maandag 10 maart 2014

Kosmonauten, ochtendurine en oom Jung in een boot

Gisteravond had ik ineens ontiegelijke zin om een nieuwe familie te verzinnen, maar voor ik het wist dacht ik alweer aan kosmonauten in mijn tuin, de laatste goendroen en welke elektrische fiets het meest geschikt zou zijn voor mij mocht de oude het begeven. Die hééft het begeven, sprak een strenge stem in mij. O ja.

Toen ik het idee had opgevat een nieuwe familie te verzinnen, begon ik de oude gelijk te missen. Ik hoorde een koets aankomen en zag even later de gesoigneerde heer, die mijn vader moest worden, uitstappen. Hij leek een beetje op Freud. Hij had een broer bij zich, mijn oom dus. Nee, die leek niet op Jung. Dat zou al te voor de hand liggend zijn. Wacht, ik mag niet liegen. Het was Jung. De werkelijkheid is nu eenmaal vreemder dan je ooit bij elkaar kunt verzinnen. Oom Jung zwaaide hartelijk naar me. Johanna! Lang niet gezien! Mijn ogen vulden zich met tranen. Godverdomme, waar waren jullie al die tijd! En waar is mijn broer, mijn lang verloren gewaande broer? Vader en oom Jung keken me bezorgd aan. Hoezo, je hébt helemaal geen broer. Ja, jezus, toen had ik er gelijk geen zin meer in, stelletje spelbrekers.

Tellen 
Mijn dochter en haar vriendinnetje kwamen de kamer binnen en wilden met me rummikuppen. Ik had dat tien jaar en drie mannen terug voor het laatst gedaan. Niemand wist wat te doen. We besloten te beginnen met het tellen van de steentjes. Tellen is altijd goed. Stel, je zit op een boot. Op die boot zitten twee andere mensen. Jullie zijn op vakantie en moeten nog een week. Je irriteert je kapot aan die mensen. Het zijn dan ook hele irritante mensen. Ze zagen de hele dag door over Piet en Klaas en Jan die er tientallen tumoren en buitenechtelijke vrouwen op nahouden. Wat dan helpt is tellen. Zo kan ik nog dertig andere situaties verzinnen maar dat doe ik niet. Ik was aan de beurt. Ik moest 14 stenen pakken. Toen nog één en toen mocht ik twee beurten niets doen. Wie het snapt mag het zeggen.

Geluk
Eerder op de dag waren mijn dochter en ik in een winkel die ‘zolder’ heette. Daar kun je lang over nadenken maar dat deden we niet. Wij zijn heel goed in het accepteren van dingen. Bij ons thuis hangen slingers rustig een jaar of langer stof te vangen. Wij zijn ook types die een mosterdpotje als glas gebruiken zonder de moeite te nemen het mosterdetiket er af te weken. Kersensap, appelsap, ochtendurine, alles dobbert gemoedelijk jaar in jaar uit achter de Zaansche Molens. Terug naar de zolder. Wat wil je, vroeg ik. Iets met dieren, zei de dochter. Dus kochten wij een konijn met een kaars in zijn rug. Een pistool had ook gekund maar mijn dochter besloot dat we die voor mijn verjaardag moesten bewaren. Om oom Jung mee dood te schieten, riep ik verlekkerd, maar mijn dochter zei dat oom Jung niet bestond. En dat ze eindelijk wel eens een normale moeder wilde. En waar je die vandaan kon halen. Bij de N, riep ik opgewekt. Toen keek ze heel lang en treurig voor zich uit en kocht ik een armbandje voor haar waar ‘geluk’ op stond.


Geen opmerkingen:

Een reactie posten