde mijn reactie en ging verder terwijl haar ogen ditmaal wild de grond afschuimden. ‘Het gáát waarschijnlijk minder wegen. Of hééft ooit meer gewogen. Maar nu… weegt het niets meer…. dan dat het weegt…..’

Die laatste zin klonk stemtechnisch zo laag dat ik bang was dat hij ter plekke de grond in zou zakken. Ik verwachtte meer, dus hield gehoorzaam mijn mond, maar dat had ik blijkbaar verkeerd ingeschat. Na vijf minuten begon ik me ongemakkelijk te voelen, iets waar Linda, die nog steeds gelukzalig naar de vloer staarde, overduidelijk geen last van had.

‘Mooi hè?’ zuchtte ze. Ik knikte. Ik zei maar niet dat ik twijfelde aan ‘dan dat het weegt’. Zou ‘dan het weegt’ niet mooier zijn geweest? Buiten dat was het natuurlijk een gedicht voor randdebielen.

Nu was het mijn beurt. Ik sloeg een willekeurige Petterson open en las: ‘Voor J’. Meer niet. Boos klapte ik het boek dicht en zei dat Per een oplichter was. Linda antwoordde met een serene glimlach om haar lippen dat Per slechts een spiegel van de ziel was. Ik bromde dat Linda meer hamstervoetkussentjes moest eten omdat er overduidelijk te weinig vet in haar hersencellen zat. Vet is goed voor de geleiding van neurotransmitters, ging ik verder. Dus je kunt wel leuk slank zijn en zo, maar voor je intelligentie doet het weinig goeds. Linda zei dat ik uit mijn nek lulde en dat ze naar huis wilde.


Bij de deur stonden we nog even zwijgend naast elkaar. Ondanks onze verschillen voelden we een band. ‘Een kosmische,’ zei Linda. Ik knikte. Ja, dat zou het zijn. Ze legde een hand op mijn schouder en bijna streelde ik haar blonde pony. Ze merkte mijn aarzeling op. ‘Ik wou dat ik ook in een wereld woonde waarin je aan elkaars haar mocht zitten,’zuchtte ze. ‘Het kan nog,’antwoordde ik, maar Linda en ik wisten allebei dat dit niet waar was.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten