woensdag 16 oktober 2013

Monogamie is cool! (en waarom vreemdgaan voor losers is)

Column HP/DeTijd van 14 oktober

Deze week doe ik een beetje stichtelijk. Soms moet dat. U kunt nu nog terug. 

Het begon allemaal op Nederland 2. Daar hoorde ik dat brandganzen monogaam zijn. Het schijnt dat een brandganzenpaar een leven lang bij elkaar blijft.

De hele week dacht ik na over de brandgans. Ik stelde me voor hoe twee brandganzen samen in een veld stonden. De een pikkend in de grond, de ander ernaast met een vertederde blik in zijn ogen. Hoe ze samen door het vijverwater van een stadspark gleden. Telkens overviel me een gevoel van weemoed. Waren mensen maar zo trouw. Ik dacht aan een vriendin, een mooie sterke vrouw met kinderen die zojuist na jaren lief en leed door haar vriend als een oude jas was ingeruild voor een blond, simpel en kinderloos exemplaar. De man in kwestie was het klassieke voorbeeld van een foute man. Altijd was ze hem blijven steunen, wat ie haar ook flikte. Drank, vrouwen, driftbuien. Want hij kon zo lief zijn. En hij had zo’n rotjeugd gehad. Ze begrépen elkaar zo goed. Tot hij haar ijskoud verliet. ‘Een foute man is als een gokkast,’ had ze verzucht, ‘je stopt er van alles in maar krijgt niets terug.’

De wereld als speelplaats
Wee de goedgelovigen, de trouwe zielen. Zij die verlaten worden voor vrouwen of mannen zonder kinderen, zonder volle gezinsboodschappenlijstjes in hun zak of zonder scrupules...
Lees verder op HP/DeTijd...

donderdag 10 oktober 2013

Laura Palmer wil vrienden met je worden op Netflix

Column voor HP/DeTijd  6-10

Afgelopen weekend was ik bij mijn geliefde, meneer K. Meneer K heeft geen internet, geen Netflix en geen smartphone zoals ik en communiceert derhalve nog in volzinnen waarbij hij je gewoon aankijkt, een unicum in een wereld waarin de meeste mensen tijdens een gesprek met paniekerige ogen de ruimte doorzoeken of er al ergens een blingetje, bliepje of tingeltje afgaat. Ook leest meneer K nog boeken. Met een leesbril, die dan halverwege zo lief scheef op zijn neus hangt. Soms leest hij me voor. Laatst weer. Zijn hypnotiserende bromstem tilde me behoedzaaam op en droeg me door werelden waarvan ik het bestaan slechts kon vermoeden.

Facebook
Toen zei mijn mobiel ineens heel hard: PLOINK. Meneer K legde zijn boek geamuseerd aan de kant. Hij keek me verwachtingsvol aan. 

Verder lezen op HP/DeTijd...

maandag 7 oktober 2013

Bij de 100e geboortedag van Simon Carmiggelt

Eekhoorntje op lange weg

(geïnspireerd door S. Carmiggelt)

Het is ochtend. Al ochtend moet ik zeggen.
Ik ben vergeten waar alles om draait.
Vannacht wist ik het nog, o’droom o’droom,
ach neen, ik droomde helemaal niet.

Er stond een eekhoorn naast mijn bed,
in zichzelf gekeerd, probleemgeval.

Flikker toch op man, riep ik,
zie je niet dat mijn borst bonkt,
mijn boezem fibrilleert, mijn spieren ontploffen,
ik op het punt sta god te aanvaarden als heer
en meester van dit hakkelend evenwicht called Glory?

De eekhoorn lachte minzaam, hij bleek best groot.
Voor iemand die de vraag draagt, sprak hij langzaam
en in dubbele tonen geschakeerd, gedraagt u zich wat bruusk.
Ach bruusk, banaal, gezwollen levertaal, het zou wat eekhoorn,
bitste ik hem toe, ik braak enkel vragen die vrucht dragen.
Momenteel dan, straks wil alles anders.

Ja toen. De eekhoorn stond met een tandeloos’ muil ineens
aaibaarheid uit te beelden terwijl hij aan zijn oor trok en
Eureka! riep.

Dit was dus zo’n zeldzame nacht die ergens over ging.
Die mensen zouden willen verzamelen, bewaren in een stemmig
eiken nachtkastje. De stand van zaken kwam aan het licht in een
overdonderend refrein. Iemand riep bis, betonnen tafelen werden
verbrijzeld, levendige inzichten werden ritueel opgeblazen terwijl
stemmen uit holle buizen ‘waanzin, waanzin, order, order’ riepen.
Van die dingen.

Maar het is ochtend. Al ochtend, moet ik zeggen.
En ik ben vergeten waar alles om draait.

dinsdag 1 oktober 2013

Ongearticuleerd gorgelen

Aangezien mijn zoon ‘Losse opmerkingen’ van Ludwig Wittgenstein dubbel heeft staat er een exemplaar in mijn boekenkast. Hij hangt gemoedelijk tussen ‘De tarot in de herstelde orde’ en ‘Johanna de waanzinnige’ in. Omdat iedereen om mij heen zegt dat Wittgenstein onbegrijpelijk is voor normale mensen durf ik er niet aan te beginnen.
Ik ben dan wel op mijn veertiende reeds officieel knettergek verklaard en loop sindsdien als een folklore-indiaan in een zelfgeschapen en gesubsidieerd reservaat rond, toch houdt iets mij tegen.

Vanochtend echter trok ik hem ineens uit de kast alsof het een woordenboek betrof. Nonchalant, onderwijl aan andere dingen denkend. Ik sloeg het open met de flair van een toneelspeler en las:

Je moet nieuwe dingen zeggen en toch louter oude dingen. Je moet weliswaar alleen oude dingen zeggen – maar toch iets nieuws!
De verschillende ‘opvattingen’ moeten beantwoorden aan verschillende toepassingen.
Ook de dichter moet zich steeds afvragen: ‘is wat ik schrijf wel werkelijk waar?’ Wat niet moet betekenen: ‘Gebeurt het zo in werkelijkheid?’

De walnoot in mijn hoofd begon te kraken. Ik las de tekst over en over. Langzaam daalde het in. ‘is wat ik schrijf wel werkelijk waar?’ Nee, natuurlijk niet, ik verzin elke dag hele nieuwe werelden bij elkaar. Wat niet wil zeggen dat alles wat onder de letters broeit, in mijn beleving althans, niet ontegenzeggelijk waar is. Ook al gebeurt weinig of niets daar van in werkelijkheid.

Ik ben geen taalfilosoof en er valt vast veel meer over te zeggen maar ik vond het wel goed zo. Ik begon het trucje te begrijpen. Simpele dingen moeilijk opschrijven. Dit werd me vooral duidelijk op bladzijde 33 waar Wittgenstein zich verbaast over de dichter von Kleist die ooit schreef: ‘dat de dichter het liefst in staat zou willen zijn, de gedachten zelf zonder woorden over te brengen.’
‘Wat een eigenaardige bekentenis’ schrijft Wittgenstein daar tussen haakjes achter.

De walnoot in mijn hoofd brak. Há, dacht ik. Nu heb ik je, ouwe ijdeltuit. Daar zit het verschil. Een dichter zegt alles met bijna niets tenslotte. Een (goede) dichter weet dat je moet fluisteren tijdens lawinegevaar (meneer K zijn woorden hoor, niet de mijne), een (goede) dichter schmiert en zwelgt niet. Bolt niet op als Augustus Gloop van Roald Dahl, pronkt niet met gezwollen levertaal, nee, die wijst zwijgend met een bloedende vinger recht naar een woord op een bord en loopt vervolgens met de handen in de zakken sloffend weg, onverschillig voor het feit dat zijn broekzak langzaam rood kleurt.

Nou ja, ik zeg zo maar wat natuurlijk. Vanuit mijn kleine begrensde reservaat. En Wittgenstein maakte het gelukkig goed bij de eerste losse opmerking van het boek op bladzijde 9:

‘Wanneer we een Chinees horen spreken, zijn we geneigd te menen dat het een ongearticuleerd gorgelen is. Iemand die Chinees verstaat zal er de taal in herkennen. Zo kan ik vaak de mens in de mens niet herkennen.’

Ik las dit vertederd. Ook Wittgenstein was uiteindelijk gewoon een indiaan, in zijn eigen gecreëerde reservaat. Ik las verder maar de golven in mijn hoofd waren gaan liggen. De indiaan zat op een kei en keek door een gat in het hek. Als hij zijn ogen op een bepaalde manier dichtkneep werd het groter en groter.

Ik belde zoon. Trots. Dat ik Wittgenstein had gelezen. Er hier en daar zelfs iets van begrepen had. Oh, zei zoon, Losse opmerkingen, ja. Dat is zijn enige begrijpelijke boek, mam. Er staat ook veel onzin in, hoor.

Ik knikte. De oude indiaan stond op van zijn kei, slofte weg van het hek.

zondag 29 september 2013

Bellen met... het Grijze Gebied (column HP/DeTijd 29-9)

Triiing. 
Goedendag, dit is de telefonische beantwo...tuut, tuut, tuut, hallo?
JG: Spreek ik met de reparatiedienst van De Goede Woning?
DGW: Daar spreekt u mee.
JG: Mooi. De inbouwspotjes van mijn keuken zijn kapot. 
DGW: Hm. Spotjes, zegt u. Dat lijkt mij geen klusje voor de reparatiedienst.  Misschien dat het klusteam u verder kan helpen. Bent u lid?
JG: Niet dat ik weet.
DGW: Dan kunnen wij helaas niemand sturen. Wij doen geen elektra. Elektra is voor de bewoners zelf.
JG: Ik weet niks van elektra.
DGW: Ja, dat is spijtig. Dan houdt het op.

Slopen
JG: Maar dit zijn inbouwspotjes. En die zijn ingebouwd hè. Dus daar kan ik moeilijk zelf bij. Of ik moet de keukenkastjes van de muur slopen. Is dat soms ook voor de bewoners zelf? Keukenkastjes van de muur slopen?
DGW: Nee, slopen is niet de bedoeling mevrouw JG. Als er al gesloopt moet worden doen wij dat liever zelf.

zondag 15 september 2013

Duizend tinten grijs (herfst voor gevorderden)

Column voor HP/DeTijd 15-9:



Herfst. Als je de gemiddelde Nederlander mag geloven, overvalt hij ons land ook dit jaar weer als een insluiper.

Zodra de temperatuur ook maar een beetje daalt, de bladeren verkleuren en de eerste regenbuien zich dramatisch tegen de ramen op smijten is het verbaasde geweeklaag niet van de lucht: “Hoe kan dat nou, vorige week zaten we nog met dertig graden in de schaduw! En nu moet ineens de kachel aan!”  (verder lezen...)


zaterdag 7 september 2013

Intratuinbelevingen (column HP/DeTijd 8-9)

Laatst liep ik door Intratuin. Dit is een onderneming waarbij je eigenlijk brood en koffie mee moet nemen omdat je door een kilometerslang padenstelsel wordt geleid. Je weet: er is een begin, er moet dus ook een eind zijn, maar gaandeweg de excursie ga je toch twijfelen. Het is als Ikea, maar dan sjok je in plaats van Billy’s langs rijen begonia’s, tuinzand en plastic reuzenkikkers.

Ik passeerde de afdeling ‘decoratietakken’ en herkende het fenomeen direct. Vaak nam ik na een boswandeling een gevonden stok mee naar huis. Omdat deze op een slang leek, een komodovaraan, een paard of gewoon, op een stok. Ik kerfde er iets in, was een paar seconden heel tevreden met de situatie en legde het ding bij thuiskomst in de tuin of vensterbank. Soms vroeg iemand ernaar, meestal als het gesprek haperde en er verder niets meer te bedenken viel. Ik vertelde dan uitvoerig over die fijne dag in het bos. De dag had elke keer een ander verloop naar gelang mijn stemming. De ene keer roemde ik de grilligheid van de boomtakken, de andere keer de regenwolken die als volle taxi’s door het luchtruim joegen.

maandag 19 augustus 2013

Leve de UPC-installateur!

UPC: Gefeliciteerd mevrouw JG met uw Mediabox! JG: Dank u, dank u, ik ben er heel blij mee, maar sommige functies werken niet.

UPC: Oh, dat is vervelend. Welke functies, als ik vragen mag?
JG: Dat mag. De menuknop doet het niet. Programma gemist niet. En de radio niet.
UPC: Oh, die klacht is mij onbekend. Goh. Jemig. Nou. Dat is erg vervelend. Ik stuur een monteur. Deze komt morgen tussen acht en één.
JG: Kunt u iets speciefieker zijn?
UPC: Zeker, u krijgt een sms met het precieze tijdstip.

SMS
Die middag een sms: ‘Welkom mevrouw JG. Uw monteur staat voor morgen gepland tussen acht en één.’ Die avond: ‘Welkom mevrouw JG, uw monteur staat voor morgen gepland tussen acht en één.’ Later in de mail: ‘Welkom mevrouw JG, uw monteur staat voor morgen gepland tussen acht en één.’ Ik ga voor de zekerheid maar vroeg naar bed. De volgende ochtend per sms: ‘Welkom mevrouw JG, uw monteur….’

zondag 11 augustus 2013

Wie goed doet? Mijn reet!

Bos en Lommer, Amsterdam. Het flatje om mij heen kijkt uit op een kerk. Daar waar elke zondag gepredikt wordt over wie goed doet, goed ontmoet, zo stel ik mij voor.
Ik ben op bezoek bij zoon en zijn vriendin. Een maand geleden kwamen zij hier wonen. Sindsdien rukken wij ouders wekelijks uit met schuurpapier en verfrollers en bestoken het stel met nonsens als: ‘Na het verhuizen van een koelkast mag je deze vierentwintig uur lang niet gebruiken’ Zij bekijken ons dan welwillend om zich er vervolgens geen zak van aan te trekken, en dat is goed.
Meneer Arabou De huurbaas, meneer Arabou, is een toffe gast. Hij is altijd in voor een grapje, installeert nieuwe sloten, incasseert met een gulle lach torenhoge bedragen aan borg en huur en lult onze kinderen de oren van hun kop. Dat ze zich netjes moeten gedragen, dat ie niet houdt van rotzooi, etcetera. Wij ouders kijken dit tevreden aan, er wordt op ze gelet. Ouders zijn simpele wezens, tevreden met elk flintertje (schijn)veiligheid. Ditmaal afkomstig van de goede meneer Arabou uit Hoofddorp. Want dat hij goed doet weten wij zeker. Zo’n aardige man. Hij komt elke dag even kijken. Of alles okay is. En elke keer neemt hij morgen nu echt de portieksleutel mee, hoor. Want die vergeet hij telkens. De mallerd.
Ineens laat meneer Arabou niets meer van zich horen. Er is nog steeds geen portieksleutel. Zijn telefoon lijkt dood en zijn adres staat niet in het huurcontract. Waar is meneer Arabou? (Lees verder bij HP/DeTijd...)

zondag 4 augustus 2013

Bellen met de boer

Tuinder: Ik kan niet bellen, ik sta in een veld. 
JG: Ik bel u toch.
Tuinder: Jawel, maar ik sta in een veld.
JG: Kan ik 20m2 graszoden bij u bestellen?
Tuinder: Jawel, maar dan moet ik het onthouden en ik sta in een veld. Kan ik u zien?
JG: Euh, nou, ik denk van niet, ik zit in de tuin.
Tuinder: Uw nummer bedoel ik, kan ik uw nummer zien?
JG: Euh, dat weet ik niet. In uw telefoon bedoelt u? Nu?
Tuinder: Nee. Ik zie niks. Ik sta in een veld. (Lees verder bij HP/DeTijd)


zondag 28 juli 2013

JG in den HPee.

Vanaf vandaag 'heeft' JG een wekelijkse column bij HP/DeTijd online! Bij dezes de eerste:

JG bezoekt de tandarts
JG bij de tandarts: JG: Tandarts, mijn ganse mond lijkt scheef, mijn kies doet zeer en het
voelt alsof er niets meer op zijn plek zit. Tandarts: Dat is een hele rare klacht. JG: Ja.
Tandarts maakt foto's, tandarts kijkt in... (lees verder bij: HP/DeTijd)

woensdag 24 juli 2013

JG belt UPC

UPC: Gefeliciteerd mevrouw JG, met uw Mediabox!
JG: Danku, danku, ik ben er ook blij mee, maar sommige dingen werken niet.
UPC: Oh, dat is vervelend. Welke dingen, als ik vragen mag?
JG: Dat mag. De menuknop doet het niet. Programma gemist niet. En de radio niet.
UPC: Oh, die klacht ken ik nog niet. Nee, dit is mij erg onbekend. Goh. Jemig. Nou.
Dat is erg vervelend voor u. Ik stuur een monteur. Deze komt morgen tussen acht en één.
JG: Kunt u iets speciefieker zijn?
UPC: Zeker, u krijgt een sms met het precieze tijdstip.

Die middag een sms: Welkom mevrouw JG. Uw monteur staat voor morgen gepland
tussen acht en één. Die avond: Welkom mevrouw JG, uw monteur staat voor morgen
gepland tussen acht en één. Dan in de mail: Welkom mevrouw JG, uw monteur staat
voor morgen gepland tussen acht en één.

Ik ga voor de zekerheid maar vroeg naar bed. De volgende ochtend per sms: Welkom 
mevrouw JG, uw monteur....
   
Als ik om acht uur met een duffe kop en in een te kort ponnetje op de bank zit gaat de bel.
Een meneer in een smetteloos wit hemd staat voor het raam te lachen. Op zijn borst prijkt
een blauwe lotusbloem. Ik doe schuchter open, wijs hem de weg en vertel wat er mis is
Hij zegt dat dit een overbekend probleem is. Ik ben bang dat ie mijn onderbroek kan zien 
en zeg dat ik mij even om ga kleden. De monteur antwoordt ‘okidoki’ alsof hij hier al jaren 
woont, wij zes kinderen hebben en straks vlees gaan inslaan bij de Aldi voor de buurtbbq 
die avond. Vanuit de badkamer hoor ik hem klusgeluiden maken. Goh, leuk, een man in huis. 
Die klusjes doet. Gezellig. Zal ik vragen of ie koffie wil? Als ik beneden kom kijkt hij 
goedkeurend en gaat weer verder met installeren. De monteur ‘neemt’ ook gelijk de rest van  
de bekabeling mee en ik krijg een speciaal kastje tegen bliksemgevaar. Hij kijkt me aan alsof hij 
verwacht dat er elk moment een bolbliksem uit mijn hoofd kan komen. Het zweet breekt me uit. 
Ik besluit in de tuin te gaan klungelen terwijl de UPC-man in de kamer bezig is mij te 
beschermen tegen het gevaarlijke witte licht. Ik voel me innig tevreden, ga nog net niet spinnen. 
Af en toe roept hij wat vanuit de kamer naar buiten en dan roep ik wat terug. Het is net echt.

Als alles het weer doet is breng ik hem bijna teleurgesteld naar de deur. Daar draait ie zich nog  
één keer om. Als een man die op het punt staat je voorgoed te verlaten, maar ineens twijfelt. 
Zijn hersens kraken. Ach, misschien zien we elkaar binnenkort weer, zegt hij zacht. Ja, 
antwoord ik, wie weet slaat de bliksem in. Precies, zegt de monteur, je weet die dingen nooit.  
Nee, antwoord ik, je weet die dingen nooit. 

dinsdag 23 juli 2013

Buitengesloten


Vanmiddag ging de bel. Dit is een flauw begin voor een stukje maar het is vandaag 33 graden in de schaduw en ik vind het wel best. Ik weet, vanaf nu kan er elk moment een olijke oom zijn hoofd om de deur steken, maar dat moet dan maar. Zo’n oom die altijd ‘leuk’ doet en dat je als kind hoopt dat ie es een keer dood neervalt tijdens zo’n gebbetje, gewoon omdat je het spuugzat bent dat iedereen denkt dat kinderen alles leuk vinden zolang het maar dom is en veel herrie maakt. 

De bel dus. Hij ging echt. Ik verzin het niet. Het raampje van mijn voordeur omlijstte het gezicht van vriendin F. Het paste er fraai in. F leek op een stemmig stilleventje zo. Had ze een dikke kop gehad, zoals ikzelf of één van mijn exen bijvoorbeeld, had de zaak er heel anders uitgezien. Ik zwaaide verheugd en F zwaaide bangig terug. Wat was er gebeurd? Er lag een arsenaal aan mogelijkheden klaar om F haar paniek te duiden. Ik hou van dit soort momenten, ze zijn als een minuscuul stukje niemandsland, een braakliggend terreintje midden in een strak georganiseerde metropool. Op zulk soort veldjes komen nog vlinders voor, bijzondere plantsoorten. Ik draalde rond in de kleine hal, raapte zogenaamd post op, gewoon om het moment te rekken. Het moment van het zalige niet weten. 

Toen ik de deur opendeed viel mijn mond open. Ik zag mezelf half in het raampje van de voordeur, ik had niet misstaan op de voorpagina van het blad Karper. F stond op het pad in enkel een t-shirt, een minuscuul kort broekje en op zwarte dikke Spaanse sloffen. Achter haar stond een rood gebloemd kinderfietsje met een felroze toeter erop (model cupcake) en een gebloemd zadeldekje. Er zaten nog net geen felgekleurde melkdoppen op de wielen. F keek ongelukkig. Ik vroeg mij af of ik iets gemist had. Had ik vaker bij F langs moeten gaan, was ze langzaam van het padje geraakt, moest ik hulp inschakelen? F begon te vertellen. Ze had op de kat van de buren moeten passen en dat beest was met die hitte de deur uitgerend op hetzelfde ogenblik dat F was binnengekomen. Op sloffen en in zomerpyjama. Terwijl zij als een dolle achter de kat aan was gesjeesd was haar eigen voordeur boos in het slot gevallen. Haar hond zat nu in de woonkamer opgesloten samen met een boterham met kaas, die op de bank lag. F keek nog sipper toen de boterham ter sprake kwam. Daar zou inmiddels niet veel meer van over zijn. Of ik een sleutel had. Ik moest haar teleurstellen. Die had F al eens eerder opgehaald in zo’n zelfde situatie, wist ze nog? F zuchtte. Ik zuchtte terug. Er zoemde een wesp wild om het roze cupcaketoetertje heen. 

Op elk moment in je leven kun je alles zomaar kwijt zijn, sprak F verdrietig. Ik knikte. Mannen met grote olijke hoofden doemden voor mijn ogen op. De wesp vloog naar binnen, zo de kamer in.


zondag 21 juli 2013

Over dode stokken en stom toeval

Laatst liep ik door de Intratuin. Dit is een onderneming waarbij je eigenlijk brood en koffie mee moet nemen omdat je door een kilometerslang padenstelsel wordt geleid. Je weet: er is een begin, er moet dus ook een eind zijn, maar gaandeweg de excursie ga je toch twijfelen. Het is als de Ikea, maar dan sjok je in plaats van Billy’s langs rijen begonia’s, irrigatiekalk* en plastic reuzenkikkers.

Ik passeerde de afdeling ‘decoratietakken’ en herkende het fenomeen direct. Vaak nam ik na een boswandeling een gevonden stok mee naar huis. Omdat deze op een slang leek, een komodovaraan, een paard of gewoon, op een stok. Ik kerfde er iets in, was een paar seconden heel tevreden met de situatie en legde het ding bij thuiskomst in de tuin of vensterbank. Soms vroeg iemand ernaar, meestal als het gesprek haperde en er verder niets meer te bedenken viel. Ik vertelde dan uitvoerig over die fijne dag in het bos. De dag had elke keer een ander verloop naar gelang mijn stemming. De ene keer roemde ik de grilligheid van de boomtakken, de andere keer de regenwolken die als volle taxi’s door het luchtruim joegen. Heel soms vertelde ik dat ik die nacht ervoor een droom had gehad waarin mensapen met katapulten de reus Goliath naspeelden, maar dat was enkel om de visite op het verkeerde been te zetten.

Wat ik er ook van maakte, de stok bleef altijd dezelfde. Bij elk verhaal had hij bijvoorbeeld die kromming op het eind die zo kenmerkend voor hem was, als een handvat, een nors dierenhoofd. Gedurende de seizoenen hield hij dezelfde lengte en zelfs zijn geur bleef onveranderd mottig. Door de verhalen ging de stok een beetje leven. Hij bewoog nooit en kende uiteraard geen gedachtenbeslommeringen, hij bestond enkel in het feit dat er over hem gesproken werd, maar soms is dat voldoende. Voor een gemiddeld mens is dat al meer dan hij mag verwachten, voor sommigen zelfs het hoogst haalbare en voor een eenvoudige stok gaat zo’n scenario natuurlijk alle grenzen te buiten. Hier moet men niets achter zoeken, hoor. Er was slechts toeval in het spel, ik denk niet dat er op de dagen dat ik een stok vond sprake was van enige vorm van synchroniciteit. Het zou wel mooi zijn natuurlijk en het zou wat zin geven aan een verder nutteloos bestaan maar ik waag me er niet aan. Niet in dit verhaal.

Terug naar Intratuin. De stokken waren schoongewassen en lagen bleek in bosjes te wachten tot iemand ze zou meenemen. Er hing een bord: 99,9% afgeprijsd! Laatste kans! Stunt! Maar niemand nam ze mee. Het zou kunnen dat ze bij Intratuin hier hun hoofden over breken, maar ik begrijp dat best. Het zijn dode stokken. Ze zullen nooit een haperend gesprek redden. Nooit zal zo’n stok voorkomen in een verhaaltje samen met, laten we zeggen, het begrip synchroniciteit. Ja, nu even, maar dat is toeval.


*‘irrigatiekalk’ bestaat niet


vrijdag 19 juli 2013

Cozmic riders (VIII)

(met Ana Mendieta in gedachten, die zo nu en dan vanaf de hoedenplank in mijn hoofd meekijkt)



Niet zoeken naar het eind
      laat het ergens in overgaan desnoods
      wegvloeien, verdampen, oplossen
      maar geen aanwijsbaar eind
      geen punt, geen laf handje bij de deur
      geen motorgeluid dat langzaam wegsterft
      geen koele mail met groeten van
      geen agendanotitie
      een kort hallo hoe is het nou
      wegdrijvende blikken
      een scherm dat nooit meer oplicht
      lettercombinaties die niet meer klinken
      lege plekken in de badkamerkast waar alleen de kringen
      op het hout nog doen herinneren aan avonden vol van al
      dat warme vertrouwde zachte wegkruipen in kuiltjes van verlangen
      of het moet een langzaam geregisseerd verdwijnen zijn
      als een Ana Mendieta in een doorzichtige nachtjapon
      op de hei liggend
      terwijl de seizoenen over mij heen bewegen
      mijn lichaam bedekken met sneeuw
      mos, gras en af en toe een hert
      dat aan mijn oor komt knabbelen
      en fluistert:
      alles komt van boven, kind
      alles komt van boven
      

      

maandag 8 juli 2013

JG belt een tuinder

Tuinder: Ik kan niet bellen, ik sta in een veld.
JG: Ik bel u toch.
Tuinder: Jawel, maar ik sta in een veld.
JG: Kan ik 20m2 graszoden bij u bestellen?
Tuinder: Jawel, maar dan moet ik het onthouden en ik sta in een veld. 
Kan ik u zien?
JG: Euh, nou, ik denk van niet, ik zit in de tuin.
Tuinder: Uw nummer bedoel ik, kan ik uw nummer zien?
JG: Euh, dat weet ik niet. In uw telefoon bedoelt u? Nu?
Tuinder: Nee. Ik zie niks. Ik sta in een veld.
JG: Dat schiet zo niet op.
Tuinder: Nee, mevrouw, niet erg nee. Belt u mij maar terug. Om half 1 
precies. Dan eten wij. Op het erf. Dus niet in het veld.
JG: Dus dan bel ik u op het erf?
Tuinder: Ja.
JG: Op hetzelfde nummer?
Tuinder: Neeeee, dat is een ander nummer.
JG: Kan ik dan om half 1 op het erf graszoden bestellen?
Tuinder: Hoeveel moet u hebben?
JG: 20m2.
Tuinder: Ja, dat kan ik nu toch niet onthouden, ik sta in een veld.
JG: Ja, maar straks wel toch, als u op het erf bent.
Tuinder: Ja, op het erf is een pen, in het veld niet.
JG: Half 1?
Tuinder: Precies. Wij eten elke dag om half 1 precies. Geen minuut 
eerder. Geen minuut later.
JG: Dan bel ik u om half 1. Op het erf. Kan ik bij u pinnen?
Tuinder: U kunt pinnen. Op het erf. Niet in het veld.





zaterdag 22 juni 2013

Boekenfestijn

Er zijn veel plekken op de wereld waar je niet wil zijn op vrijdagmiddag. De Americahal in 
Apeldoorn is er daar één van. Toch ging ik er heen want er was Boekenfestijn en gratis 
entree. Ook kreeg je een boek als je de actiecoupon uit het plaatselijke Sufferdje had 
geknipt. Dat had ik. 

Aan het begin van de hal stonden mandjes op wieltjes. In elke mand lag een vel papier waar

in grote letters op stond: Niet aankomen. Het rechterwieltje van mijn mand liep al na tien
meter vast. Ik besloot dit te negeren. Duizenden boeken lagen over lange tafels verspreid.
Er hingen bordjes boven als: Fantasie, Pseudo/Wetenschap, Kinder/Jeugd. De fantasie sloeg
ik over, daar heb ik zelf genoeg van. Met Kinder/Jeugd heb ik ook niks  aangezien mijn 
bloedeigen Jeugd reeds ver boven mij uitsteekt en mij geregeld joviaal (lees: meelijwekkend) 
op de schouder slaat. Bij Pseudo/Wetenschap stopte ik, maar na even gebladerd te hebben in 
‘Compostgeesten, ja natuurlijk!’ geloofde ik het wel. Je kunt mij een hoop vertellen maar dat de 
verrotte bananen in mijn groenbak er hele etherische fluisterlevens op na houden onder dat 
stinkdeksel wil er bij mij niet in. 

Naast de compostgeesten lagen stapels boeken met titels als: Geniet van het leven, het is maar 

zo kort! Ik moest daar even over nadenken. Ik vind het leven helemaal niet kort. Sterker, het  
voelt vaak alsof er maar geen einde aan komt. Ik wil ook niet de hele dag genieten, moet er niet 
aan denken, zou me rot vervelen. Kortom, een en ander schoot niet erg op en het wieltje van  
mijn mand begon nu ook te piepen. Geniet van het leven, het is maar zo kort! gonsde door mijn  
hoofd. Ik werd er een beetje boos van, waar bemoeiden die lui zich mee? Opstandig stoof ik  
naar de stripbakken. Kijk, daar hadden we wat: Het Bondagepaleis. Rauwe en vuige seks, dat  
zou ze leren met hun gebiedende wijzen, vage compostgeesten en weet ik veel wat voor een
zweefshit meer. Stevig vastgebonden kreun-en-kronkellijven deden een veertigtal pagina’s lang 
wellustige en vruchteloze pogingen om te ontsnappen. Mijn wangen schoten vuur. 

Even verderop was de tafel met Actieboeken. Wie een coupon had mocht hier een gratis boek 

ophalen. Dat had ik. Gretig vlogen mijn ogen over de tafel. Ze ketsten af op titels als: 
Tuinbeelden in en om het huis. Het zoete leven zonder suiker. Mijn leven met een foute man... 
Nu ben ik dol op tuinbeelden, zou ik graag minder willen snoepen en heb ik inmiddels jarenlange 
ervaring met foute mannen opgebouwd, toch, mijn hand reikte niet één keer naar de tafel en 
mijn mandje, die steeds moeizamer door de bochten moest worden getrokken, bleef leeg. Toen 
zag ik een boek over Plato en belde Zoon. Misschien maakte ik vandaag dan toch nog iemand 
blij. Een Telfortstem heette mij opgewekt welkom. Na een uur zette ik het stroeve, piepende en 
vooral lege mandje terug bij de kassa. 

Bij Dirk van den Broek kocht ik een zak troostpepermunt. Voor mij geen zoet leven zonder suiker. 

Even later stond ik onder een zoemende afzuigkap en kwam Zoon binnengerend. Zijn armen vol boekenfestijnpret. Dante, Dostojevski, Kafka, allemaal titels die ik over het hoofd had gezien. Niet 
zo gek, ik had immers een hele Zoon over het hoofd gezien. Ik roerde sip door de soep. Zoon 
sloeg me joviaal op mijn schouder en mompelde iets dat ik niet verstond door de herrie van de 
afzuigkap. Hoorde ik hem nou iets zeggen over genieten, het leven en kort?

zaterdag 15 juni 2013

Mannencomplot

Gisterochtend had ik een luchtbeddenreparatiesetje nodig en vond dit een mooi 
woord om de dag mee te beginnen. Ik toog naar de campingwinkel. Op de plek 
waar deze al jaren zat beloofde een schijnbaar uit de lucht gevallen beddenfabrikant 
mij ineens vier matrassen voor de prijs van twee. Wat den fok moet ik met vier 
matrassen? Van de trap glijden met alle buren? Er een erwt onder leggen? Een 
pyjamaparty houden? Het verbleekte droogboeket in de etalage leek een kaartje uit 
te spugen. 'Gefeliciteerd met de opening' was nog net te lezen. Tussen de matrassen 
door schoof een zonnebankbruin vrouwtje met een stofzuiger als een soort van Bolke 
de Beer door het matrassenbos. Ik zag direct weer voor me hoe Bolke in de jaren 
zeventig schokkerig op zo’n plankje door het vale KRO-decor gleed. Ik haatte Bolke. 
Als ik hem was tegengekomen op weg naar de kleuterschool had ik zijn hypocriete 
kaneelkleurige berennek met liefde omgedraaid. Het zaagsel uitgestrooid in een 
rozenbottelperkje. Afijn, ik verzin het allemaal maar hoor. De campingwinkel bestond 
nog gewoon maar was om onduidelijke redenen dicht. 

Eenmaal thuis ging ik gewapend met een waterpomptang en emmer naar boven en heb 
de wastafel ontstopt. Zwanenhals vakkundig opengedraaid, drie pruiken er uit getrokken 
en het hele zooitje weer stevig in elkaar gezet. Al met al was het een kwartiertje werk. 
En daar doen mannen dan altijd zo stoer over. Ik belde mijn moeder en die zei dat het 
één groot mannencomplot was. Dat we al die klusjes ook best zelf konden doen. 
En dat is waar.


zaterdag 20 april 2013

Plaag

Ooit zat ik ingeklemd tussen huizen
waar mensen woonden.

Die altijd maar dachten dat alles goed kwam
terwijl hun perken vol kattenstront
en luizen lagen.

Sommige dingen komen nooit goed.
Hypochondrische huisdieren, manisch-
depressieve klaar-over-ouders.

De druppende aardkloof die je bestudeert
in het hoekje van de tuin.

Luizen zijn gevoelig voor trillingen
en verstoppen zich diep in je hoofdporiën.

Als je ze door de gootsteen spoelt
kruipen ze gewoon weer terug. 

vrijdag 29 maart 2013

Bitje

Vanmorgen bij de tandarts:

Ik: tandarts, mijn ganse mond lijkt scheef, mijn kies doet zeer 
en het voelt alsof er niets meer op zijn plek zit.
Tandarts: Dat is een hele rare klacht.
Ik: Ja.
Tandarts maakt foto’s, tandarts kijkt in mond van JG, tandarts fluit 
bijna bewonderend door zijn tanden.
Tandarts zegt: Ik weet niet wat er allemaal mis is Johanna, maar doé 
er iets aan.
Ik (met apparatuur in mond): Huh? Woewo?
Tandarts: Je knarst al je kiezen kapot, als je zo doorgaat moet je een bitje.
Ik: Wat de wuk? Een bwidje? Woewo, kwarsen? Ik kwars hooit!
Tandarts: Dat doe je in je slaap, bij overmatige stress, dus doe er wat aan. 

Ik ga nu je kiezen bijslijpen zodat alles weer een beetje gewoon voelt. 
En ga op yoga ofzo.
Ik: Ik? Joha? Eg nhie.
Tandarts: Dan zie ik je binnenkort wel weer, voor een bitje.
Bij het weggaan legt de assistent een bemoedigende hand op mijn schouder. 

Ze zwaaien me voor het raam uit.

dinsdag 12 maart 2013

Vluchtinformatie

Hier volgt een bericht voor mensen
die het ook niet weten
’s avonds hun gezicht afleggen
in de spiegel boven de wc,
het doorspoelen als een goudvis:
     
Alles om ons heen is bedacht
     
Voor meer informatie
druk hier
     
Om deze pagina te verlaten
druk ESC

zaterdag 23 februari 2013

Over Wim Brands, loopgraven en schele konijnen in Berlijn


Vannacht droomde ik over een tuincentrum. Er was een rommelmarkt aan de gang, door Wim Brands georganiseerd. Het tuinparadijs leek veranderd in een kringloopwinkel. Wim Brands liep rond met ouwe meuk en goedkope zoutjes. Hij droeg een ruim vallend jasje. Ik gaf hem mijn hand, die er stiekem naar verlangde zijn fijne kop met haar in wanorde te brengen. Ik vroeg of ie mij nog kende, van de Buddingh’prijs vier jaar geleden, toen hij in de jury zat en ik genomineerd was. Hij dacht van niet, maar was erg vriendelijk. Vroeg of mijn nieuwe bundel binnenkort ergens uitkwam. Ik zei dat niemand dit wist. Hij knuffelde me, zijn buik voelde zacht en rond. Alle vrouwen in de winkel leken op mij.

Ik liep naar buiten en wandelde tussen kleurige fuchsia’s en vergeet-me-nietjes door. Er huppelde een vrolijk gezin achter me aan. Ik probeerde ze af te schudden. Aan het einde van het tuinterrein stopte ik, het was lente, de zon scheen en ze waren aan het graven, er kwam een vijverpark. De (nog lege) watergeulen in wording leken op loopgraven. Ik dacht aan de traktaten van Wittgenstein, iemand vertelde mij laatst dat deze voor een deel in de loopgraven waren geschreven. Geen wonder, dacht ik, die mathematisch doorwrochte teksten, als weerwoord tegen al dat bloed in zand, die kapotgeschoten levens. Ik dacht aan mijn zoon, die de traktaten al maanden als een bijbel met zich meedroeg. Aan Tolkien, die ook in de loopgraven had gezeten, al was het 'aan de andere kant'. Aan zijn ‘In de ban van de Ring’, waar zoon toen hij klein was ook mee rond liep te sjouwen. Zou zoon in een vorig leven met Wittgenstein en Tolkien in de loopgraven hebben gezeten? En aan welke kant?

Toen was ik in Berlijn. Op weg naar de Rewe, die aan de overkant van de straat lag. Ik durfde niet over te steken, droeg een apparaat in mijn hand die zou gaan piepen wanneer het veilig was. Een oudere vrouw naast mij moest lachen en legde haar hand op mijn arm. Je bent in Berlijn, schatje, zei ze, je kent het hier op je duimpje, Berlijn is je vriend, natuurlijk kun je oversteken. Ik stak zonder problemen over en ging de Rewe binnen die ineens een kringloopwinkel was geworden. Ik zag een leuke jurk hangen, er zaten schele konijnen op. Ik keek stiekem uit naar Wim Brands. Zou hij hier ook rondlopen met ouwe meuk en goedkope zoutjes? Ik dacht aan zijn fijne jasje, zijn warme buik. Toen kwam er een vrouw vragen of ik de jurk wilde passen. Ze zei het heel vrolijk, ik vond haar leuk. Logisch, zij leek precies op mij. Wim Brands was nergens te bekennen.