maandag 26 september 2016

Vreemdere dingen en post-operationeel geluk (in een hipsterbroodje)


Hoe het verder ging. Een week en een uur later. 
Nou. Het goede nieuws is dat de operatie geslaagd is. Het monster overwonnen. En dat ik nu zes weken lang vanaf mijn lazy daybed voor het raam de wereld opnieuw kan gaan uitvinden. Dat ik alweer 66 boeken en bundels in de lucht heb zien verschijnen (eentje kwam in de vorm van een oude man met een olifantenoog, ik weet nog niet wat dit wil zeggen), en dat het deze week eindelijk herfstig wordt, want het raam en ik hebben zin in herfst.

Het goede nieuws is ook dat ik wonderwel snel herstel. Nieuwe wonden genezen blijkbaar makkelijker dan oude. Dat klinkt (naast pretty corny) hoopgevend en deprimerend tegelijk, maar aangezien hoopgevend een mooier woord is, met zijn fijne bolle buik-ootjes en die voorzichtig opgewekte huppel in de eerste e, in tegenstelling tot het beetje drammerig klinkende deee-pri-meeee-rend kies ik uiteraard voor die eerste.

Er is dus eigenlijk geen slecht nieuws. Voor het eerst sinds tijden gewoon helemaal niet. Alles ligt open. Werelden, kansen, plannen, levens. Er zijn slechts nog wat kleine praktische zorgen. Hoe ik het laatste hoofdstuk van Berichten uit het Radiodorp moet afmaken bijvoorbeeld. Ik sta (lig) te popelen om die laatste 5000 woorden eruit te knallen maar mijn goeie ouwe schrijflaptop is veel te groot en te zwaar voor mijn gehavende buik om mee te werken. Hij kijkt me de hele dag verlangend aan, maar ik kan hem niet oppakken, want op een schoteltje van biscuitporselein, zakdoekje of heel klein diertje na kan ik niks tillen. Voorlopig.

Dit begint op een dagboek te lijken hè? Misschien moet ik daar een ding van maken. Ik doe meestal maar wat. Begin wat, eindig wat, soms halverwege, soms in een midden, soms helemaal niet. Misschien moet ik mij gaan oefenen in concreetheid. Koppen en staarten. Dingen namen geven. Mensen willen kant en klare concepten. Ingelijst. Die je neer kunt zetten. Mij kun je slecht ergens neerzetten. Of ik loop weg. Of ik val om. Misschien moet ik daar aan gaan werken. Want wil het ooit nog eens wat worden tussen die literaire carriere en mijzelve zal ik toch ergens in moeten gaan passen. Anders wordt het niks.

Afgelopen weekend zorgde mijn dochter voor mij. Maakte hipsterbroodjes (doe een stok in een broodje en hij smaakt 10x lekkerder) en samen seriebingeden wij het hele seizoen van Stranger Things weg. Puur geluk. Vanmiddag komt meneer K haar weer afwisselen. Dat is ook raar. Ik ben nooit meer alleen.( En vind dat stiekem nogal gezellig.)

O ja. Konijn was ook mee in het ziekenhuis. En vond het er  verschrikkelijk. Er lag namelijk een oude dementerende vrouw naast ons die de hele nacht schreeuwde, haar bed probeerde uit te klimmen, spuugde naar verpleegsters, krabde en hijgde. Dat was wel even een dingetje. Daar zijn konijn en ik nog niet klaar mee.

Eigenlijk moeten wij daar samen ooit een heel eng verhaal over gaan schrijven. Als ik weer bij mijn laptop kan. Misschien moet ik een cursus telekinese gaan doen. Zoals dat meisje in Stranger Things. Ik ben al aan het oefenen. In het ziekenhuis bijvoorbeeld ging in de verpleegsterscontrolekamer telkens mijn alarm af. Ook als ik niet belde. Als ze tijdens hun ronde langs mijn deur kwamen lichtte ook daar het lampje naast mijn naam geregeld op. Ze zeiden dat het bij mij spookte. En dat was ook zo.


zaterdag 17 september 2016

Het hoofd dat op een tuinslang danste

En terwijl on-Hollandse weermodellen manisch over de eerste septemberdagen vlogen was het hier weer spannend. Iemand in een ziekenhuis ver weg had na mijn zoveelste MRI dit jaar bedacht dat het myoom in mijn baarmoeder, dat maar groeit en groeit en groeit, tóch best kwaadaardig kon zijn. Nadat het eerder goedaardig was verklaard, maar ja, dat was meer dan een half jaar geleden, en in korte tijd, blablabla.

Het gezwel leek volgens een van mijn artsen op een hoofd en drukte op mijn bloedvaten. 'Stel je een tuinslang voor,' zei ze, 'zet de kraan wijdopen en ga erop staan. Dat gebeurt er in je buik als je staat of loopt.' Ik knikte, zo ging het precies. Al twee en een half jaar. Dus stond of liep ik niet veel meer. Het bloed stroomde al zo lang zo ijzerloos en traag door mijn aderen dat ik de tijd een beetje vergat, hier achter mijn raam. De wereld.

Soms verlangde ik naar een inwisselbaar uitzicht en heb zelfs overwogen er eentje uit te vinden, voor mensen die ook een gezwel in hun buik hadden met een bloedende tuinslang eronder, maar het hele plan bleef steken bij het prototype. Op de een of andere manier beviel die me zo erg dat de noodzaak van de verwisselbaarheid een beetje verviel.

Oncologen, radiologen, gynaecologen, allemaal lieve mensen en ik kende ze allemaal bij naam. Mijn telefoon ging 33 keer per dag. Zo sociaal was ik nooit. Als ik ’s nachts in bed alle gesprekken reproduceerde leek het alsof ze allemaal achterstevoren en in stukjes waren opgenomen. Zoals ik ooit in een gedicht schreef: ‘De duivel komt altijd in fragmenten’. Ik hoorde telkens mijn telefoon gaan. Ook als die niet ging. Of explosies in mijn hoofd, compleet met drukgolven, een oude handicap die besloten had terug te keren. Exploding Head Syndrome heet dat. Ik verzin het niet. Google maar op. Toen ik dat tegen een van de artsen zei stuurde deze een drugskoerier eropuit. Zodoende zag ik gistermiddag een vreemde meneer voor mijn deur staan met een petje op. Hij belde niet aan, keek eerst naar links, naar rechts en schoof daarna heel discreet een zak met een gele sticker erop door mijn voordeur. Heerlijk geslapen. Ik kan niet anders zeggen. Geen fragmenten, geen explosies. De wereld een lange uitgerekte lijn.

Het hoofd heeft inmiddels een diameter van 16,5 centimeter en groeit een centimeter per maand. Ik zie telkens een monstrueus geheel voor me, met afschrikwekkende ogen, monden en oren, maar iemand zei tegen mij dat dit een keuze was. Want ik kon natuurlijk ook gewoon denken dat het een heel mooi en lief hoofd was dat daar binnenin mij groeide. Een poppenhoofd.

Een week geleden kreeg ik het verlossende telefoontje. Het hoofd was waarschijnlijk toch goedaardig. Voor de zoveelste keer. Het zag er in ieder geval goed uit. Geen uitzaaiingsverschijnselen en al die enge shit. ‘U heeft een zeer schoon bekken’ zei de arts. Dat vond en vind ik zo mooi klinken. Soms spreek ik dat hardop uit en voel me helemaal zacht en fijn worden. ‘Toch,’ ging ze verder, ‘kunnen we pas helemaal zeker zijn na weefselonderzoek.’

Dus word ik aanstaande maandag geopereerd. Dan halen ze alles weg. Het hoofd en zijn buikhuis. Een hysterectomie heet dat. Ik weet nog niet wat ik daar van vind. Het klinkt nogal hysterisch. Ik weet alleen dat het moet. Ik ben een klein beetje bang, want zo’n ingreep is (in mijn specifieke geval) best risicovol, maar ondertussen ook opgelucht. Ik weet niet, ik heb aan één hoofd genoeg, denk ik. En ik word door een heel artsenelftal geopereerd, met interventieradiologen, gynaecologen, oncologen, allerlei allerhande assistenten, 33 zakken extra bloed en de aardige meneer van de ziekenhuispostkamer drukte mij op het hart dat hij tijdens de ingreep ook even een hoofd om de OK-deur zou steken. Dus dat komt allemaal goed. Het elftal heeft er in ieder geval het volste vertrouwen in.

Men verwacht dat over een half jaar mijn oude leven weer een aanvang zal nemen. Fietsen, wandelen, dansen op rare muziek zonder tuinslang en hoofd in een verder uitgestorven huiskamer om zeven uur ’s morgens, strakke jurkjes, heel veel strakke jurkjes met hoge hakken eronder. Op dat laatste verheug ik mij dus zeer. Jurkjes en hakken. Of gewoon, lekker ouderwets veel bloed hebben, met ijzer erin. Trappen op en af lopen zonder exploderende harten en hoofden.

Of ik verpleging nodig had, vroegen ze in het ziekenhuis, omdat ik alleen woon. Maar ik antwoordde dat meneer K mijn verpleger werd de komende weken. Meneer K is de beste verpleger die ik mij kan wensen. Als ik ziek of anderszins zielig ben borstelt hij minutenlang mijn haar in rustige lange slagen. Masseert mijn slapen of maakt grappen waar ik zo hard om moet lachen dat alle opgehoopte angstklonters uit mijn oren naar buiten schieten. Geregeld vind ik er eentje achter de boekenkast, in de mand van de kat.

Hij kan trouwens ook erg goed uitzichten tekenen. Al zal ik die straks niet meer nodig hebben.

Tekening Kees van der Knaap


zondag 26 juni 2016

Werelden uit elkaar laten vallen is makkelijk, ze bij elkaar houden is different koek (over Brexit en 9B potloden)

Vandaag ga ik op bezoek bij meneer K. Aangezien hij meestal aan het werk is, rijd ik naar zijn atelier. Het is er altijd licht en warm. Buiten, achter zijn hoge atelierramen woedt de wereld. Dat klinkt banaal, en dat is het ook.
In de auto, op weg naar Den Bosch duidt Geert Mak op radio 1 de Brexit. 'Het is een puist,' zegt hij, 'die open moest barsten.' Onomkeerbaar dus. Als een wetmatigheid. Ergens stelt me dat gerust. Wetmatige onomkeerbaarheid lijkt minder eng dan populistisch volkschagrijn, ook al zijn de effecten daarvan precies hetzelfde. It's all in the mind. 

Ondertussen donderen hagelstenen vuistgroot uit de lucht, slaan als granaten om me heen in en overstemmen Radio 1. We leven in een tijd dat het gevaar allang niet meer slechts om ons heen sluipt. Het komt nu ook van boven, in de vorm van klimaatsverandering. Het mooie is, we hebben het allemaal aan onszelf te danken. Geen boze dondergoden, gewoon eigen schuld dikke bult.

Vroeger, toen ik klein was en op zondag in de kerk zat, drukte ik tijdens de preek vaak ritmisch uit verveling mijn oren open-en-dicht. Datzelfde geluid komt nu, alleen scherper, vanaf mijn autodak. Poef, poef, poef. Zo moet het ongeveer klinken in de Chak Chak grot, de Zoroastrische tempel. Het verhaal wil dat een Sassasijnse prinses, die vluchtte voor de invasie van de Arabieren en geen water bij zich had, uit wanhoop een stok tegen de rots aan gooide. Sindsdien drupt er continue water uit het steen. Chak, chak, chak.

Goede gedachten, goede woorden, goede daden, sprak de profeet Zarathoestra (Zoroaster) 1200 jaar voor Christus vanuit de filosofie om tot het ‘goede’ te komen. Door jezelf te richten op je innerlijke goedheid volgen de woorden en daden immers vanzelf. Dat klinkt makkelijk, en misschien is dat het ook wel.

Bij aankomst in het atelier is het stil. Op meneer K na, die met een mesje in drie bewegingen zijn potloden scherp slijpt. Chak, chak, chak. 9B. Het zachtste potlood. Vóór hem een kistje met stompjes, achter hem ontstaat een lucht van vijf bij anderhalve meter. Hele werelden tovert hij bij elkaar, met diepzwarte grafiethanden. Handen die hij -uit voorzorg- ver bij me vandaan houdt als ik binnenkom en me tegen hem opkrul, mijn wangen, kin en mond verlangend in zijn hals begraaf. In warm kloppende halzen en getekende luchten kun je makkelijk verdwijnen. In werelden niet. Die vormen het keiharde frame voor alles wat bestaat, met randen waar je vanaf kunt vallen, grenzen om tegenaan te botsen. 

In werelden waar grote hoeveelheden luchten, wangen, kinnen en monden samenleven is denkelijk een bepaalde voorzichtigheid geboden. Bewustzijn. Inlevingsvermogen. Een eeuwig polderen misschien zelfs wel. Hoe saai dat ook is. Nooit gedacht trouwens dat ik dit nog eens zou zeggen. Maar misschien is er geen keuze. Van alle (in de grond) falende politieke systemen is democratie waarschijnlijk de meest te pruimen soort. Ondanks de traagheid, klonterigheid en de verdeeldheid die het soms veroorzaakt..

Terug naar Den Bosch, naar het atelier in de oude fabriek aan het water. Dag en nacht staat meneer K hier aan zijn werelden te werken. Als een boer op zijn akker, zoals hij het zelf zegt. Terwijl ik honderd kilometer verderop zit te schrijven. Ook dat stelt gerust. Onze werelden lijken op elkaar, als magnetische cirkels in cirkels die in-en-om elkaar heen draaien. Waarschijnlijk zoek je dat onbewust toch op, de vertrouwdheid van een thuiskomen in de ander of een omgeving, iets waar je, naarmate je ouder wordt, steeds meer naar gaat verlangen. Het is wat dat betreft niet zo gek dat de meeste Brexitstemmers ouderen zijn. Een groep die gedurende hun lange leven al zoveel verloren heeft. Op een dag is daar de rek uit. En dan wil je simpelweg terug naar hoe het was. Naar huis. Toen je nog iets van controle over je leven leek te hebben.

Als je wil dat mensen bij je blijven moet je goed voor ze zorgen. Ze redenen geven om te blijven. Dat geldt voor bedrijven, gezinnen, relaties, geloofsgemeenschappen, en ook voor Europa. Werelden uit elkaar laten vallen is makkelijk. Ze bij elkaar houden is different koek.


woensdag 8 juni 2016

Wat een tuin ziet als hij slaapt II

Een tuin ziet er in de nacht in principe hetzelfde uit als overdag. Misschien krullen de boomblaadjes zich bij de randen iets om als de schemer valt, sluiten de bloemkelken zich, maar daar heb je het wel mee gehad. Wat geworteld is blijft geworteld. Wat dood is dood. Toch, als ik ’s nachts het gordijn van mijn slaapkamerraam een stukje open schuif, moet ik mezelf moed inpraten omdat ik bijna niet verder durf te kijken. Daar beneden ligt mijn tuin, waar ik bij warm weer een boek lees, mijn kat Snoet afwisselend Herman, Stumper of Roeland noem, waar de druivenstruik zoekend om zich heen graait en lege bloempotten al een halve lente staan te wachten op vulling.

’s Nachts verandert die tuin in een voodoojungle, een heksenwalhalla. Want iedereen weet dat als de wereld zich keert, zich terugtrekt voor de slaap, dat dit het moment is dat de geesten komen. De onderwereld zich roert. Met zijn eigen wetten, waar ik soms de codes van meen te kennen, maar wat in werkelijkheid nooit het geval blijkt. Nou, misschien ken ik ze op dat specifieke moment wel, maar de nacht heeft er een handje van hem juist dán razendsnel te transformeren in een compleet andere codering. Die, na ontcijfering, op zijn beurt ook weer verandert. Noem je dat een onontkoombaarheid? Een ziekelijke speling van het lot? Hoe dan ook, het is beangstigend. Want ik hecht aan controle. Ik heb niets dan dat. Iedereen heeft niets dan dat. Niemand heeft iets anders dan dat. Of je moet een zenmeester op een berg zijn. Hoewel die volgens mij juist barsten van de controle, al is het op een meer heimelijke manier. Zij verstoppen het zwart in het wit. Zoals illusionisten doen. Met het juiste gebruik van licht en donker kun je iedereen foppen. Misschien zijn zenmeesters niets dan goede illusionisten. Alleen dan zonder weelderig haar, schaars geklede assistentes en windmachines. Maar ik dwaal af.

Ik ben dus bang voor mijn tuin in de nacht. En ik ben niet de enige. Laatst zat er een jong vogeltje in een boom achter mijn huis, duidelijk alleen en verlaten. Ergens overdag waren zijn ouders er nog geweest, had hij zijn vliegoefeningen gedaan onder hun wakend oog. Tot er een moment kwam dat ze eten gingen halen, en niet meer terugkwamen. Ongerust zag het vogeltje de dag in de nacht verdwijnen, en wist uiteindelijk: ik ben alleen. En piepte hij overdag nog wat klaaglijk voor zich uit, verongelijkt bijna, ’s nachts klonk het hard en paniekerig. Twee dagen en nachten zat hij daar. Toen werd het stil. Waarschijnlijk is hij dood uit zijn boom gelazerd, ik weet het niet. Heeft een kat er een einde aan gemaakt. Katten zijn goed in de nacht. Die snappen hem. Is de nacht eigenlijk mannelijk? Bestaat er een commissie van wijze mensen die geslachten koppelen aan woorden? Houden die ergens kantoor? Of verloopt dat proces organisch, zoals stenen slijten in een rivier. De een rond, de ander hoekig. Nu zie ik ineens het woord ‘auto’ op straat lopen, een beetje in elkaar gedoken, een gigantische piemel aan een touwtje om het dwarsstreepje van de ‘t’ gewikkeld, als een last waar hij vanaf wil. Of de zon. Slechts drie letters om mee rond te sjokken, maar altijd met die onafwendbare kut rond haar nek. Misschien voelen veel dingen in het leven daarom zo ‘onvrij’. Omdat het meeste vanaf het begin bepaald is. Geslacht, afkomst, IQ, talent. Hoe mannen en vrouwen zich tot elkaar verhouden. Die uitgesleten cirkels als tredmolens waar we allemaal als kreupele paarden in rondsjokken. Of klinkt dat te depressief. Te puberaal.

Mijn kat verandert ook door de nacht. Maar dan gunstig. Overdag is hij de grootste angsthaas op aarde, durft amper de tuin in en zit urenlang bevend voor het kattenluikje, moed te verzamelen. Als het donker wordt echter, stapt -ie doodgemoedereerd naar buiten. Schieten zijn laserogen door het struikgewas heen en sluipt hij met zijn buik door het gras. Niets kun je hem dan maken. Zodra het eerste lichtstreepje door de bladeren piept is het over met de pret. Verandert hij in een psychiatrisch patiënt en rent terug naar binnen. Vorig jaar was hij op zijn gekst. Kroop onder een kast en wilde er niet meer onder vandaan komen. De dierenarts zei door de telefoon dat ik Snoet die middag mocht komen brengen, dan zou hij hem ‘resetten’. Stumper kreeg een pil, stapte bij thuiskomst koelbloedig uit zijn reismand en verdween direct naar buiten. Klom op de schuur, een boom in, struinde door de buurt, kortom, deed wat normale katten doen. Misschien was hij het zelfs wel even. Roeland, de kat die hij van zichzelf nooit mocht zijn. Ik weet niet wat de dierenarts hem gegeven had. Kattencoke vermoed ik. Het was in ieder geval niet goedkoop. Vroeger betaalde je een geeltje voor een kwartje wit. Dit lag ongeveer in dezelfde orde. Maar dan omgerekend.

Ergens op internet las ik dat Jeroen Brouwers van mening is dat als je meer dan drie keer het woord ‘maar’ op één bladzijde gebruikt, je jezelf geen schrijver mag noemen. De eerste keer dat ik bij mijn voormalige uitgever (Atlas) werd ontboden kreeg ik een plastic tasje met boeken uit het fonds mee. Dat tasje was diezelfde ochtend, samen met zijn eigenaar, uit het huis van Jeroen Brouwers vertrokken en had de hele reis lang zijn nieuwste manuscript gedragen. Ik weet niet welke, we spreken over 2007, en ik ben geen Brouwerskenner. Jeroens tasje heeft jarenlang in mijn werkkamer gehangen. Nee, dat lieg ik, ik heb helemaal geen werkkamer. Ik schrijf al jaren gewoon op de bank met een laptop op schoot. Het tasje hing dan ook boven de bank. Met mijn eerste poëziemanuscript erin, dat later genomineerd werd voor de C.Buddingh’-prijs. Ik mocht graag denken dat het tasje geluk bracht. Op een dag ging ik de boel verbouwen en was het verdwenen.

Ik heb ook een periode gekend waarin ik van alles vond. Ruim twee jaar lang schreef ik wekelijks een column voor HP/DeTijd. Dit was tevens de tijd waarin ik regelmatig mails ontving van mensen die schreven dat ik ernstig ziek of lang en secuur gemarteld moest worden. Ik was op een gegeven moment zo druk met overal iets van vinden dat ik bijna niet meer aan ‘gewoon’ schrijven toekwam. Het vergt bepaalde kwaliteiten om opinies uit te dragen. Waarschijnlijk miste ik die. Opinies zijn ook zwaarder dan fantasieën. Qua soortelijk gewicht. En ze willen altijd bovenop liggen. Een dodelijke combinatie. Ik voelde me dan ook met de dag ongelukkiger worden. Tot mijn dochter een keer op licht cynische toon tegen mij zei: ‘Je hoeft niet altijd ergens iets van te vinden hoor, mam.’ Ergens ging een fel licht aan. Daarna lukte het niet goed meer. Het onderhouden van meningen. Elke keer als ik het probeerde zag ik dat halfspottende gezicht van mijn dochter weer voor me. Nu lag het op het laatst ook wel een beetje aan HP/DeTijd, hoor. In eerste instantie schreef ik vooral rare columns voor ze. Met dingen erin die niet konden bestaan. Ik had namelijk een redacteur die dat leuk vond. En mij de vrije hand gaf. Na een jaar of twee kwam er een ander. Aardige jongen hoor, geen kwaad woord, maar hij vond dat rare gedoe niks. Ik moest relevante stukjes schrijven, die ik dan eerst bij hem moest ‘pitchen’. Het probleem was, ik had nog nooit iets gepitcht. Ik ging gewoon zitten, keek uit het raam, dan naar mijn laptop, en bewoog mijn vingers over de toetsen. Vanzelf. Over onderwerpen dacht ik nooit na. Laat staan relevante.

Toch wilde ik het graag proberen. Elke week stuurde ik mijn pogingen op, die ik bijna altijd terugkreeg. Met kanttekeningen erbij. Dat het relevanter moest. Nog relevanter. Véél relevanter. Terwijl ik mijzelf al zo verschrikkelijk relevant vond. Dat was dus een misvatting. Ik bleek totaal relevantloos. Op een gegeven moment begon het in huis te ritselen, alsof er kevers in het behang woonden die aan het papier knaagden, heen en weer over de muren renden. De dag dat ik ophield met relevant proberen te zijn hield het geritsel ook op. Volgens mij zegt dat genoeg.

Niet relevante stukjes passen mij beter. Zoals ik dobberen in halfgare bootjes op een verlaten bergmeer leuker vind dan georganiseerde Moezelcruises met entertainment aan boord. Door gaten en kieren komt veel goeds. Slechts. In ieder geval onverwachts. En dan maar hozen.


dinsdag 31 mei 2016

Mosselmannen

Ik zou kunnen vertellen over de nare gevolgen van overmatig gebruik. Of hoe het kon gebeuren dat vijfendertig mensen onlangs tijdens een voetbalwedstrijd in Duitsland tegelijk door de bliksem werden geraakt. En dat ik tijdens het lezen van dat nieuws dacht dat God eigenlijk de grootste terrorist op aarde was. Over de mannen in mijn leven, die uiteindelijk bijna allemaal vreemd gingen, en dat ik soms geneigd ben te denken dat dit aan mij ligt. De wereldklok die exact tien centimeter van het midden op mijn schuurdak staat en elke milliseconde opnieuw onvermoeibaar  jouw en mijn plaats in het universum berekend. Een zoemend geluid afgeeft dat alleen wordt waargenomen door dieren en kinderen. Waarom grote mannen op kleine BMX-fietsen in het bos op zondagochtend altijd zo eenzaam lijken. Maar misschien kan ik beter vertellen over de dag dat de moezelmannen kwamen.

Die moezelmannen waren natuurlijk gewoon mosselmannen. Zoals in het liedje. Gele plastic pakken droegen ze, met bruine strepen als hommels. Ze roken naar het strand bij Sassnitz, die grauwe Duitse strook langs de Oostzee waar campers met bejaarden hun laatste dagen tellen op houten telramen die ze voor hun polycarbonaat-plexiglazen ramen zetten. Die bejaarden zie je verder niet, ze zitten binnen en doen bejaardendingen. Rummicubben, patiencen, elkaar kapot irriteren, wachten op wie het eerste doodgaat, weet ik het. Ze ruiken naar gekookte aardappelen, een geur die in een vaste straal van honderd meter om hun camper heen hangt. Daar kunnen ze overigens niets aan doen, laat dat voorop staan. Neem die geur in gedachten, vermeng het met de zoutvissige lucht van die smoezelige zandstrook langs de Oostzee en je hebt iets dat in de buurt komt van wat ik bedoel. Van hoe de moezelmannen roken.

Ze belden aan en ik deed open. Stom natuurlijk, maar het is gebeurd. Ze kwamen een voor een binnen, veegden hun voeten in hetzelfde ritme, lieten ongezien DNA achter en deden het zodoende voorkomen alsof het nette moezelmannen waren. Wat achteraf gezien belachelijk was, maar ja. Ze liepen niet eens de kamer binnen of gingen netjes in de gang staan wachten, zoals normale mensen doen als ze ergens voor het eerst op visite komen, maar stampten gelijk de trap op naar boven. Naar de badkamer. Deden daar al hun kleren uit, gooiden ze woest van zich af en riepen dat ik hun van dode mosselenlucht doortrokken boeltje moest wassen. Incluis moezelsokken. En snel een beetje. Tijdens het uittrekken van hun kleren vielen er tientallen mosselen op de grond. Ze leken uit alle zakken, naden en zomen te komen. Het gaf een tikkend geluid. Licht en helder. Ik wist niet wat te doen. Mijn hele badkamer was gevuld met mannen en mosselen. Die laatsten lagen overal, als venijnige visjes. Sommigen nog dicht, maar de meesten wijdopen, schijnbaar naar adem happend. De mosselmannen hadden gehavende lijven. Alsof ze elke nacht naakt tussen de mossels sliepen. Eentje vroeg of ik zijn vrouw wilde worden, maar de rest lachte hem uit. Ik was toch onvoldoende toegerust voor zo’n bestaan, dat zag hij toch verdomme zelf ook wel. Keek hij wel goed uit zijn doppen, miljaar! Want als hij dat gedaan had, zou hij gezien hebben dat mijn handen veel te poezelig waren. Een zak losse botjes, riepen ze. Totaal ongeschikt voor het breken van harde scherpe schalen, de wil van de mossel. ‘Kun je noten kraken?’ schreeuwde er een balorig. Ik schudde mijn hoofd, nee, in noten kraken was ik nooit bijzonder goed. Hazelnoten ging nog wel, maar paranoten bijvoorbeeld gaven veel problemen.

De mosselmannen hadden grote voeten. Waarschijnlijk om stevig mee op de bodem van de zee te staan, of om de branding mee te trotseren, het zuigen der muien, het golfrazen. Ik vroeg of ze ook mossels op de Oostzee vingen maar ze lachten me uit. De Oostzee, daar wilden ze nog niet dood gevonden worden. Eentje ging omstandig uitleggen hoe de camperbejaarden daar roken maar ik wimpelde hem af. Oud nieuws. Het zag er ondertussen niet naar uit dat de moezelmannen hun vuile kleren weer gingen aantrekken dus gooide ik ze maar in de was, zette de klok op zestig graden en smeet er een halve fles Ocean Lavendel bij. Lavendel groeit natuurlijk helemaal niet in de ocean, maar in zo’n afgesloten kunststof flessenwereld kan alles. Ik was eens op een eindexamententoonstelling van de Rietveld academie. Een van de geslaagden had een kleine kamer ingericht met wel twintig koffiezetapparaten erin. De junizon vloog manisch tegen de ramen op en het was er niet te harden, zo heet. Dit kwam ook door de koffiezetapparaten, die continue aanstonden. Daar was op zichzelf natuurlijk niet zoveel kunstigs aan. Daar moest iets bij. Iets vreemds, liefst. Vies. Zodoende had de kunstenaar in plaats van water, urine in de koffiezetapparatenreservoirs gedaan. De urine circuleerde daar dag en nacht doorheen. In combinatie met de hitte gaf dat een stank die dodelijk hard in je gezicht klapte wanneer je de ruimte binnenkwam. Van Lavendel Ocean had de kunstenaar overduidelijk nooit gehoord.

Een beetje was duurt minstens anderhalf uur. Wat moest ik met de mannen aanvangen in al die tijd? Ik had ze nog niet geteld, maar het waren er veel, en ik wilde ze niet met hun ongewassen mosselkonten beneden op mijn nieuwe bankstel hebben. De was draaide en zoemde gezellig. Het viel me op hoe snel je went aan stinkende naakte mosselmannen in je badkamer. Ik was ook helemaal niet bang dat ze ongepaste dingen met me wilden doen. Zo keken ze niet uit hun ogen. Daarbij bungelden hun mosselgeslachten vrij slap onder hun buik, daar stak weinig gevaar in. Ik ben ook zelden bang voor mannen, dat scheelt misschien. Ik kan behoorlijk stoere verhalen vertellen over mannen en heikele situaties, met mijzelf in een glansrol. Over die keer dat ik beschoten werd in een kraakpand, bijvoorbeeld, de kogel vlak langs mijn oor fluitte en ik doodkalm bleef zitten. Of dat ik in een trein vol dolgedraaide voetbalsupporters belandde die zwaaiend met losgetrokken treinmeubilair boven hun hoofd op me afstormden, en dat ik rustig bleef zitten, een jointje draaide, vroeg of ze een hijsje wilden. Waarna ze lamgeslagen van verbazing om me heen gingen zitten, zoet luisterend naar verhalen die ik ter plekke verzon. Mannen zijn over het algemeen sukkels. Goedaardige sukkels, maar sukkels. Makkelijk om de tuin te leiden ook. Misschien gaan ze daarom altijd vreemd bij mij. Omdat ik mijzelf uiteindelijk toch net even iets slimmer, leuker en stoerder vind. Waarschijnlijk straal ik dat uit. En dat is voor mannen ook niet leuk natuurlijk. Met meneer K heb ik dat overigens allemaal niet. Dat vind ik zelf ook raar. Misschien komt het omdat ik, elke keer als ik denk te weten hoe hij in elkaar zit, mezelf weer terug bij Start vind.

Meneer K zegt altijd tegen mij, dat als ik ooit alleen kom te staan, en een man wil, ik er eentje moet zoeken met een akker. In zijn optiek is een man met een akker een goede man. Voor mij althans. Een man die iets maakt met zijn handen. Dus geen muzikant of schrijver. Dat zijn over het algemeen labiele aanstellers die immer op zoek zijn naar publiek en groupies. Bevestiging. Zoals ikzelf. Nee, een meubelmaker of zoiets. Een ambachtelijke kunstenaar. Zo eentje die met zijn voeten stevig op zijn zandgrond staat. De eenzaamheid ervan kent en daar niet bang voor is. Zodat ik ondertussen lekker op mijn eigen akker kan rondknooien, zonder angst te hoeven hebben dat hij, als ik even niet oplet, er gelijk met een ander vandoor gaat. Akkermannen zijn de meest betrouwbare mannen. En niet al te gecompliceerd. Zo zetten ze rustig een strooien  vogelverschrikker in hun veld om de vogels af te schrikken. Hangen er zilverpapiertjes in. Terwijl dat dus nooit helpt. Nooit.


De mosselmannen wachtten netjes in de badkamer tot de was klaar en droog was. Legden ondertussen een kaartje, repareerden mijn lekkende kraan en trokken een pruik uit een zwanenhals. Hun natte mossellijven droogden op en daardoor veranderde ook hun geur. Of ik begon eraan te wennen, dat kan ook. Het rook in ieder geval best plezierig. Daarna kleedden ze zich weer aan en vertrokken. Een minuut later hoorde ik nog flarden van mosselliederen boven de straten zwemen. De lege mosselen hadden ze achtergelaten. Her en der lagen ze verspreid. Op de trap, de overloop, in de douchecel. Soms vind ik er nog wel eens eentje als ik gehaast de trap op ren. Ze steken gemeen in mijn voeten. 

maandag 30 mei 2016

The sleep of reason


Ondertussen in de Gruyterfabriek in Den Bosch, nog tot 11 juni te zien: 


The sleep of reason, een tentoonstelling met werk van Barend van Hoek, Maarten de Man, Tobias Schalken en Kees van der Knaap. Op zaterdag 4 juni, tijdens het Kunst en Designweekend is de (ietwat verlate) opening, met een borrel, e.d. Uiteraard is u allen welkom.




vrijdag 20 mei 2016

Wat een tuin ziet als hij slaapt

Vorige week vond ik een oude foto van mezelf terug. Een jaar of twintig ben ik daar, en vloog van het ene avontuur in het andere. Inmiddels, achtentwintig jaar verder, zijn de dagen alweer zolang rustig. Zelfs de tuin houdt zich in. Misschien slaapt hij, zonder dat ik er van weet. Is de brom, die ik 's nachts hoor, zijn snurken. De wind, die in mijn slaap onder mijn nek door raast, zijn adem. Vol herinneringen van wolkenjachtkraaien, afnemende zon-en-maanuren, blokken naar beneden stortend vliegtuigijs. Gewoon, dingen die tuinen zien. 

Ooit trilde mijn bed een week lang elke nacht. Ik zocht op Google of anderen in mijn buurt dit ook hadden. Zocht op bodemwerkzaamheden, zonder resultaat. Kort daarna overleed mijn vader en knalden er een straat verderop gasleidingen onder de grond. Tegenwoordig trilt mijn bed nooit meer.

Ik zou graag kamperfoelie in mijn tuin willen. Kamperfoeliebloemen hebben, als je ze op hun kop houdt, iets weg van kwallen. Ze woekeren wel erg, dat is een probleem. Eigenlijk ben je je halve leven bezig met het bijhouden van dingen die woekeren. Misschien zelfs driekwart. Snoeien, knippen, zagen, elimineren, wegduwen, harsen, uitkiezen, epileren, het verloopt allemaal volgens eenzelfde principe. Eerst is er niets. Dan is er veel. Waarna het minder moet. Alles moet altijd minder. Minder aandacht (anders word je verwend), minder succes (anders word je blasé), minder genot (anders word je leeghoofdig en blind), minder okselhaar (okselhaar is vies) minder vluchtelingen (anders wordt het te vol). Natuurlijk zijn er ook bergen mensen die juist van alles meer willen, maar daar heb ik het nu niet over.

Grote groepen mensen roepen om minder vluchtelingen. Over minder oorlog hoor je ze nooit. Oorzaken zijn misschien minder populair dan gevolgen. Ik weet ook niet waarom. Waarschijnlijk vergen ze meer aandacht, en aandacht is tijd, tijd is geld, en geld is papier met een man of een gebouw erop. Het gekke is dat geld heel lekker ruikt, terwijl het vol coke, poepdeeltjes en andersoortige ellende zit.

Toen ik nog het meisje in de foto was gebruikte ik nogal eens coke. Geweldig vond ik dat. Dat je kop op commando open knalde, je de hele godverdomde wereld in het kommetje van je handen voelde vibreren, en dat je wist, als ik iets naar links buig, naar rechts, buigt de hele wereld mee. Die euforie duurde niet lang, hoor. Ik verveel me altijd snel met dingen, hoe geweldig ze in het begin ook lijken. Op een gegeven moment valt alles ten prooi aan een systeem. Dat is het punt waarop het saai wordt. En dan bedoel ik geen saaiheid zoals stiltesaai. Stilte is namelijk helemaal niet saai. Dat is retespannend. In stilte kan alles gebeuren. De vraag is wanneer, en hoe dient het zich aan. En dan zit jij daar, in een hoekje te wachten tot het gaat knetteren. De adrenaline die door je keel giert. Man!

Het is fijn om naar kwallen te kijken. Rustgevend. Die dansende rokken, zwierige tentakels. Sommigen geven licht. Bij oostenwind liggen de stranden vol met groene lichtgevende bollen. Machtig is dat. Mijn vader nam me vroeger als kind midden in de nacht nogal eens mee de duinen in, van Ameland. Daar liepen wilde paarden, met lichtgevende ogen die opgloeiden in het donker. Dat was eng, maar nooit eng genoeg. Banger was ik voor de spoken in mijn vaders hoofd, die soms zomaar door zijn mond naar buiten schoten. Dan moest je echt rennen. Gewetenloze, sadistische gekken waren dat. Gelukkig kent alles een systeem. Nou ja, de meeste dingen. Gekte in ieder geval wel. Er zijn voortekenen, triggers, er is een laaien en er is een luwen. Het is zaak goed op te letten. Daar ben ik nog steeds een meester in, in opletten. Niets ontgaat mij.

Sleep of reason
(Kees van der Knaap)
Als het opletten erger wordt, gaat de tuin harder brommen. Ook daar zit een systeem in. Het is iets met het kip en het ei. Ik weet nog niet wie eerder was. Ik of de tuin. Het opletten of het brommen. Je moet ook oppassen met opletten. Het houdt je wakker. En slapeloosheid ontregelt de hele biochemie. Als het te erg wordt bel ik meneer K voor het slapengaan. Die woont dan wel honderd kilometer verderop, maar dat zegt niks. Meneer K zit nachtenlang te tekenen, in zijn kamer, aan zijn tafel, onder zijn ufolamp. Dan zegt hij dat ik rustig kan gaan slapen terwijl hij de monsters onder zijn hoede neemt. Meestal nodigt hij ze gewoon uit in zijn kamer. Geeft ze allemaal een eigen stoel. Sommigen mogen model staan in een van zijn tekeningen. Monsters zijn in hun hart als de dood voor meneer K, dus dat werkt altijd. Ik denk dat dit komt omdat hij ook vriendelijk voor ze is. Niet alleen afkeurend. Ze zijn er gewoon, lijkt hij te denken, dus kun je maar beter een soort van omgangsregeling vinden. Ik leer dat ook steeds beter, maar het gaat langzaam. Ondertussen ga ik gewoon door met opletten. Dat zit ingebouwd. Hier, vanachter mijn oogramen, houd ik de hele wereld in de gaten. Terwijl mijn tuin slaapt. Bromt. Trilt.