woensdag 8 juni 2016

Wat een tuin ziet als hij slaapt II

Een tuin ziet er in de nacht in principe hetzelfde uit als overdag. Misschien krullen de boomblaadjes zich bij de randen iets om als de schemer valt, sluiten de bloemkelken zich, maar daar heb je het wel mee gehad. Wat geworteld is blijft geworteld. Wat dood is dood. Toch, als ik ’s nachts het gordijn van mijn slaapkamerraam een stukje open schuif, moet ik mezelf moed inpraten omdat ik bijna niet verder durf te kijken. Daar beneden ligt mijn tuin, waar ik bij warm weer een boek lees, mijn kat Snoet afwisselend Herman, Stumper of Roeland noem, waar de druivenstruik zoekend om zich heen graait en lege bloempotten al een halve lente staan te wachten op vulling.

’s Nachts verandert die tuin in een voodoojungle, een heksenwalhalla. Want iedereen weet dat als de wereld zich keert, zich terugtrekt voor de slaap, dat dit het moment is dat de geesten komen. De onderwereld zich roert. Met zijn eigen wetten, waar ik soms de codes van meen te kennen, maar wat in werkelijkheid nooit het geval blijkt. Nou, misschien ken ik ze op dat specifieke moment wel, maar de nacht heeft er een handje van hem juist dán razendsnel te transformeren in een compleet andere codering. Die, na ontcijfering, op zijn beurt ook weer verandert. Noem je dat een onontkoombaarheid? Een ziekelijke speling van het lot? Hoe dan ook, het is beangstigend. Want ik hecht aan controle. Ik heb niets dan dat. Iedereen heeft niets dan dat. Niemand heeft iets anders dan dat. Of je moet een zenmeester op een berg zijn. Hoewel die volgens mij juist barsten van de controle, al is het op een meer heimelijke manier. Zij verstoppen het zwart in het wit. Zoals illusionisten doen. Met het juiste gebruik van licht en donker kun je iedereen foppen. Misschien zijn zenmeesters niets dan goede illusionisten. Alleen dan zonder weelderig haar, schaars geklede assistentes en windmachines. Maar ik dwaal af.

Ik ben dus bang voor mijn tuin in de nacht. En ik ben niet de enige. Laatst zat er een jong vogeltje in een boom achter mijn huis, duidelijk alleen en verlaten. Ergens overdag waren zijn ouders er nog geweest, had hij zijn vliegoefeningen gedaan onder hun wakend oog. Tot er een moment kwam dat ze eten gingen halen, en niet meer terugkwamen. Ongerust zag het vogeltje de dag in de nacht verdwijnen, en wist uiteindelijk: ik ben alleen. En piepte hij overdag nog wat klaaglijk voor zich uit, verongelijkt bijna, ’s nachts klonk het hard en paniekerig. Twee dagen en nachten zat hij daar. Toen werd het stil. Waarschijnlijk is hij dood uit zijn boom gelazerd, ik weet het niet. Heeft een kat er een einde aan gemaakt. Katten zijn goed in de nacht. Die snappen hem. Is de nacht eigenlijk mannelijk? Bestaat er een commissie van wijze mensen die geslachten koppelen aan woorden? Houden die ergens kantoor? Of verloopt dat proces organisch, zoals stenen slijten in een rivier. De een rond, de ander hoekig. Nu zie ik ineens het woord ‘auto’ op straat lopen, een beetje in elkaar gedoken, een gigantische piemel aan een touwtje om het dwarsstreepje van de ‘t’ gewikkeld, als een last waar hij vanaf wil. Of de zon. Slechts drie letters om mee rond te sjokken, maar altijd met die onafwendbare kut rond haar nek. Misschien voelen veel dingen in het leven daarom zo ‘onvrij’. Omdat het meeste vanaf het begin bepaald is. Geslacht, afkomst, IQ, talent. Hoe mannen en vrouwen zich tot elkaar verhouden. Die uitgesleten cirkels als tredmolens waar we allemaal als kreupele paarden in rondsjokken. Of klinkt dat te depressief. Te puberaal.

Mijn kat verandert ook door de nacht. Maar dan gunstig. Overdag is hij de grootste angsthaas op aarde, durft amper de tuin in en zit urenlang bevend voor het kattenluikje, moed te verzamelen. Als het donker wordt echter, stapt -ie doodgemoedereerd naar buiten. Schieten zijn laserogen door het struikgewas heen en sluipt hij met zijn buik door het gras. Niets kun je hem dan maken. Zodra het eerste lichtstreepje door de bladeren piept is het over met de pret. Verandert hij in een psychiatrisch patiënt en rent terug naar binnen. Vorig jaar was hij op zijn gekst. Kroop onder een kast en wilde er niet meer onder vandaan komen. De dierenarts zei door de telefoon dat ik Snoet die middag mocht komen brengen, dan zou hij hem ‘resetten’. Stumper kreeg een pil, stapte bij thuiskomst koelbloedig uit zijn reismand en verdween direct naar buiten. Klom op de schuur, een boom in, struinde door de buurt, kortom, deed wat normale katten doen. Misschien was hij het zelfs wel even. Roeland, de kat die hij van zichzelf nooit mocht zijn. Ik weet niet wat de dierenarts hem gegeven had. Kattencoke vermoed ik. Het was in ieder geval niet goedkoop. Vroeger betaalde je een geeltje voor een kwartje wit. Dit lag ongeveer in dezelfde orde. Maar dan omgerekend.

Ergens op internet las ik dat Jeroen Brouwers van mening is dat als je meer dan drie keer het woord ‘maar’ op één bladzijde gebruikt, je jezelf geen schrijver mag noemen. De eerste keer dat ik bij mijn voormalige uitgever (Atlas) werd ontboden kreeg ik een plastic tasje met boeken uit het fonds mee. Dat tasje was diezelfde ochtend, samen met zijn eigenaar, uit het huis van Jeroen Brouwers vertrokken en had de hele reis lang zijn nieuwste manuscript gedragen. Ik weet niet welke, we spreken over 2007, en ik ben geen Brouwerskenner. Jeroens tasje heeft jarenlang in mijn werkkamer gehangen. Nee, dat lieg ik, ik heb helemaal geen werkkamer. Ik schrijf al jaren gewoon op de bank met een laptop op schoot. Het tasje hing dan ook boven de bank. Met mijn eerste poëziemanuscript erin, dat later genomineerd werd voor de C.Buddingh’-prijs. Ik mocht graag denken dat het tasje geluk bracht. Op een dag ging ik de boel verbouwen en was het verdwenen.

Ik heb ook een periode gekend waarin ik van alles vond. Ruim twee jaar lang schreef ik wekelijks een column voor HP/DeTijd. Dit was tevens de tijd waarin ik regelmatig mails ontving van mensen die schreven dat ik ernstig ziek of lang en secuur gemarteld moest worden. Ik was op een gegeven moment zo druk met overal iets van vinden dat ik bijna niet meer aan ‘gewoon’ schrijven toekwam. Het vergt bepaalde kwaliteiten om opinies uit te dragen. Waarschijnlijk miste ik die. Opinies zijn ook zwaarder dan fantasieën. Qua soortelijk gewicht. En ze willen altijd bovenop liggen. Een dodelijke combinatie. Ik voelde me dan ook met de dag ongelukkiger worden. Tot mijn dochter een keer op licht cynische toon tegen mij zei: ‘Je hoeft niet altijd ergens iets van te vinden hoor, mam.’ Ergens ging een fel licht aan. Daarna lukte het niet goed meer. Het onderhouden van meningen. Elke keer als ik het probeerde zag ik dat halfspottende gezicht van mijn dochter weer voor me. Nu lag het op het laatst ook wel een beetje aan HP/DeTijd, hoor. In eerste instantie schreef ik vooral rare columns voor ze. Met dingen erin die niet konden bestaan. Ik had namelijk een redacteur die dat leuk vond. En mij de vrije hand gaf. Na een jaar of twee kwam er een ander. Aardige jongen hoor, geen kwaad woord, maar hij vond dat rare gedoe niks. Ik moest relevante stukjes schrijven, die ik dan eerst bij hem moest ‘pitchen’. Het probleem was, ik had nog nooit iets gepitcht. Ik ging gewoon zitten, keek uit het raam, dan naar mijn laptop, en bewoog mijn vingers over de toetsen. Vanzelf. Over onderwerpen dacht ik nooit na. Laat staan relevante.

Toch wilde ik het graag proberen. Elke week stuurde ik mijn pogingen op, die ik bijna altijd terugkreeg. Met kanttekeningen erbij. Dat het relevanter moest. Nog relevanter. Véél relevanter. Terwijl ik mijzelf al zo verschrikkelijk relevant vond. Dat was dus een misvatting. Ik bleek totaal relevantloos. Op een gegeven moment begon het in huis te ritselen, alsof er kevers in het behang woonden die aan het papier knaagden, heen en weer over de muren renden. De dag dat ik ophield met relevant proberen te zijn hield het geritsel ook op. Volgens mij zegt dat genoeg.

Niet relevante stukjes passen mij beter. Zoals ik dobberen in halfgare bootjes op een verlaten bergmeer leuker vind dan georganiseerde Moezelcruises met entertainment aan boord. Door gaten en kieren komt veel goeds. Slechts. In ieder geval onverwachts. En dan maar hozen.


Geen opmerkingen:

Een reactie posten