vrijdag 20 mei 2016

Wat een tuin ziet als hij slaapt

Vorige week vond ik een oude foto van mezelf terug. Een jaar of twintig ben ik daar, en vloog van het ene avontuur in het andere. Inmiddels, achtentwintig jaar verder, zijn de dagen alweer zolang rustig. Zelfs de tuin houdt zich in. Misschien slaapt hij, zonder dat ik er van weet. Is de brom, die ik 's nachts hoor, zijn snurken. De wind, die in mijn slaap onder mijn nek door raast, zijn adem. Vol herinneringen van wolkenjachtkraaien, afnemende zon-en-maanuren, blokken naar beneden stortend vliegtuigijs. Gewoon, dingen die tuinen zien. 

Ooit trilde mijn bed een week lang elke nacht. Ik zocht op Google of anderen in mijn buurt dit ook hadden. Zocht op bodemwerkzaamheden, zonder resultaat. Kort daarna overleed mijn vader en knalden er een straat verderop gasleidingen onder de grond. Tegenwoordig trilt mijn bed nooit meer.

Ik zou graag kamperfoelie in mijn tuin willen. Kamperfoeliebloemen hebben, als je ze op hun kop houdt, iets weg van kwallen. Ze woekeren wel erg, dat is een probleem. Eigenlijk ben je je halve leven bezig met het bijhouden van dingen die woekeren. Misschien zelfs driekwart. Snoeien, knippen, zagen, elimineren, wegduwen, harsen, uitkiezen, epileren, het verloopt allemaal volgens eenzelfde principe. Eerst is er niets. Dan is er veel. Waarna het minder moet. Alles moet altijd minder. Minder aandacht (anders word je verwend), minder succes (anders word je blasé), minder genot (anders word je leeghoofdig en blind), minder okselhaar (okselhaar is vies) minder vluchtelingen (anders wordt het te vol). Natuurlijk zijn er ook bergen mensen die juist van alles meer willen, maar daar heb ik het nu niet over.

Grote groepen mensen roepen om minder vluchtelingen. Over minder oorlog hoor je ze nooit. Oorzaken zijn misschien minder populair dan gevolgen. Ik weet ook niet waarom. Waarschijnlijk vergen ze meer aandacht, en aandacht is tijd, tijd is geld, en geld is papier met een man of een gebouw erop. Het gekke is dat geld heel lekker ruikt, terwijl het vol coke, poepdeeltjes en andersoortige ellende zit.

Toen ik nog het meisje in de foto was gebruikte ik nogal eens coke. Geweldig vond ik dat. Dat je kop op commando open knalde, je de hele godverdomde wereld in het kommetje van je handen voelde vibreren, en dat je wist, als ik iets naar links buig, naar rechts, buigt de hele wereld mee. Die euforie duurde niet lang, hoor. Ik verveel me altijd snel met dingen, hoe geweldig ze in het begin ook lijken. Op een gegeven moment valt alles ten prooi aan een systeem. Dat is het punt waarop het saai wordt. En dan bedoel ik geen saaiheid zoals stiltesaai. Stilte is namelijk helemaal niet saai. Dat is retespannend. In stilte kan alles gebeuren. De vraag is wanneer, en hoe dient het zich aan. En dan zit jij daar, in een hoekje te wachten tot het gaat knetteren. De adrenaline die door je keel giert. Man!

Het is fijn om naar kwallen te kijken. Rustgevend. Die dansende rokken, zwierige tentakels. Sommigen geven licht. Bij oostenwind liggen de stranden vol met groene lichtgevende bollen. Machtig is dat. Mijn vader nam me vroeger als kind midden in de nacht nogal eens mee de duinen in, van Ameland. Daar liepen wilde paarden, met lichtgevende ogen die opgloeiden in het donker. Dat was eng, maar nooit eng genoeg. Banger was ik voor de spoken in mijn vaders hoofd, die soms zomaar door zijn mond naar buiten schoten. Dan moest je echt rennen. Gewetenloze, sadistische gekken waren dat. Gelukkig kent alles een systeem. Nou ja, de meeste dingen. Gekte in ieder geval wel. Er zijn voortekenen, triggers, er is een laaien en er is een luwen. Het is zaak goed op te letten. Daar ben ik nog steeds een meester in, in opletten. Niets ontgaat mij.

Sleep of reason
(Kees van der Knaap)
Als het opletten erger wordt, gaat de tuin harder brommen. Ook daar zit een systeem in. Het is iets met het kip en het ei. Ik weet nog niet wie eerder was. Ik of de tuin. Het opletten of het brommen. Je moet ook oppassen met opletten. Het houdt je wakker. En slapeloosheid ontregelt de hele biochemie. Als het te erg wordt bel ik meneer K voor het slapengaan. Die woont dan wel honderd kilometer verderop, maar dat zegt niks. Meneer K zit nachtenlang te tekenen, in zijn kamer, aan zijn tafel, onder zijn ufolamp. Dan zegt hij dat ik rustig kan gaan slapen terwijl hij de monsters onder zijn hoede neemt. Meestal nodigt hij ze gewoon uit in zijn kamer. Geeft ze allemaal een eigen stoel. Sommigen mogen model staan in een van zijn tekeningen. Monsters zijn in hun hart als de dood voor meneer K, dus dat werkt altijd. Ik denk dat dit komt omdat hij ook vriendelijk voor ze is. Niet alleen afkeurend. Ze zijn er gewoon, lijkt hij te denken, dus kun je maar beter een soort van omgangsregeling vinden. Ik leer dat ook steeds beter, maar het gaat langzaam. Ondertussen ga ik gewoon door met opletten. Dat zit ingebouwd. Hier, vanachter mijn oogramen, houd ik de hele wereld in de gaten. Terwijl mijn tuin slaapt. Bromt. Trilt.



1 opmerking: