dinsdag 10 april 2018

De mosselmannen


Ik zou kunnen vertellen over de nare gevolgen van overmatig gebruik. Of hoe het kon gebeuren dat vijfendertig mensen onlangs tijdens een voetbalwedstrijd in Duitsland tegelijk door de bliksem werden geraakt. En dat ik tijdens het lezen van dat nieuws dacht dat God eigenlijk de grootste terrorist op aarde was. 

Over de mannen in mijn leven, die uiteindelijk bijna allemaal vreemd gingen, en dat ik soms geneigd ben te denken dat dit aan mij ligt. De wereldklok die exact tien centimeter van het midden op mijn schuurdak staat en elke milliseconde opnieuw onvermoeibaar jouw en mijn plaats in het universum berekend. Een zoemend geluid afgeeft die alleen wordt waargenomen door dieren en kinderen. Waarom grote mannen op kleine BMX fietsen in het bos op zondagochtend altijd zo eenzaam lijken. Maar misschien kan ik beter vertellen over de dag dat de moezelmannen kwamen.

Die moezelmannen waren natuurlijk gewoon mosselmannen. Zoals in het liedje. Gele plastic pakken droegen ze, met bruine strepen als hommels. Ze roken naar het strand bij Sassnitz, die grauwe Duitse strook langs de Oostzee waar campers met bejaarden hun laatste dagen tellen op houten telramen die ze voor hun polycarbonaat-plexiglazen ramen zetten. Die bejaarden zie je verder niet, ze zitten binnen en doen bejaardendingen. Rummicubben, patiencen, elkaar kapot irriteren, wachten op wie het eerste doodgaat, weet ik het. Ze ruiken naar gekookte aardappelen, een geur die in een vaste straal van honderd meter om hun camper heenhangt. Neem die geur in gedachten, vermeng hem met de zoutvissige lucht van die smoezelige zandstrook langs de Oostzee en je hebt iets dat in de buurt komt van wat ik bedoel. Van hoe de moezelmannen roken.

Ze belden aan en ik deed open. Stom natuurlijk, maar het is gebeurd. Ze kwamen een voor een binnen, veegden hun voeten in hetzelfde ritme, lieten ongezien DNA achter en deden het zodoende voorkomen alsof het nette moezelmannen waren. Wat achteraf gezien belachelijk was, maar ja. Ze liepen niet eens de kamer binnen of gingen netjes in de gang staan wachten, zoals normale mensen doen als ze ergens voor het eerst op visite komen, maar stampten gelijk de trap op naar boven. Naar de badkamer. Deden daar al hun kleren uit, gooiden ze woest van zich af en riepen dat ik hun van dode mosselenlucht doortrokken boeltje moest wassen. Incluis moezelsokken. En snel een beetje. Tijdens het uittrekken van hun kleren vielen er tientallen mosselen op de grond. Ze leken uit alle zakken, naden en zomen te komen. Het gaf een tikkend geluid. Licht en helder. Ik wist niet wat te doen. Mijn hele badkamer was gevuld met mannen en mosselen. Die laatsten lagen overal, als venijnige visjes. Sommigen nog dicht, maar de meesten wijdopen, schijnbaar naar adem happend. De mosselmannen hadden bleekwitte lijven die er gehavend uitzagen. Alsof ze elke nacht naakt tussen de mossels sliepen. Eentje vroeg of ik zijn vrouw wilde worden, maar de rest lachtte hem uit. Ik was toch onvoldoende toegerust voor zo’n bestaan, dat zag hij toch verdomme zelf ook wel. Keek hij wel goed uit zijn doppen, miljaar! Want als hij dat gedaan had, zou hij gezien hebben dat mijn handen veel te poezelig en broos waren. Een losse zak botjes, riepen ze. Totaal ongeschikt voor het breken van harde scherpe schalen, de wil van de mossel. ‘Kun je noten kraken?’ schreeuwde er een ballorig. Ik schudde mijn hoofd, nee, in noten kraken was ik nooit bijzonder goed. Hazelnoten ging nog wel, maar paranoten bijvoorbeeld gaven veel problemen.

De mosselmannen hadden grote voeten. Waarschijnlijk om stevig mee op de bodem van de zee te staan, of om de branding mee te trotseren, het zuigen der muien, het golfrazen. Ik vroeg of ze ook mossels op de Oostzee vingen maar de mannen lachten me uit. De Oostzee, daar wilden ze nog niet dood gevonden worden. Eentje ging omstandig uitleggen hoe de camperbejaarden daar roken maar ik wimpelde hem af. Oud nieuws. Het zag er ondertussen niet naar uit dat de moezelmannen hun vuile kleren weer gingen aantrekken dus gooide ik ze maar in de was, zette de klok op zestig graden en smeet er een halve fles Ocean Lavendel bij. Lavendel groeit natuurlijk helemaal niet in de ocean, maar in zo’n afgesloten kunststof flessenwereld kan alles.

Ik was eens op een eindexamententoonstelling van de Rietveld academie. Een van de geslaagden had een kleine kamer ingericht met wel twintig koffiezetapparaten erin. De junizon vloog manisch tegen de ramen op en het was er niet te harden, zo heet. Dit kwam ook door de koffiezetapparaten, die continue aanstonden. Daar was op zichzelf natuurlijk niet zoveel kunstigs aan. Daar moest iets bij. Iets vreemds, liefst. Vies. Zodoende had de kustenaar in plaats van water, urine in de koffiezetapparatenreservoirs gedaan. De urine circuleerde daar dag en nacht doorheen. In combinatie met de hitte gaf dat een stank die dodelijk hard in je gezicht klapte wanneer je de ruimte binnenkwam. Van Lavendel Ocean had de kunstenaar overduidelijk nooit gehoord.

Een beetje was duurt minstens anderhalf uur. Wat moest ik met de mannen aanvangen in al die tijd? Ik had ze nog niet geteld, maar het waren er veel, en ik wilde ze niet met hun ongewassen mosselkonten beneden op mijn nieuwe bankstel hebben. De was draaide en zoemde gezellig. Het viel me op hoe snel je went aan stinkende naakte mosselmannen in je badkamer. Ik was ook helemaal niet bang dat ze ongepaste dingen met me wilden doen. Zo keken ze niet uit hun ogen. Daarbij bungelden hun mosselgeslachten vrij slap onder hun buik, daar stak weinig gevaar in. Ik ben ook zelden bang voor mannen, dat scheelt misschien. Ik kan behoorlijk stoere verhalen vertellen over mannen en heikele situaties, met mijzelf in een glansrol. Over die keer dat ik beschoten werd in een kraakpand, bijvoorbeeld, de kogel vlak langs mijn oor fluitte en ik doodkalm bleef zitten. Of dat ik in een trein vol dolgedraaide voetbalsupporters belandde die zwaaiend met losgetrokken treinmeubilair boven hun hoofden op me afstormden, en dat ik rustig bleef zitten, een jointje draaide, vroeg of ze een hijsje wilden. Waarna ze lamgeslagen van verbazing om me heen gingen zitten, zoet luisterend naar verhalen die ik ter plekke verzon. Mannen zijn over het algemeen sukkels. Goedaardige sukkels, maar sukkels. Makkelijk om de tuin te leiden ook. Misschien gaan ze daarom altijd vreemd bij mij. Omdat ik mijzelf uiteindelijk toch net even iets slimmer, leuker en stoerder vind. Waarschijnlijk straal ik dat uit. En dat is voor mannen ook niet leuk natuurlijk. Met meneer K heb ik dat overigens allemaal niet. Dat vind ik zelf ook raar. Misschien komt het omdat ik, elke keer als ik denk te weten hoe hij in elkaar zit, ik mezelf weer terug bij Start vind.

Meneer K zegt altijd tegen mij, dat als ik ooit alleen kom te staan, en een man wil, ik er eentje moet zoeken met een akker. In zijn optiek is een man met een akker een goede man. Voor mij althans. Een man die iets maakt met zijn handen. Dus geen muzikant of schrijver. Dat zijn over het algemeen labiele aanstellers die immer op zoek zijn naar publiek en groupies. Bevestiging. Zoals ikzelf. Nee, een meubelmaker of zoiets. Zo eentje die met zijn voeten stevig op zijn zandgrond staat. De eenzaamheid ervan kent en daar niet bang voor is. Zodat ik ondertussen lekker op mijn eigen akker kan rondknooien, zonder angst te hoeven hebben dat, als ik even niet oplet, hij er gelijk met een ander vandoor gaat. Akkermannen zijn de meest betrouwbare mannen. En niet al te gecompliceerd. Zo zetten ze rustig een strooien  vogelverschrikker in hun veld om de vogels af te schrikken. Hangen er zilverpapiertjes in. Terwijl dat dus nooit helpt. Nooit.

De mosselmannen wachtten netjes in de badkamer tot de was klaar en droog was. Legden ondertussen een kaartje, repareerden mijn lekkende kraan en trokken een pruik uit een zwanenhals. Hun natte mossellijven droogden op en daardoor veranderde ook hun geur. Of ik begon eraan te wennen, dat kan ook. Het rook in ieder geval best plezierig. Daarna kleedden ze zich weer aan en vertrokken. Een minuut later hoorde ik nog flarden van mosselliederen boven de straten zwemen. De lege mosselen hadden ze achtergelaten. Her en der lagen ze verspreid. Op de trap, de overloop, in de douchecel. Soms vind ik er nog wel eens eentje als ik gehaast de trap op ren. Ze steken gemeen in mijn voeten.




Geen opmerkingen:

Een reactie posten