dinsdag 1 oktober 2013

Ongearticuleerd gorgelen

Aangezien mijn zoon ‘Losse opmerkingen’ van Ludwig Wittgenstein dubbel heeft staat er een exemplaar in mijn boekenkast. Hij hangt gemoedelijk tussen ‘De tarot in de herstelde orde’ en ‘Johanna de waanzinnige’ in. Omdat iedereen om mij heen zegt dat Wittgenstein onbegrijpelijk is voor normale mensen durf ik er niet aan te beginnen.
Ik ben dan wel op mijn veertiende reeds officieel knettergek verklaard en loop sindsdien als een folklore-indiaan in een zelfgeschapen en gesubsidieerd reservaat rond, toch houdt iets mij tegen.

Vanochtend echter trok ik hem ineens uit de kast alsof het een woordenboek betrof. Nonchalant, onderwijl aan andere dingen denkend. Ik sloeg het open met de flair van een toneelspeler en las:

Je moet nieuwe dingen zeggen en toch louter oude dingen. Je moet weliswaar alleen oude dingen zeggen – maar toch iets nieuws!
De verschillende ‘opvattingen’ moeten beantwoorden aan verschillende toepassingen.
Ook de dichter moet zich steeds afvragen: ‘is wat ik schrijf wel werkelijk waar?’ Wat niet moet betekenen: ‘Gebeurt het zo in werkelijkheid?’

De walnoot in mijn hoofd begon te kraken. Ik las de tekst over en over. Langzaam daalde het in. ‘is wat ik schrijf wel werkelijk waar?’ Nee, natuurlijk niet, ik verzin elke dag hele nieuwe werelden bij elkaar. Wat niet wil zeggen dat alles wat onder de letters broeit, in mijn beleving althans, niet ontegenzeggelijk waar is. Ook al gebeurt weinig of niets daar van in werkelijkheid.

Ik ben geen taalfilosoof en er valt vast veel meer over te zeggen maar ik vond het wel goed zo. Ik begon het trucje te begrijpen. Simpele dingen moeilijk opschrijven. Dit werd me vooral duidelijk op bladzijde 33 waar Wittgenstein zich verbaast over de dichter von Kleist die ooit schreef: ‘dat de dichter het liefst in staat zou willen zijn, de gedachten zelf zonder woorden over te brengen.’
‘Wat een eigenaardige bekentenis’ schrijft Wittgenstein daar tussen haakjes achter.

De walnoot in mijn hoofd brak. Há, dacht ik. Nu heb ik je, ouwe ijdeltuit. Daar zit het verschil. Een dichter zegt alles met bijna niets tenslotte. Een (goede) dichter weet dat je moet fluisteren tijdens lawinegevaar (meneer K zijn woorden hoor, niet de mijne), een (goede) dichter schmiert en zwelgt niet. Bolt niet op als Augustus Gloop van Roald Dahl, pronkt niet met gezwollen levertaal, nee, die wijst zwijgend met een bloedende vinger recht naar een woord op een bord en loopt vervolgens met de handen in de zakken sloffend weg, onverschillig voor het feit dat zijn broekzak langzaam rood kleurt.

Nou ja, ik zeg zo maar wat natuurlijk. Vanuit mijn kleine begrensde reservaat. En Wittgenstein maakte het gelukkig goed bij de eerste losse opmerking van het boek op bladzijde 9:

‘Wanneer we een Chinees horen spreken, zijn we geneigd te menen dat het een ongearticuleerd gorgelen is. Iemand die Chinees verstaat zal er de taal in herkennen. Zo kan ik vaak de mens in de mens niet herkennen.’

Ik las dit vertederd. Ook Wittgenstein was uiteindelijk gewoon een indiaan, in zijn eigen gecreëerde reservaat. Ik las verder maar de golven in mijn hoofd waren gaan liggen. De indiaan zat op een kei en keek door een gat in het hek. Als hij zijn ogen op een bepaalde manier dichtkneep werd het groter en groter.

Ik belde zoon. Trots. Dat ik Wittgenstein had gelezen. Er hier en daar zelfs iets van begrepen had. Oh, zei zoon, Losse opmerkingen, ja. Dat is zijn enige begrijpelijke boek, mam. Er staat ook veel onzin in, hoor.

Ik knikte. De oude indiaan stond op van zijn kei, slofte weg van het hek.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten