zaterdag 30 december 2017

Dodenmaskers en MOREkoppen


Gisteren was ik met meneer K in het MORE-museum in Gorssel waar ze (naar eigen zeggen) de grootste collectie in modern realisme hebben. Willink, Pyke Koch, Charley Toorop, dat werk. Eigenlijk weet ik niet wat we daar deden aangezien we allebei een poephekel hebben aan modern realisme. Misschien was het de eindejaarsdepressie die al weken om mij heen sluipt en die iets groots en lelijks zocht om tegen aan te schurken. Of zochten we onbewust een lelijke manier om het jaar mee af te sluiten. Hetgeen dus best goed gelukt is.

Toch was het heel gezellig. Ik hou van Gorssel. Ik woon er slechts twintig minuten vandaan en begrijp de wereld hier. De huisjes, de straten, de weg ernaartoe. Er is een dorpsschool met vrolijke letters op de pui, een mooi gerestaureerd stationnetje, ik hou sowieso erg van de Achterhoek. Oud landschap. Slingerend, lommerrijk, nou ja gewoon, fijn. Warm. Geen gelul over dit of dat, heen en terug en nog een keer. Stoofpotlandschap. Een W.G van der Hulst wereld.

Het museum dus. Vlak na binnenkomst in de marmeren tombe hing ik mijn jas op in de garderobe. Een suppoost kwam achter ons aan en fotografeerde ons terwijl wij met kluisjes en muntjes stonden te kutviolen. Ik schrok een beetje. Dacht de suppoost dat we potentiële kunstcrmininelen waren en fotografeerde hij ons vast, voor het geval dat? Zagen we er raar uit? Okay, meneer K kan met zijn kale en (meestal) wat norsige hoofd prima voor crimineel doorgaan, maar ik toch niet, met mijn frisbeepinopet en zoet King Louie jurkje? Ik had het natuurlijk moeten vragen, maar durfde niet.

Zoals verwacht was de meeste kunst vreselijk. Weinig schwung, zwalk of zwier. Het leven een dood lijntje. Nou ja, het zal allemaal best knap zijn, maar je moet er denk ik van houden. Mausoleumkunst. Wat dat betreft past het gebouw er uitstekend bij. Alles in stijl.

Af en toe liep ik even naar het Jan Mankes wandje om op te warmen. Want waar bijvoorbeeld Willink en Koch zoveel mogelijk hun best hadden gedaan om al het leven op aarde uit de verf te trekken tot ze een soort van dodenmaskerdoeken overhielden leek Mankes nu juist al die verstoten warmte naar zich toe te trekken, te verzamelen in ontroerende parelhoenders, gemberpotjes en uiltjes.

Kwestie van smaak natuurlijk. Want nogmaals: het zal allemaal vast RAZEND knap zijn. Het was er in ieder geval teringdruk en ik zag niemand moeilijk kijken. Buiten dat vind ik het geweldig dat er mensen met veel geld zijn die gebouwen uit de grond trekken en het volstuffen met kunst, hoor, mooi of niet.

Toen ik voor de toiletruimte op meneer K stond te wachten kwam de suppoost weer een foto van me maken. Voor de tweede keer keek ik behoorlijk stompzinnig en geschrokken in de camera, ik bedoel, één keer, okay, maar dit was een beetje brutaal aan het worden. Gevaarlijk ook, want met die eindejaarsdepressie op de loer ga ik bij het minste of geringste denken dat er een wereldmacht onder de vloer doorsluipt die op zoek is naar mij, omdat de duivel in mijn oogwit woont. En dat die suppoost eropuit was gestuurd om het wit uit mijn ogen te vangen middels vage Iphonefoto’s.

Een andere reden kan ik niet bedenken aangezien we daar al een half uur rondliepen zonder iets te stelen. Sowieso hadden we niks onoirbaars gedaan. Meneer K fluisterde wel dingen in mijn oor over wat ie allemaal met we wilde doen midden in al die kille doodsheid, maar voegde nergens daden bij zijn woorden. We dronken braaf cappuccino, prezen de bezoekersaantallen, de zwarte installatie van Hans op de Beeck, de schilderijen van Dumas (2 stuks) en de foto’s van Erwin Olaf, aten een MOREkop, kortom, er waren ook genoeg mooie en leuke dingen, hoor, daar in de kunsttempel van Gorssel.

Zoals de museumwinkel bijvoorbeeld, waar ik vlak voor het weggaan lang en innig over een Mankes koelkastmagneet aaide. Die ik overigens niet kocht. Mankes hoort niet thuis op een koelkast.


vrijdag 3 november 2017

Ballentent (met Pauline Broekema in een bijrol)

Vier jaar geleden overleed mijn vader. Op een dag ging de telefoon. ‘Geels!’ schreeuwde hij mijn oor binnen, ‘ik zie allemaal kleuren en strepen, verdomme!’ Hij bleek longkanker te hebben die naar zijn hersens was gekropen en binnen drie maanden was hij weg. Snel, dramatisch en luidruchtig, typisch mijn vader.

Op een van de laatste dagen in zijn leven reed ik met mijn auto over de Loolaan die volstond met Molukkers en leden van motorclub Satudarah. Ik draaide de straat in waar mijn ouders woonden en reed hun oprit op, omzichtig, want er stond een geel busje in de weg. Mijn vader zat in zijn net nieuw gebrachte bed met liftsysteem (goeie timing van de thuiszorg) stralend in de achterkamer uit het raam te kijken, er bleek al de hele dag commotie te zijn omdat (in de nabijgelegen schouwburg) de oprichting van de Republiek der Zuid-Molukken werd herdacht. De straten en stoepen rondom het huis van mijn ouders stonden vol met ronkende motoren, stoere mannen en opgewonden vrouwen. Mijn vader straalde van oor tot oor en vroeg of ik wist wat dat gele busje voor het huis deed. Ik riep dat er vast een bom in lag, waarop hij antwoordde dat wat hem betreft de hele keet in de lucht mocht vliegen.
      ‘Ik ben die ballentent hier toch al jaren zat,’riep hij vol bravour, ‘ze kunnen er beter een Chinees restaurant van maken!’

Inwendig moest ik lachen, mijn vader mocht dan zijn hele leven een onmogelijk figuur zijn geweest, op mijn zestiende vluchtte ik letterlijk het huis uit om aan zijn drift en grilligheid te ontsnappen, toch zou ik de kermis die hij altijd om zich heen creeërde gaan missen. De dag ervoor bijvoorbeeld, trof ik hem bellend met de overbuurman aan, die ook terminaal lag te wezen.
      ‘Hé buurman,’ had hij door de telefoon geschreeuwd, ‘moet jij ook zoveel pillen slikken? Heb jij die bijsluiters wel es gelezen? Moet je voor de grap es doen jongûh, je weet niet wat je meemaakt, het lijkt godverdomme wel een avonturenroman,’en toen hij mij zag binnenkomen, ‘hè, daar is mijn dochter, dat is een roman op zichzelf, hoor. ‘De vijf op reis’, ‘Altijd wat, maar altijd lachen’, ‘Alle dertien goed’, haha.’

Na een tijdje klonk er dof geroffel in de verte. Het oude huis en al zijn ramen trilden. Mijn vader riep vanuit zijn bed, ‘de bom, de bom gaat af!’ Toen de motorenparade voorbij was getrokken hing de Montijn, die mijn moeder recent uit een erfenis had verkregen, scheef. Ik vond het een lelijk ding maar het verhaal erachter dan wel weer leuk. Een tante van mijn moeder had de litho in 1969 in Montijn zijn atelier in Zuid- Frankrijk van hemzelf gekregen. Die tante was een nogal exotisch figuur, alleenstaand en vaak opzichtig versierd reisde ze in haar eentje al vanaf de jaren ’50 de wereld rond. Ooit was ze verloofd geweest maar dat had maar kort geduurd. Ik weet niet wat die man haar had aangedaan maar daarna is het nooit meer wat geworden tussen haar en de liefde. Ze scheen in de oorlog in een knokploeg te hebben gezeten, iets met het verzet, ik weet het niet precies, dat zou ik aan mijn moeder moeten vragen, en na de oorlog werd ze chauffeuse bij de KNIL. Afijn, op de litho stonden een stierenkop en een afgekloven vissengraat afgebeeld en mijn moeder dacht dat Montijn hiermee misschien de stupiditeit en de uitholling van het christendom wilde benadrukken. Ik vond dat best goed gedacht van mijn moeder. 

Terwijl wij binnen gemoedelijk in de weer waren met al die kunstenmakerijen sloeg buiten de sfeer om. Er klonk geschreeuw, een sirene, brullend motorengeluid. Omdat de schuifdeuren van de (aan de achterkamer grenzende) serre openstonden konden wij alles goed horen. Hier en daar zag ik een paar politieagenten. Plotseling kwamen er tientallen Satudarahleden aanrennen en vormden een cordon aan beide kanten van de straat zodat er niemand meer in of uit kon. Mijn vader veerde op in zijn bed, zijn ogen glansden en mijn moeder begon begeesterd te vertellen dat ze vroeger, toen ze nog schooljuf was in het nabijgelegen dorpje Teuge, het nichtje van de toenmalige Molukse president les had gegeven. En of de huidige president in ballingschap ook nog voorbij zou komen? Dat zou wat zijn. Ineens reden drie Molukkers op een motor voorbij die salueerden terwijl ze langs het gele busje voor het huis reden.
      ‘Die president zit vast in dat busje,’ grapte ik.
      ‘Huh, zit de president in die bus?’ riep mijn vader vanuit zijn bed in de achterkamer. 

Tijd om uit te leggen dat dit een grapje was hadden we niet want voor we het wisten stond Pauline Broekema van het NOS journaal hijgend in de serre, of ze even haar camera en mobiel mocht opladen. Ze was zo door de open tuindeuren komen aanvliegen en schrok zich rot toen ze mijn magere vader zag liggen in zijn hoge torenbed in een zee van pillen en uitvallend haar. ‘Mijn man is terminaal!’riep mijn moeder vanuit de voorkamer, alsof dit de schuld van de NOS was. Pauline knikte vriendelijk doch verward en zei dat we bij het raam moesten wegblijven omdat Molukkers niet van blanken hielden. Dat leek mij een nogal boude bewering, maar Pauline hield voet bij stuk en vertelde op samenzweerderige toon dat er buiten ruzie was uitgebroken vanwege ‘blanken’ die zich tussen de Molukkers hadden begeven. Mijn moeder rechtte haar rug en vertelde aan Pauline dat zij het nichtje Soumokil in de klas had gehad. Ik vroeg mij af of die woeste meute buiten hier gevoelig voor zou zijn. 

      ‘Is die president nu al uit die bus inmiddels?’ riep mijn vader vanuit zijn bed.
Paulien keek verstoord op maar negeerde het, je kon goed merken dat ze oorlogssituaties gewend was, ze keek enorm serieus en voerde daar in die serre allemaal interessante handelingen uit met mij schier onbekende communicatieapparaten en shit. Ze was haar cameraman kwijt, hijgde ze, dus moest ze het allemaal zelf doen. Contact leggen met het NOS homefront en zo. Ik keek uit het raam. Buiten, tussen de relschoppers door liepen op hun dooie gemak een aantal Molukse vrouwen met buggy’s en baby’s.
      ‘Ga bij dat raam weg,’ gilde Pauline Broekema vanuit de serre. Ik keek naar de Molukse kinderen, ze aten appeltjes en lachten naar hun moeders. De moeders keken vertederd naar de schreeuwende mannen die door de straat renden, al die stoere bonken, een beetje met elkaar ouwehoerend, wat zouden ze lekker slapen straks. Mijn moeder kwam naast me staan.
      ‘Als ze gaan vechten,’ zei ze, ‘loop ik naar buiten en zeg dat ze op moeten houden.’
Ik keek geamuseerd naar dat kleine vrouwtje naast me van 1.65 meter.
      ‘Denk je nou echt dat ze naar je zullen luisteren mam,’ vroeg ik.
      ‘Natuurlijk,’ antwoordde mijn moeder gedecideerd, ‘ik heb Saartje Soumokil in de klas gehad.’ 

Pauline zei dat ze weer weg moest, en of ze straks terug mocht komen. Dat vonden wij goed. Ze rende de serre uit. Ik zei tegen mijn moeder dat ik al jaren wegzap als Pauline Broekema in beeld komt tijdens het acht uur journaal omdat ik niet tegen haar stem kan. En daar is geen woord van gelogen. Mijn moeder leek een beetje beledigd. Kwam er eens een beroemdheid binnen, ging ik het weer verpesten.

Achter ons klonk een luid gezoem. Mijn vader lag diagonaal, met zijn voeteneind hoog in de lucht en zijn hoofd hing ergens beneden. Hij drukte verwoed op de knopjes van zijn afstandsbediening maar het bed was niet meer in beweging te krijgen.
      ‘Heb je hulp nodig?’ vroegen wij vriendelijk vanuit de voorkamer, maar nee, wat dachten wij wel, hij wist heus wel hoe dat stomme ding werkte, daar hoefden wij ons niet ook nog eens tegenaan te bemoeien. We lieten hem een tijdje schuin hangen, het binnensmonds gevloek en gemopper negerend.  Na een minuut of drie liep ik erlangs en wees terloops naar het correcte knopje om gelijk daarna de tuin in te lopen. Net toen ik langs het raam van de achterkamer liep, waarachter mijn vader -nog steeds met zijn voeteneind omhoog- lag, klonk er naast mij een harde knal, een evenzo harde vloek en doemde het verstoorde hoofd van mijn vader met een rotvaart voor het raam op. Vanuit mijn ooghoeken zag ik Pauline Broekema verwilderd de straat oprennen, ze beukte bijna een Moluks kind omver.

donderdag 19 oktober 2017

#metoo en de butchbitches

Misschien leef ik onder een steen hoor, wrsl wisten jullie dit allang, maar ik schrik er van. Na gisteren en eergisteren een waterval van aangrijpende   #metoo verhalen te hebben gelezen, er zelf eentje te hebben gedeeld, kom ik vandaag allerlei berichten tegen van vrouwen die zich denigrerend en bitchy uitlaten over dit fenomeen. 
En ik weet niet waar die wijven last van hebben, maar ik moet zeggen, het voelt pretty nasty om in de rug gestoken te worden door je eigen soort. Degenen die nota bene als geen ander weten hoe wáár en oprecht al die #me-fucking-toos zijn, en waar ze voor dienen. De goede zaak. Die net lekker aan de rol was, weet je. Alle neuzen vooruit, zelfs mannen gingen die shit delen en goeie dingen roepen. Vooruitgang! Wie weet, dacht je soms in een onbewaakt hemelsblij ogenblik, kunnen later ooit onze dochters normaal over straat!!!
Maar nee, dat ging allemaal zomaar niet. De butchbitches zouden ons sneue metootjes wel even uit komen leggen dat we eigenlijk zanikerds waren, met onze huiliehuilie berichten. We moesten maar een beetje flink zijn. Er een beetje om lachen. Want wat was dat nou helemaal, een verkrachtingetje, een aanrandingetje, ja, jemig, daar hadden we allemaal wel es mee te maken, hè. Je kon over alles wel gaan lopen zeuren. Get over it!
Of de nuanceringen, ook zo tranentrekkend lelijk. Want eigenlijk moesten we medelijden hebben met de daders, die arme jongens wisten gewoon niet beter, waren zo opgevoed. Echt, je gelooft me misschien niet, maar ik zag het voorbij komen, ik zweer het je. Toen ik dat las heb ik minstens drie kwartier lang met open mond in de tuin naar adem staan happen. (ik weet niet of dit fysiek kan, maar het gaat even om het beeld). Afijn. Wat ik zeggen wil. Fuck de haters, dat wil ik zeggen. En laat je als vrouw niet dubbel naaien. Eerst door de daders en daarna door die zieke figuren op internet die er zonodig hun sneue wufte (dames)meninkjes op los moeten laten. Want jullie zijn allemaal dapper en lief en mooi en knap en flink. En je mag al je metoos delen tot je er bij neervalt. Zonder nuanceringen, zonder politieke correcte shit, gewoon, rauw en kut, zoals het was/is. Omdat dat zin heeft. Daarom.

dinsdag 26 september 2017

Johanna Geels optimist bij EenVandaag

Vandaag was ik de optimist bij het NPO1 radioprogramma EenVandaag, nav een column over pijnpatienten die ik drie jaar geleden voor HPdeTijd schreef. Er is veel veranderd in de tussentijd, zo is het aantal chronische pijnpatienten bijvoorbeeld, door meer en beter onderzoek, verdriedubbeld. 

Ik ben zelf pijnpatient, mijn dochter is pijnpatient en 3 miljoen Nederlanders zijn het met ons. Dat is 18% van de bevolking! Voor al die helden steek ik vandaag nogmaals een kaarsje (lees: etherisch vuurtje) aan. O ja, en ik lees een gedicht voor natuurlijk.



vrijdag 22 september 2017

Mooi werk in museum Belvédère


Gisteren (21-9) brachten Kees (van der Knaap) en ik tekeningen naar museum Belvédère in Friesland, waar een selectie van zijn werk (tekeningen van Radio Kootwijk) binnenkort te zien zal zijn, en vielen middenin een drukbezochte kunstbeurs. Ik kocht een tekening van Henk krist, die mij aan 'De Eenzamen' van Munch deed denken en zag prachtig helduister werk van Alle Jong.

Kees zijn werk is te zien vanaf 27 september. De kunstbeurs duurt tot zondag 24 september. Het museum ligt prachtig midden in de natuur, dus dubbel prijs! 

Museum Belvédère
Oranje Nassaulaan 12
8448 MT, Heerenveen-Oranjewoud

Meer info: https://www.museumbelvedere.nl/
The Moor, Kees van der Knaap







Henk Krist, Back Home

Alle Jong





















woensdag 20 september 2017

Wat een tuin ziet als hij slaapt (deel III)


Ik heb misschien niet veel van de wereld gezien, maar de wereld in mijn achtertuin ken ik als geen ander. Ik ben in boomtoppen geklommen, door bladnerven gekropen, heb door hun sapbanen gesuisd en weet nu dat de wereld vanuit een beukenblad om twee uur ’s nachts zachter en meer gedempt klinkt dan vanuit een eikenblad. 

Ik hou van beuken. Ze zijn de koningen van het bos en zien er zo geil uit als het net geregend heeft. Die natte dikke stammen als glanzende pikken, dat zwoele geritsel van het tere blad als een minnaar die iets fijns in je oor fluistert alvorens hij je ongenadig te grazen gaat nemen.

Ik heb een tuin van niks. Vijf bij tien meter gevuld met wildgroei. Ooit heb ik er, in betere tijden, strakke funderingen aangelegd. Maar door de jaren heen zie ik hoe mijn tuin steeds meer uit zijn voegen kruipt. Het gazon inneemt, het terras, steeds dichterbij komt, en elke keer als hij de muren van mijn huis raakt hoor ik het ritselen in mijn slaap. Alsof iemand aan de binnenkant van mijn hoofd kriebelt. Dan pak ik de snoeischaar en knip de scheuten bij.

Ik heb een periode achter de rug waarin er aardig wat in mij is gehakt en gesneden. Dat moest, wilde ik blijven leven, maar ik haat de achtergebleven littekens, de roodpaarse strepen die als lianen over mijn buik lopen en nog altijd dik en pijnlijk zijn. De huid die na vier operaties nooit meer mooi strak, zacht en onschuldig verend zal worden. Het is de buik van een strijder, zegt mijn geliefde dan.

Mijn geliefde is als een beuk in het bos. Elke keer als ik hem zie trilt het vanbinnen een beetje. Dan wil ik zijn handen voelen, zijn zachte levende buik, zijn hitsige tong. Is ie echt? denk ik dan, echt helemaal voor mij alleen echt? Alsof ik het nooit helemaal durf te geloven. Dat laat ik nooit merken natuurlijk. Soms moeten dingen onbesproken blijven om ze te laten bestaan.

Laatst reden we door een dorpje waar ik vroeger gewoond heb. Ik vertelde mijn geliefde een verhaal dat ik al driehonderdduizend keer heb verteld. Hij zei dat ik het verhaal al driehonderdduizend keer had verteld. Ik zei dat echte liefde inhield dat je elkaar driehonderdduizend keer hetzelfde verhaal kon vertellen. Mijn geliefde keek me geamuseerd aan. ‘Is dat zo?’ vroeg hij. Al was het niet echt een vraag hoor, dat hoorde je duidelijk aan zijn stem. ‘Ja, dat is zo,’antwoordde ik bozig. ‘Wat is echte liefde volgens jou dan,’ vervolgde ik, nog steeds een beetje stuurs. ‘Echte liefde is een harde lul krijgen als je langs loopt,’ antwoordde hij.

Mijn geliefde is heel goed in het mijden van funderingen. Muren, poortjes, hekjes, hij ziet ze niet. Op andere dagen lijkt zijn wereld dan weer juist en alleen uit funderingen te bestaan. Houdt hij van reizen. Of heeft hij genoeg aan mijn achtertuin. Neemt hij alles serieus, of helemaal niks. Ik denk dat ik mede daarom zoveel van hem hou. Ik kan heel slecht tegen zeker weten. Zeker weten is de dood en alle oorlogen en gektes van de wereld tegelijk.

Mijn overgrootopa was dominee en professor hoogleraar in de theologie. Eerst bestudeerde hij jarenlang het geloof en daarna gaf hij er les in. Een paar minuten voor zijn dood echter ging hij ineens twijfelen en stierf vol gewetenswroeging. Ergens tussen het bestuderen, lesgeven en zijn dood in moet het dus mis zijn gegaan. Moet het geloven langzaamaan zijn overgegaan in een soort van zeker weten. En de pest met zeker weten is, het neemt alle ruimte in. Als het wegvalt heb je niets meer. 

Verder wil ik nog even zeggen dat ik slecht tegen ruzie kan. Dan ga ik trillen, zie ik alleen nog maar vlekken, hoor ik de aarde gonzen en moet ik weg. Daar ben ik ooit voor in therapie geweest, maar dat hielp geen zak. Tot ik een therapeut vond die zei dat ik mijn best niet meer hoefde te doen. En dat ik blij moest zijn met elke dag die ik redelijk normaal doorkwam. Vanaf dat moment zijn er al duizenden dagen prettig voorbij gegaan. Miljoenen seconden van turen, lopen, bouwen, slapen, zitten, beuken omarmen, knopen aan jasjes naaien, stukjes schrijven en vaasjes afstoffen.

Ik heb mezelf aangeleerd om tijdens ruzies aan nerven van beukenbladeren te denken. Weet je nog, zeg ik dan tegen mezelf, die middag in april, dat ik het meest zachte, verse en net uitgerolde blad ter wereld vond? Gewoon, achter de sering. En dat ik het streelde. Ineens iets nats voelde, omdat ik het kapot had gewreven, per ongeluk, tussen mijn vingers.



zondag 17 september 2017

De nacht dat Linda de Mol op mijn feestje kwam


Vannacht had ik een feestje. Linda de Mol kwam ook. Ik had een ronde tafel neergezet zodat niemand aan het hoofd zat. Ik zag dat Linda, na een afvalpoging eerder dit jaar, nog steeds slank was en eerlijk gezegd baalde ik daar een beetje van. Ik had stiekem gehoopt dat ze weer was aangekomen. Gewoon, omdat een Linda met een iets te hoge BMI voor mijn gevoel meer ‘van ons’ is.
Ik weet niet waarom maar ik was nogal gefascineerd door Linda’s haar. Waarschijnlijk staarde ik er te lang naar want op een gegeven moment draaide ze zich naar me toe en vroeg of er iets mee was. ‘Nee,’ stotterde ik, ‘nee, niets. Het is, het is, het is gewoon…’

Verder kwam ik niet en voor ik het wist ging mijn hand naar haar hoofd. Linda zette het op een krijsen. ‘Mijn haar!’gilde ze, ‘mijn haar!’ ‘Oh sorry, sorry,’ antwoordde ik, ‘ik wilde alleen maar voelen, ik vind het zo mooi. Mag dat?’ ‘Nee, natuurlijk mag dat niet!’gilde Linda. Haar hoofd was inmiddels blauwpaars aangelopen. ‘Sorry,’herhaalde ik, ‘ik wist het niet, ik leef in een wereld waarin je aan elkaars haar mag zitten.’

Ik legde mijn handen strak naast mijn bord en we deden alsof er niets gebeurd was. Linda kreeg haar normale kleur weer terug en we aten drie soepstengels en een stukje bleekselderij gestoofd in gegrilde Mexicaanse lowfat hamstervoetkussentjes.

Na het eten wilde ze mijn bibliotheek zien. Ik was ook verbaasd hoor, maar die scheen ik dus te hebben. Een prachtige ruimte was het, met hoge kasten en ladders en liften en bouwputten voor nieuwe stellingen en machines op ratelende rails die de boeken aanleverden en nog veel meer moois. Linda vroeg of er een boek van mij tussen zat. Ik knikte trots, jaha, nou en of, wel vijf, en wilde ernaartoe lopen maar op het moment dat ik bij de G van Geels aankwam zag ik dat alle boeken, en we spreken echt van duizenden hè, waren veranderd in de boeken van de Noorse schrijver Per Petterson. Linda slaakte een kreet van geluk. ‘Per! Mijn lievelingsschrijver!’

Verbaasd pakte ik een boek van Per uit de kast. En nog een, en nog een. Ze waren allemaal persoonlijk gesigneerd en voorzien van unieke spitsvondige boodschappen.

Godverdomme, dacht ik, die Per heeft het hem maar mooi geflikt. Ik weet bij die paar dichtbundels en één columnboek van mij al nooit wat ik voorin moet zetten. Nooit. Meestal zet ik er gewoon voor iedereen hetzelfde in. Ik raak helemaal in paniek in zo’n situatie. Dat moment waarop je in een roezemoezerige boekhandel een boek overhandigd krijgt, en dat de mensen je vol verwachting aankijken. ‘Het is dus voor mijn vrouw hè, die is ernstig ziek geweest. Ze zat op het randje. Daarna raakte ze verslaafd en in de Here. In die volgorde. Toen lazerde ze van een keukentrap. Tijdens het dieptebidden. Zo heet dat. Ik weet ook niet waarom. Achtdubbele beenbreuk. Ze kwam in een burnout terecht. Want het hele kampverleden van haar grootvader kwam terug. Ze telde alleen nog maar hamstertenen terwijl ze aan ronde tafel zat, zodat ze nooit aan het hoofd…, u weet wel. Dus, als u iets persoonlijks, een hart onder de riem…’

Ondertussen las Linda gelukzalig de voor haar persoonlijk gesigneerde boodschap. Er scheen licht door haar wangen heen. Of ik wist dat Per, naast geweldig schrijver, ook dichter was? Trots overhandigde ze mij het boek.

‘Voor Linda met de mooie haren,’ stond voorin geschreven. Daaronder een gedicht: ‘Netto gewicht’ heette het. Fel trok Linda het boek uit mijn handen. ‘Ik lees het wel even voor,’zei ze. ‘Dat is beter.’ Ze keek ineens heel serieus, alsof iemand ergens onder haar kin aan een touwtje had getrokken waardoor haar gezicht in de ‘voorleesstand’ was gesprongen. Oh godindehemel, dacht ik paniekerig, als ze maar niet gaat declameren. Ik haat declameren. Nou, misschien gaat het op zich nog wel, bij een gebruiksaanwijzing van een kruimeldief, The Dirt Gator IV bijvoorbeeld, maar niet bij poëzie. Declameren is de dood voor poëzie. Maar dat wist Linda allemaal niet. Die spande haar stembanden eens lekker aan, keek naar een verdwijnpunt in de verte en begon:

‘Het weegt niets meer. Dan dat het weegt.’ Hier stopte ze even, peilde mijn reactie en ging verder terwijl haar ogen ditmaal wild de grond afschuimden. ‘Het gáát waarschijnlijk minder wegen. Of hééft ooit meer gewogen. Maar nu… weegt het niets meer…. dan dat het weegt…..’

Die laatste zin klonk stemtechnisch zo laag dat ik bang was dat hij ter plekke de grond in zou zakken. Ik verwachtte meer, dus hield gehoorzaam mijn mond, maar dat had ik blijkbaar verkeerd ingeschat. Na vijf minuten begon ik me ongemakkelijk te voelen, iets waar Linda, die nog steeds gelukzalig naar de vloer staarde, overduidelijk geen last van had.

‘Mooi hè?’ zuchtte ze. Ik knikte. Ik zei maar niet dat ik twijfelde aan ‘dan dat het weegt’. Zou ‘dan het weegt’ niet mooier zijn geweest? Buiten dat was het natuurlijk een gedicht voor randdebielen.

Nu was het mijn beurt. Ik sloeg een willekeurige Petterson open en las: ‘Voor J’. Meer niet. Boos klapte ik het boek dicht en zei dat Per een oplichter was. Linda antwoordde met een serene glimlach om haar lippen dat Per slechts een spiegel van de ziel was. Ik bromde dat Linda meer hamstervoetkussentjes moest eten omdat er overduidelijk te weinig vet in haar hersencellen zat. Vet is goed voor de geleiding van neurotransmitters, ging ik verder. Dus je kunt wel leuk slank zijn en zo, maar voor je intelligentie doet het weinig goeds. Linda zei dat ik uit mijn nek lulde en dat ze naar huis wilde.


Bij de deur stonden we nog even zwijgend naast elkaar. Ondanks onze verschillen voelden we een band. ‘Een kosmische,’ zei Linda. Ik knikte. Ja, dat zou het zijn. Ze legde een hand op mijn schouder en bijna streelde ik haar blonde pony. Ze merkte mijn aarzeling op. ‘Ik wou dat ik ook in een wereld woonde waarin je aan elkaars haar mocht zitten,’zuchtte ze. ‘Het kan nog,’antwoordde ik, maar Linda en ik wisten allebei dat dit niet waar was.

maandag 28 augustus 2017

Wendy’s Gouden Frietpaleis

Op het moment herlees ik de gedichten van Lorca en vind dat wederom zó mooi dat ik het telkens weg moet leggen. Met proza heb ik dat nooit. Een prachtige roman lees ik het liefst in één keer uit.
Mooie, écht mooie poëzie verdraag ik bijna niet. Alsof ik naakt door een regenbui van scheermesjes moet fietsen. Moet, hè, want liefst leg ik na elke zin mijn boek weg. Gewoon, omdat ik wil dat het stopt. Ik zeg dan tegen mezelf dat ik dapper moet zijn, ik kan het heus wel, een heel gedicht uitlezen, ik ben zelf dichter nota bene. Ja, eentje van niks, moppert een stem in mij, een flutdichter, een rommeldichter, een handelaar in ouwe voddendichter. Zwakke en zinloze pogingen om dingen die van zichzelf al prachtig mooi zijn een nieuwe plaats in ‘het spectrum’ te geven. Flikker op met je spectrum. En waarom dan. Leg dat maar eens uit. Totale waanzin. Spielerei. Ga wat nuttigs doen, idioot. Ga kinderen redden die door moeders op de rug gedragen door oorlogen schuiven. Ga biologische kroketten in hipstervet bakken, koop een keten van frituurhuizen die ‘Wendy’s Gouden Frietpaleis’ heet en een geit die nooit stinkt.

En wat ook gênant is, in de grond is dit allemaal onderdeel van dat verveelde schrijversgeleuter, zo van, ah, boehoe, kijk mij nou eens een getormenteerde dag doormaken in mijn getormenteerde lullige schrijvertjesbestaan. Dat je denkt, ik koppel mezelf daarvan los door het te benoemen, maar dat je het daarmee eigenlijk alleen erger maakt.

Er is dus die hoepel die om je heen draait, met glitters en lichtflitsen erin, tovenarij gewoon, hij lonkt, gonst, zingt, je wil hem vasthebben, maar elke keer als je denkt, ik heb hem, glipt ie weer uit je handen, rolt stratenlang voor je uit, door riolen en konijnenpijpen, tot je hem uiteindelijk vindt, op een vroege zondagochtend, helemaal uitgeglitterd en geflitst, gewoon een versleten hoepel in een uitgestorven park, als een gebruikt condoom achtergelaten in een bosje. Kerkklokken dramdreinzen in de verte, deuren in de stad gaan open, grijs geklede vogels sjokken in stoeten op het gebeier af, als motten naar een lamp.

Je pakt de hoepel op, hij ligt er tenslotte, je wilde hem tenslotte, zet hem thuis neer op een goede plek. Je kijkt ernaar, wijst ernaar als er visite is, vertelt er een mooi verhaal bij, zet hem op Facebook, op Instagram, paar sterretjes erbij, nieuw in de app, jottem, leuk, zonnetje, maantje, oh leuk, nieuw, iemand taggen die ook iets met schrijven doet, iemand taggen die ook wel eens onder het maanlicht in een drol is gaan staan, oh leuk iemand taggen die laatst zijn dode hond in chichoreiwortelaroma heeft gebakken en daarna alleen nog maar het alfabet kan blaffen. Of nee, wacht, iemand die iets met muziek bij gedichten doet, oh, origineel zeg, of met verf en bloedverdunners. Verf en bloedverdunners in prozacolie. Met Japanse liedjes erbij, ijl gezongen door een vrouw die in shibaristijl boven een podium hangt.

Mag ik nu ophouden? Gelukkig, de bel gaat. Er staat een pad voor mijn deur. De bulten op zijn rug glanzen in de zon. De pad is de weg kwijt. Ik zeg, je kunt hier helemaal niet verdwalen, idioot, ons buurtje kent maar drie straten en een zebrapad. De pad lacht charmant, verontschuldigt zich en huppelt weer weg. ‘Effe testen,’roept ie me nog na, ‘effe kijken of jij het nog wist.’ Ik gooi een verdwaalde sterrenappel naar zijn hoofd (mijn tuin ligt daar vol mee), maar die mist.

Meneer K belt, ik vertel hem van mijn paniek bij mooie poëzie. Je hebt het Stendhalsyndroom, zegt hij. Ik heb daar nog nooit van gehoord, maar zo zijn de verhoudingen tussen ons. Ik verzin dingen en meneer K weet daar dan een bestaand verhaal bij te vertellen. Of in dit geval, een syndroom aan te koppelen. In het kort houdt het Stendhalsyndroom in dat je zo overrompeld wordt door de schoonheid van kunst dat je er niet goed van wordt. De Mona Lisa zien en dan flauwvallen bijvoorbeeld.

Waar was ik gebleven. Lorca. Ik neem een gedicht. Stad zonder slaap. Die eerste regels vind ik al zo fijn: Niemand slaapt in de hemel. Niemand, niemand. Niemand slaapt.
Stel dat ik ze geschreven had. Ik kan me zo al 1883 redacteuren voor de geest halen die zouden zeggen, nou Johanna, vier keer ‘niemand’ in twee zinnen, twee keer ‘slaapt’ in diezelfde twee zinnen, nou, ik weet het niet hoor. Sterker nog, ik zou dat waarschijnlijk zelf ook zeggen. En vervolgens een paar niemanden en een slaap schrappen. Stom! Gewoon niks van aantrekken dus. Als iets goed is, is het goed. Alle niemanden en slapen ten spijt. Maar dan. Het gedicht zelve. Zo mooi. Ik buig, ik buig, zo diep als mijn rug, die rottige krakende plank het toelaat. Even een paar witregels inlassen, hoor, want ik heb het nu helemaal verpest voor Lorca met mijn woordengediarree.

Stad zonder slaap

Niemand slaapt in de hemel. Niemand, niemand.
Niemand slaapt.
De maanschepselen snuffelen en sluipen om de hutten.
Straks komen de levende leguanen de slapeloze mensen bijten
en wie vlucht met gebroken hart vindt op de straathoeken
de ongelofelijke krokodil kalm onder het tere protest van de sterren.

Niemand slaapt in de hemel. Niemand, niemand.
Niemand slaapt.
Op het verste kerkhof
klaagt een dode al drie jaar lang
over een dor landschap op zijn knie
en het kindje dat ze deze ochtend begroeven huilde zo hard
dat ze de honden moesten halen om het te bedaren.

Het leven is geen droom. Kijk uit! Kijk uit! Kijk uit!
We vallen van de trap en eten vochtige aarde
of klimmen tot de scherpe sneeuwrand met het koor van dode dahlia’s.


Maar geen vergeten of slaap:
lillend vlees. De kussen strikken de monden
in een warnet van jonge aders
en wie pijn lijdt zal onverpoosd pijn blijven voelen
en wie de dood vreest zal hem op zijn schouders dragen.


woensdag 26 april 2017

Snoekenruil

Soms zou ik mijn kinderen willen bellen om te vragen wat ze er aan overgehouden hebben. Aan al die jaren hier, met mij, katten en cavia’s, de kleuren van het wisselbehang, de periodes zonder vlees, man, suiker of vaste vloerbedekking op de trap.

Wat! zou ik willen roepen. Wat! Ik was misschien te druk, teveel, te ongeduldig ook, maar je belt je kinderen niet midden in een leven om vragen te stellen die niemand ooit beantwoorden kan zonder liegen of wegkijken.

Ik heb wel eens een alarmnummer gebeld om drie uur in de nacht, een dikke man nam op.
Dat ie dik was kon ik horen aan het gewicht van zijn stem die in zijn slokdarm was gezakt, daar dag en nacht verlangend naar eten hengelde met een verlichte snoekhaak die diep in zijn maag hing.

Ik weet nog dat het licht van de straatlantaarn naar binnen scheen, precies op de oude fauteuil die me spottend aankeek. Ik voelde me een indringer, alsof de kamer overdag van mij maar ’s nachts van hem was.

‘Ik versta je niet!’ schreeuwde ik. De man aan de telefoon trok de hengel uit zijn keel en vroeg wat er godverdomme loos was. Ik antwoordde huilend dat ik te ongeduldig was geweest in supermarkten met kinderen, ik misschien wel dood ging en dat er mensen waren die op het moment dat wij praatten als verdroogde vissen in een veld lagen te sterven.

‘Snoek!’riep de man slechts, ‘snoek!’

Ik mopperde dat dit geen serieuze feedback was op mijn gelamenteer, en dat ik het alarmnummer had gebeld, geen sportvisvereniging. De man veranderde van toon en antwoordde zacht dat snoeken prachtige en mysterieuze dieren waren, en dat ik alles in mijn leven wat ademde blind kon inruilen tegen deze wonderen der natuur. Ik hoorde water op de achtergrond stromen en even leek het zelfs of er druppels door de gaatjes van mijn telefoonhoorn opblobden.

Toen ik ophing viel er een snoek door de bus, en later nog een. Elk uur hoorde ik een plof in de gang bij de voordeur. En nu, als ik goed luister, nog steeds.



donderdag 9 maart 2017

Doe de detox! (not)

Op het moment doe ik een ontgiftingskuur. Zelf was ik daar niet op gekomen, maar het leek mijn (antroposofische) huisarts een goed idee omdat ik nog steeds kamp met de nodige postoperatieve rest-ellende. Nu, na een kleine week kan ik zeggen dat het redelijk succesvol is. Ik voel me iets sterker, strakker en helderder. Eén ding echter verontrust mij. 

Iedereen die mijn werk kent weet dat ik de neiging heb om redelijk 'raar' te schrijven. Dat dekt de lading natuurlijk niet, maar ik weet het even niet anders te zeggen. Aan de andere kant, aangezien ik reeds vanaf mijn 14e jaar officieel kneitergek werd verklaard én om die reden subiet uit de leerplicht ontheven gedraag ik mij (en schrijf ik) geheel volgens de verwachting. Normaal dus. Begrijpt u het nog? Vrees niet, de kern is nakende.

Mijn hele leven droom ik al conform mijn anamnese. Paarsrode woestijnkatten die ondersteboven aan haken hangen en waar lang uitgerekte ballonwerelden soepel onder hun staarten vandaan rollen die net voor ze de grond raken veranderen in fluorescerende grondbloemen die pijlsnel wegschieten en in bermen van slaapsteden nieuwe werelden doen ontkiemen, waar paarsrode woestijnkatten uit groeien die ondersteboven… Afijn, u vangt mijn drift. Dat gedroom van mij is een van de bronnen waar ik tijdens mijn schrijven uit put. Een dankbare en makkelijke bron. Hij is er immers altijd. Elke nacht vang ik mijn dromen op in grote emmers en zet die naast mijn bed.

Tot de ontgiftingskuur. De eerste nachten ging het nog wel, maar na enkele dagen het beregezonde chlorella en spirulina in grote hoeveelheden weggestouwd te hebben waarna ik enthousiast alle kleuren van de regenboog uitplaste trof ik mijzelf vanochtend vroeg bij het wakker worden in complete verwarring aan. De emmer naast mijn bed was nagenoeg leeg. Slechts een paar letters wriemelden als visjes over de bodem. Dit is wat er stond:

1.     1. Ik ga op bezoek bij F. Als ik bij zijn huis aankom is de deur open. Ik loop naar binnen. F is nergens te bekennen. Al zijn meubels zijn weg. Er zijn anderen voor in de plaats gekomen. Er komt een jongen de trap afgelopen. ‘Hallo,’ roept hij opgewekt, ‘ik ben Bart.’

2.     2. Ik krijg mail. Beste mevrouw Geels, staat er. Op aanraden van mijn vriend Ton las ik uw gedicht over het verzorgen van een chagrijnige gehandicapte jongen. Dit leek Ton leuk voor mij omdat ik zelf al jaren voor een chagrijnige gehandicapte jongen zorg en dus affiniteit heb met het onderwerp. Ik heb uw gedicht gelezen. Ik vond er niets aan.


zaterdag 4 februari 2017

De jongen met de dunne duif op zijn hoofd

Vannacht gingen Willem Brakman en ik de kroeg in. Op verzoek van Willem droeg ik een rode alpinopet schuin op mijn hoofd. De kroeg was mij onbekend, toch werden wij binnengehaald als oude vrienden. Men keek op, zwaaide en sommigen riepen  'Willem' of 'Johanna'. Er hing een houten bord boven de bar waar onze namen in stonden gebrand, samen met tientallen anderen. “Stamgasten” stond er in een halve cirkel boven geschreven als een luifel tegen regen, wind en zonneschijn. Willem boog zich verliefd naar me toe en zette zijn lippen tegen mijn oor. ‘Een biertje voor mij, en haal voor jezelf ook wat,’ beval hij nors.
'Dat rijmt niet samen, Willem,' zei ik.
'Hoezo niet,' vroeg hij verbaasd.
'Wat je zegt en hoe je erbij kijkt,' antwoordde ik. 'Dat bijt.'
'Je moet niet zoveel over dode schrijvers dromen,' zei Willem Brakman, 'dat is niet gezond.'
'Ik heb laatst anders ook over David Bowie gedroomd, hoor,' sputterde ik tegen.

Achter de bar stond een chinees. Ik bestelde een Spa rood maar dat verstond hij niet en voor ik het wist schoof hij een bak natte koolsalade met druiven en een halfliterglas bier voor mijn neus.
‘Spa rood!’ riep ik geërgerd, ‘ik had een Spa róód besteld.’
De chinees trok me hard aan mijn haren over de toog zodat mijn alpinopet als een frisbee door de zaak vloog.
‘Oorlog,’ siste hij, ‘het is oorlog.’
Ik moest ineens aan serieuze Hollandse dichteressen van boven de vijftig denken.
‘Bedoel je niet eurlug,’ antwoordde ik.
‘Flikker op met je eurlug,’ schreeuwde de man. Zijn tanden waren zo geel dat het pijn deed aan mijn ogen. Hij had me nog steeds vast aan mijn haren en drukte de helft van mijn gezicht op het natte hout van de bar. Het rook naar bier.
‘Likken,’ beval hij, ‘anders gaat je kop eraf.’
Ik probeerde me voor te stellen hoe dat zou zijn, mijn kop op de bar, mijn lichaam er levenloos onder, hoe het van de kruk zou vallen. Gracieus in elkaar als een gebouw? Of wanhopig en lelijk met maaiende armen. Ik begon te kreunen en zacht om hulp te roepen. Willem keek mijn kant op, knikte me bemoedigend toe en praatte verder met een wat oudere man die eruit zag als een geleerde die zich daar een beetje voor schaamt. Hoog opgetrokken schouders, schichtige oogopslag, zoekende handen, van die dingen.

‘Godverdomme, Willem,’ riep ik door de zaak, ‘hou op met leuteren en kom me helpen, ja.’
‘Ik ken niemand die zo intelligent en fijnbesnaard is als die dame daar,’ oreerde Willem overdreven terwijl hij naar mij wees. De gestudeerde man die zich daar voor schaamde keek mijn kant uit. Je zag aan zijn gezicht dat hij de woorden van Willem en mijn verschijning moeilijk met elkaar kon rijmen. Logisch, ik hing ondertussen met mijn tong half uit mijn mond, scheef op mijn barkruk in de meest onflatteuze houdingen die spatel te ontwijken.

Er kwam een schoolklas binnen. De kinderen droegen een duif op hun hoofd die allen een andere kant opkeken. De jongen met de dunste duif keek ernstig toe hoe de chinees mijn hoofd aan het bewerken was. Hoe hij op mijn mond sloeg, mijn wangen, mijn ogen.
‘Zachte wangen slaan het fijnst,’ hoorde ik een meneer aan een tafeltje verderop zeggen. ‘Vrouwenwangen, meisjeswangen, hamsterwangen. Net als billen. Vrouwenbillen, meisjesbillen, hamsterbillen. Het heeft met vering te maken, begrijp je. De intensiteit daarvan. Een juiste vering neemt aan en geeft in eenendezelfde beweging terug. Dat zou je overgave kunnen noemen, ware het niet dat zulks een matter of the mind is, en dat kun je van een huidvering niet zeggen, dat is meer eh, natúúrkunde, geloof ik. Denk ik.’

De jongen met de dunne duif op zijn hoofd ging met zijn hand omhoog, aaide het dier zo zacht als mogelijk was en vroeg in het wilde weg of iemand hem kon vertellen waarom ik op mijn hoofd werd getimmerd.
‘Ze bestelde een Spa rood,’ wist iemand.
‘Is dat een reden?’ vroeg de jongen.
‘Voor alles is een reden,’ zei Willem, die naast de jongen was komen te staan.
‘Ze bestelde een Spa rood maar kreeg natte koolsla,’ zei de oude meneer die zich voor zijn gestudeerdheid schaamde. ‘Iets met langs elkaar heen lopende verbindingen. Omgekeerde synchroniciteit.’
‘Juist,’ zei Willem. ‘Dat bedoel ik.’
Hij wees naar de jongen met de dunne duif op zijn hoofd.
‘En wie ben jij?’
‘Ik ben de jongen met de dunste duif,’ antwoordde hij.
‘Kunnen duiven eigenlijk wel dun zijn,’ vroeg Willem aan de gestudeerde meneer.
‘Mmm, er zijn ook dikke duiven,’ antwoordde deze, ‘dus wellicht zou je dan ook…’
Op dat punt schoof zijn hoofd zo diep zijn schouders in dat hij onverstaanbaar werd. Je hoorde slechts nog wat gemurmel. Willem pakte een bakje noten van een tafel en hield dat voor de duif. Die draaide beledigd zijn hoofd naar het noorden.
‘Hij eet niet,’ zei Willem.
‘Nee,’ zei de jongen.
‘Wat nee,’ zei Willem.
‘Nee, meneer Brakman,’ zei de jongen.
‘Hou op met die flauwekul,’ schreeuwde Willem ‘en zeg me waarom die duif niks wil vreten.’
‘Omdat hij anders geen dunne duif meer is,’ antwoordde de jongen zacht.

Toen ik wakker werd greep ik direct naar mijn mobiele telefoon en zocht op afbeeldingen naar Willem Brakman. Hij leek voor geen meter. 

vrijdag 27 januari 2017

Rapsodie in B

Je kent dat wel, bij het zoveelste gedolven gat.
En dat je vroeger aan de dode dacht, en nu slechts
aan de afgebroken fietszadelpen van S,
het kapotte 24uurskaarsje van de Lidl.

Treurlied 1. Treurlied 2. Treurlied zonder eind.

Vrouw uit raam: ‘In den beginne was er niks. Niks dus.
En moet je nou kijken.’

Maar jij keek enkel onder de motorkap van je Cherry Tango.
In een tijd waarin alles okay was. (Omdat ik beter faken kon?)
Terwijl ik minstens tien keer op een nacht
uit elkaar getrokken werd, beenhard.

Maar sinds ik twee keer dood was. Fysiek dood.
Echt dood dus hè, geen grapje (en nooit licht zien, of tunnels,
ik bedoel, zelfs in de dood besta ik niet).
Mijn lithiumloze driepits hersenbak naar Australisch kangoeroemodel
compleet verlittekent blijkt te zijn waardoor ik (pingpong, pingpong)
veel vergeet (en waarmee ik maar zeggen wil, schatje, het is geen onwil).

Behalve de olifantsberg tweeduizend kilometer verderop
die in een tiende seconde zomaar ophield te bestaan.
En waar nooit meer zonnen opkomen of ondergaan.

Ik hield van die berg, de goden die hem bewoonden, de boten die af en aan, als messen
door hem heen gleden, maar hij ging niet dood, nooit dood, hij sliep slechts,
als een vader, met zijn mond een beetje open, de televisie op de achtergrond zacht aan.

Er waren mannen, vaders, bergen. Die plotseling ophielden te bestaan.
En er is een wereld die voorzichtig naderbij sluipt.
’s Nachts hoor ik hem, zijn gierende adem langs het raam.