maandag 13 augustus 2018

Wat zou Frida hebben gedaan? (over slim boekhouden versus positiviteitsterreur)


Toegegeven, ik schrijf de laatste tijd veel over mijn pauperige gezondheid, maar het is even niet anders. Pijn  is een dictator. No way dat ik die megalomane gek weg krijg, maar door over hem te schrijven houd ik hem (een beetje) op zijn plaats. Althans, zo voelt het. Daarbij zijn er ruim drie miljoen pijnpatiënten in Nederland, dus de kans dat iemand zich in mijn gehannes herkent is groot.

De pest is, tegenwoordig moet je alles positief benaderen. Het stikt op internet van verhalen over mensen die rampen overwonnen door ‘positief’ te blijven. Die kanker overleefden door cavia’s te knuffelen, psychoses door blootsvoets en achterstevoren pelgrimstochten te lopen.

Natuurlijk, positiviteit geeft energie waardoor je aan het eind van de dag meer overhoudt, dat is geen rocket-science. Of al dat gelul over (half)volle glazen, ook allemaal waar. De keerzijde van teveel positiviteit is dat je jezelf al snel sterker gaat wanen dan je bent. En je schuldig voelt als je -ondanks grenzeloos caviaknuffelen- je ziekte niet overwint. Fake it till you make it klinkt geweldig maar als een blinde zonder hulphond of stok een drukke straat oversteekt is de kans dat ie wordt platgereden best groot. Wat dat betreft lijkt slim boekhouden verstandiger dan opgevoerd positivisme.

Hoe kom ik op dit alles?

Laatst bezocht ik de geweldige Redon-tentoonstelling in het Kröller Möller voor de tweede keer. De eerste keer zag ik hem rechtop, afgelopen weekend in een rolstoel. Ik zat eerder in rolstoelen, dus weet hoe het werkt. Mensen kijken je niet of half aan, schichtig. Anderen daarentegen kijken onbeschoft lang, zelfs als je terugkijkt. Waarschijnlijk is in hun wereld beleefdheid alleen van toepassing als je allebei rechtop staat.

Meneer K duwde mij. Natuurlijk heb ik altijd geweten dat dit moment kon komen maar wilde er niet aan. De laatste keer dat ik in een rolstoel zat was (dankzij veel oefenen en doorzettingsvermogen) alweer 15 jaar geleden en ik had mezelf gezworen er nooit meer in terecht te komen. Ik ben te ijdel voor die krengen, weet je.

Wilskracht klinkt mooi maar een erg intelligente krachtvorm is het niet.  ‘Ik moet, ik zal, ik moet, ik zal’, veel meer woorden kent het niet. Ik moest en ik zou, ik moest en ik zou en kwam natuurlijk (weer) in een rolstoel terecht. Niet 24/7 gelukkig. Ik kan een half uurtje wandelen op een goede dag, een half uurtje autorijden, maar dan is het op.

Ik weet niet wat ik dacht driekwart jaar geleden, maar op de een of andere manier had ik mezelf wijsgemaakt dat ik de baas over mijn ziekte (Ehlers-Danlos) was. Dat ik alles kon doen wat anderen ook deden als ik maar wilde. Ik moest er gewoon in geloven! Positief denken! Dat er indertijd veel belangrijke gebouwen om mij heen tegelijkertijd instortten had daar vast mee te maken. Iets met evenwicht en herstellen.

Van Ehlers-Danlos herstel je niet. Oké, ik kan er redelijk mee leven, mits ik mij aan de regels houd, iets wat ik de afgelopen 15 jaar redelijk had gedaan. Tot driekwart jaar geleden. Ineens was ik het zat om een chronisch bouwval te zijn. Echt spuugzat. Ik ging tuinieren, wandelen, springen, dansen, gaten graven, met kasten sjouwen en zette wel 6000 stappen op een dag. Op pure wilskracht. Domme kracht. Iedereen-kan-naar-de-hel-lopen-kracht. Ik-zal-de-wereld-es-laten-zien-wie-hier-de-baas-is-kracht.

Inmiddels is het bouwpakket in elkaar gelazerd en de kracht weg. Op me uitgekeken waarschijnlijk. Ik was natuurlijk geen match, deed maar alsof. Hij verdween zonder poeha of slaande deuren. De rolstoel, braces, de ondersteuningskussens in bed, de mitella’s, de ‘leeshulp’, bloeddrukmeters, TENS-apparaten en ontstekingsremmers kwamen daarentegen luidruchtig en handenwrijvend terug. Gedroegen zich als oude kennissen waarvan je had gehoopt ze nooit terug te zien. ‘Hé Johannaaaaa, daar zijn we weer, gezellig hè? De hele dag samen in je zieke lijf sudderen, urenlang plat op je rug in bed naar het plafond staren, weet je nog de leuke spelletjes die we altijd deden? De labyrinten die we in gedachten in de witte kalk tekenden, en dat jij de uitgang moest zoeken?’

Ja, hoor, die ken ik nog. En weer ziet er het naar uit dat het nog wel even gaat duren voor ik die klote-uitgang heb gevonden.

Sorry voor mijn gescheld. Het past niet bij de kleurige kimono die ik draag terwijl ik dit stukje tik met een vrolijke mok in mijn hand. Bij de spreeuw in de boom achter mijn huis die verpletterend ontroerend zingt. Ik moet minder boos zijn. Een blog schrijven over hoe blij ik van die rotvogel word, misschien, met een leuke foto van mijn vogelmok erbij, ook al voelen sommige ledematen alsof ze geamputeerd worden, elke minuut van de dag.

Terug naar afgelopen weekend. Hoe gedraag je je in een rolstoel als je zo fokking ijdel bent als ik? Hoe zet je je voeten in de steunen, plaats je je rug tegen de zitting zonder eruit te zien als een halfgare idioot die door de ruimte wordt gereden? Ik wist het niet meer. Voelde me verslagen en woest tegelijk. Weg wilde ik, mijn beweeglijke huppelziel uit dit lullige lijf redden en rennen tot ik een streep aan de horizon werd. Foetsie. Weg.

Natuurlijk bleef ik zitten en dacht aan Frida Kahlo. Frida is mijn allergrootste voorbeeld, eindbaas en held in het ziek-zijn. Wat zou zij hebben gedaan? Dat wist ik heus wel. Zij zou een bloem in haar haren schuiven, een trotse kop opzetten en zich waardig langs het werk van Redon hebben laten duwen. Dus dat deed ik. Ik ging recht zitten, klapte met mijn goede hand mijn waaier uit en woei mezelf mentale koelte toe. Meneer K kuste mij in mijn hals. Ik zag nog veel moois die dag.

Redon



donderdag 26 juli 2018

Een dubbele kont




Dochter en ik doen onze oefeningen. Die van mij zijn zo minimaal, die zie je niet, maar de dochter pakt stevig uit. 'Dat komt,' zegt zij, 'omdat ik speciale oefeningen krijg voor 'festivals en fietsen'. Ik denk na over mijn dagelijkse oefeningen, symmetrisch liggend op bed met een stok in mijn handen terwijl ik heeeeel licht mijn buik, voeten, middenrif en billen aanspan. 'Festivals en fietsen’ ga ik daar nooit mee bereiken, maar gewoon een beetje normaal leven zou al leuk zijn. ‘Ik wil niet zien dat je iets beweegt!’ roepen mijn fysio's streng, elke keer als zij mijn oefeningen in het onzichtbare beoordelen. De Bugnet-methode. Dat klinkt als een appelbol. Werkt (hopelijk) als een tiet.

Ondertussen zwemt mijn dochter met brede arm-en-beengebaren door de kamer terwijl ik vanaf de bank met allerlei positioneringskussens mijn best doe om zó te zitten/liggen dat ik niet uit elkaar val. ‘Dit mag jij niet nadoen, hoor’ waarschuwt ze streng. Ik schud gespeeld bangig mijn hoofd. Natuurlijk ga ik dat niet nadoen. Ik ben niet gek. Mijn schouder zou al bij de eerste zwemslag uit zijn kom glijden. Dat is het kuttige van zo’n bindweefselaandoening. Naast dat ie wreed erfelijk is, is het een zieke poging van je botten en spieren om hard bij je vandaan te rennen terwijl jij de boel 24/7 krampachtig bij elkaar probeert te houden. ‘Blijf nou jongens, toe, zo erg is het hier nou toch ook weer niet?’ Bergen energie kost dat. Elke stap of beweging een strijd tegen mogelijk (sub)luxerende botten. Een dagtaak.

Dochter maakt al haar hele leven muziek en is momenteel met een producer een EP aan het opnemen. Ze laat me een van haar laatste liedjes horen. ‘Wat is je pijn op de schaal van één tot tien? Wat is je pijn op de schaal van één tot tien?’ De kamer vult zich met het heldere stemgeluid van mijn dochter, freaky geluidjes op de achtergrond, beetje disharmonisch, afgezet tegen een driestemmig engelenkoortje. Op sommige plekken valt de muziek ineens stil. ‘Daar komt nog een rapper bij, hoor, mam, het is nog niet af.’ Het ontroert me hoe tof ze hiermee omgaat. Narigheid omzetten in iets moois. Je ziet niets aan ons, op het oog zien wij er allebei compleet normaal uit. Ehlers-Danlos, Hypermobiliteitssyndroom (sinds maart 2017 HSD genaamd) , het zijn onzichtbare aandoeningen, vanbinnen echter hangen we met losse elastiekjes aan elkaar.

‘Hoe zal ik mijn EP noemen, mam, ik heb nog geen titel,’ mijmert de dochter voor zich uit. ‘Songs from Reade,’ grap ik. Zo heet het revalidatiecentrum in Amsterdam waar ze een paar keer per week naartoe moet. ‘Nou, mam, niet álles in mijn leven gaat daarover, hoor.’ Nee, natuurlijk niet, gelukkig niet. Ook dat bindt ons, naast het hebben van een onzichtbare aandoening; de kunsten. Zij met haar muziek, ik met mijn schrijven. ‘Als ik mijn muziek heb, heb ik verder niks nodig, mam,’ riep ze laatst enthousiast door de telefoon. ‘Het is eigenlijk net zoiets als religie!’ ‘Ja precies,’ antwoordde ik opgetogen, ‘er vallen alleen geen doden bij.’

Even later kopen dochter en ik, terwijl heel NL halfdood en oververhit in een bak water ligt, onderbroeken bij de Zeeman. We doorzoeken de bakken vol degelijk damesondergoed. No strings. Ik kan niet zo lang lopen en staan en voel mijn ongeduld groeien. ‘Zullen we anders een keer gewone onderbroeken meenemen?’ vraag ik hinkend van been op been terwijl ik een panterroze lapje stof omhoog houd. ‘Ben je gek!’ roept de dochter met een oververhit hoofd vanuit de onderbroekenbak, ik ga toch niet met een dubbele kont lopen!'  ‘Een wát?’ roep ik terug. ‘Een dubbele kónt,’ herhaalt ze geagiteerd. ‘Kijk, het is heel makkelijk mam, in een gewone onderbroek heb je twee konten, in een string één. Dus ik weet niet wat jij wil, maar ik ga niet met twee konten lopen als het ook met één kan.’ Ik staar naar de opblaaspalm boven mijn hoofd en vind het eigenlijk wel logisch klinken. ‘Maar ze zitten zo kut,’ sputter ik nog tegen.

Terwijl we vanuit het winkelcentrum naar de auto lopen kijk ik stiekem in een etalage naar mijn wiebelkont. Ok, het is een flinke kont, een behoorlijk flinke kont zelfs, maar ik ben toevallig dol op mijn kont. Een lekkere kont. Daar wil ik er best twee van hebben. Niet alles in mijn leven hoeft onzichtbaar te blijven, tenslotte.



zondag 22 juli 2018

Verdwijnen met zestig honden



Gisterochtend liep ik door het ‘bos’. Ik loop graag ‘s ochtends vroeg in mijn eentje door het oude bospark bij mij in de buurt. In een echt bos zul je mij nooit alleen tegenkomen, dat durf ik niet. 
Vroeger wel, toen ik twee grote gevaarlijke honden had. Niet dat ik toen nooit lastiggevallen werd. Er was een man die langzaam met een auto op het bospad naast me bleef rijden, onderwijl smerige gebaren makend. Er was een man die maar achter me aan bleef lopen , me vervolgens heel langzaam inhaalde en toen hij dichtbij was in mijn oor siste dat een lekker ding als ik niet alleen in een bos moest lopen omdat dit wel eens heel vervelend voor me af zou kunnen lopen.

Acht uur is een tijdstip waarop je nog van alles om je heen hoort wegschieten. Geheimzinnig geritsel links en rechts. Muizen, vogeltjes, klein leven. Rond een uur of tien is een bos meestal wel uitgeritstelt, hebben de geluiden zich tot diep in zijn kern teruggetrokken en wacht het tot de mensen weg zijn en de schemer valt.

Ik hou van bossen en zou er graag leven. Nou ja, niet echt léven. Niet met bloed dat moet stromen om warm te blijven, benen en armen die op hersencommando naar eten zoeken. Ik zou er als geest willen leven, een flard die enkel uit gedachten bestaat, een mist of een dauwdruppel zonder moeilijk gedoe als emoties en oordelen. Zoiets als een ‘zijn’. Een registreren. Misschien een paar milde emoties. Abge-eckte die in een dauwdruppel passen. En dan lekker de hele dag als een diamantje in het hart van een lupineblad liggen dobberen.

Gisterochtend telde ik de sporen van de nacht:

1. Een verse vossendrol midden op het pad, bezaaid met vliegjes die zich er dronken in een wolk bovenop hadden gestort. Maniakaal zoemend van vreugde.
2. Het tot hout verworden landdier met vermolmde vleugels waar een stukje af was gegeten door een hert.
3. Een nieuw uitsteekselding op de wortelfaun die daardoor net iets gemener grijnsde dan normaal.
4. De wortels van de vers omgevallen boom. De opengesperde muil waar je met gemak met wel zestig honden in zou kunnen verdwijnen.

Ik tel graag. Op mijn vingers. Meneer K vindt dat er altijd schattig uitzien. Die voelt de grijze kleefdraden niet die de cijfers met elkaar verbinden. Hoe meer ik tel, hoe groter de kans dat de draden losraken en uit mijn telhanden vallen. Driehonderdachtenvijftig, achtmiljoenzestig…

Sommige dingen lijken voor eeuwig te zijn. De stronk die op een komodovaraan lijkt bijvoorbeeld en die ik als een oude vriend beschouw, de gekke dode Zadkineboom, met zijn dramatische geheven armen die scherp tegen de lucht afsteken. Andere dingen lijken dan juist weer een heel kort leven beschoren. Een pad waarvan ik zou zweren dat het bestond maar wat ik niet meer terug kan vinden, een heel kruispunt laatst zelfs. Een zwijnenpoel, een gammel houten uilenhuis.

Er zijn zoveel bossen in mijn omgeving dat ik minstens 100 levens zou moeten hebben om ze allemaal te leren kennen. Daar is geen beginnen aan. Het zou helpen als ik alleen in een bos zou kunnen lopen, gods nou, DE IDEE ALLEEN AL! ALLEEN IN EEN BOS LOPEN! Ik kan me niet eens voorstellen hoe geweldig dat zou zijn. Soms probeer ik het wel, maar meestal zie ik al na tien tellen een man verschijnen die voor me op het pad springt, zich aan me opdringt, handen, tong, scherp stinkzweet. En vroeger was ik gezond en kon ik nog wegrennen. Nee, dat is niet waar. Ik rende nooit weg. Ik liet het allemaal gebeuren. Waarom? Geen idee. Ik was waarschijnlijk heel goed in het laten verdwijnen van mijn lichaam. Geest worden. Dat ben ik nog. Daar helpt geen tellen tegen.
 
Ik hoop dat ik het nog een keer mag meemaken in mijn leven; dat je als vrouw zonder angst alleen buiten kunt lopen. In een bos, een nachtelijke stad, een verlaten industrieterrein, een parkeergarage, gewoon overal.

Ooit zag ik een programma op tv waarin een Noor zijn vader in Oslo van het station haalde. De vader had er al een hele reis op zitten. Er volgde een drieregelig gesprek dat sindsdien in mijn hoofd woont en waar ik graag aan terugdenk als ik in mijn eentje in de buitenwereld loop.
 ‘Hoi pap, had je een goede reis? vroeg de zoon aan zijn vader. ‘Zeer voorspoedig, jongen’ antwoordde de man. ‘Geen mens tegengekomen.’


vrijdag 6 juli 2018

Paskamer

De onder het bed gerolde kroon
trekt mild aan onze wangen
je hardkale kop waar het kwaad
van de wereld tegen afketst

In deze kamer draagt niemand zijn naam

Zijn je handen om mijn hals je ogen
de manier waarop je naar me kijkt
me elke ochtend uit-en-aankleedt
alsof je me voor het eerst

Je vingers tussen mijn kaken mijn mond
die gehoorzaam opent

En dat het zo wonderlijk is, zeg je
terwijl je mijn lippen
zacht dwingend uit elkaar duwt
mijn tong naar buiten lokt

Hoe ik er ineens was
met al mijn eigenwijze dingetjes
woordjes, wangetjes en kinnetjes

Het allemaal in deze kamer past


Tekening Kees van der Knaap (uit 'Vuurmakers', 2015)





dinsdag 26 juni 2018

De jongen die wind kon maken


Foto Giusi Barbiani
Hoe harder lichamelijk ongemak groeit, des te kleiner de wereld om je heen wordt. Logisch natuurlijk, zonder beweging kom je niet vooruit. Of; wat er aan de ene kant bijkomt moet er aan de andere kant weer af. Er zitten tehuizen vol met dit soort voorbeelden. Bejaarden, revalidanten, chronisch zieken, ontplofte sporters, allemaal mensen die ooit dansten, liepen, fietsten, renden, als adelaars boven rekstokken zwierden, tot er iets of iemand ergens op een stopknop drukte.

Vanwege een subluxerende, ontstoken en ingetapede schouder ben ik sinds een paar weken meer gehandicapt dan normaal. Ik kon als Ehlers-Danlos patient annex bouwpakket natuurlijk al 100 jaar geen heuvels meer belopen of zonder pijn een stokbrood snijden, maar deze schoudershit is van een nieuwe orde. Lopen, autorijden, douchen, aan-en-uitkleden, over alles wordt langdurig nagedacht en met behulp van bewegingstherapeuten schematisch in kaart gebracht. Soms kan ik een minuutje dit, soms een minuutje dat, de wereld opgedeeld in blokjes. Pixels. Omgevallen torens en onscherpe foto’s.

Wat ook nieuw is: sinds mijn arm besloten heeft geen arm meer te willen zijn is het schrijven lastig geworden. Het vergt kort gezegd een andere tactiek. Er is slechts ruimte voor een paar zinnen per dag. Paniek! Welke? Ik hoefde nooit te kiezen, alles kwam altijd vanzelf. Diende zich nonchalant en ruimhartig aan, liet zich uitgebreid opschrijven, uitgummen, bejubelen of bespotten en verdween zingend in de nacht om de volgende ochtend alweer…

Sinds kort wonen de woorden en zinnen achter metershoge muren en moet ik ze lokken met atonale melodietjes die ik zachtjes door mijn voortanden pers. Sommigen laten zich makkelijk lokken, anderen gooien hun neus in de wind en doen alsof ik niet besta. Van een nonchalant komen en gaan is in ieder geval geen sprake meer. Misschien zien ze de paniek uit mijn oren groeien en zoeken ze liever blakend gezonde mensen uit. Iets met economie en voordeel.

Dromen zijn ook niet erg economisch. Vannacht had ik er één over de wind. De wind landde in de oude eik achter mijn huis en vertelde over zijn wortels die volgens hem communiceerden met de omgekeerde wereld. ‘Je bedoelt de achterkant van de bodem?’ vroeg ik. ‘Ja,’zei de wind, ‘dat zou ik in een afgemeten wereld zomaar kunnen bedoelen, ja.’ ‘Wat is een afgemeten wereld?’ wilde ik vragen, maar toen was de droom alweer afgelopen.

Ik werd wakker, liet mezelf met hulp van de goede arm uit bed lazeren en keek, voor ik naar de badkamer strompelde nog even snel de tuin in. Daar stond, midden in het gras, een jongen.
‘Heb jij wel eens wind gemaakt?’ vroeg ik hem. Zijn armen staken wit onder zijn hemdsmouwen uit. Zijn haren als een ontplofte zee-egel op zijn hoofd. De jongen lachte droevig, alsof hij ooit wind maakte wanneer het hem uitkwam, alle dagen en nachten van de week, een gave die hem inmiddels ontnomen was.

‘Fijn is dat, hè,’ zei ik. ‘Wind maken. Eerst de stilte, het niets. De bladeren en stammetjes in de tuin die zwijgen. Dan je armen wijd, de scharende bewegingen, het ruisen in de verte dat aanzwelt, het kloppen van je hart in eenzelfde ritme tot alles simultaan opzweept, hoger, hoger, het over je hoofd trekt zodat je haren rijzen, en maar maaien met je armen als een maniakale dirigent, harder, harder, het binnenhalen van een vliegtuig dat oorverdovend over boomtoppen raast.’

De jongen keek ernstig naar de grond. Zijn armen, twee dunne bleke berkenstammetjes, hoorden niet bij hem. Zijn vingers berkentakjes, één beweging, knak.


dinsdag 12 juni 2018

Naakte vrouwen en kweekforel

Foto: Francesca Woodman

Ik ben geen groot voorstander van onaangekondigde experimenten maar soms ontstaat er eentje vanzelf ergens achter in mijn hoofd. Meestal merk ik het pas op als hij al een paar centimeter groot is en ik er niet meer omheen kan. Heel slim van het experiment, vind ik dat. Ik weet niet of hiermee bewezen is dat experimenten een bewustzijn hebben maar het zou me niets verbazen. Als je ongewenst in een lichaam woont moet je iets verzinnen om overeind te blijven.

Het experiment bestond eruit dat mijn geest en lichaam deden alsof de wereld om hen heen bedacht was. Buiten mij om, want ik was mij van geen kwaad bewust. Ik kocht ondertussen gewoon rundervinken in supermarkten of vissen van jute voor mijn kat met een stokje eraan.

Toen het al een tijdje aan de gang was kreeg ik het pas in de gaten. Ik merkte dat mensen mij niet terug groetten op straat of dwars door me heen keken als ik tegen ze praatte. Ik wist ook meteen dat het te laat was om dit proces te keren. Zodoende ging ik steeds meer geloven dat ik niet bestond. Dat lag aan mijzelf, ik reken het niemand aan. Al hielp de wereld wel een handje mee. Zo mailde ik een aantal mensen in korte tijd zonder ooit antwoord te krijgen. Een arts, een oude vriend, een kennis, één of twee uitgevers, een bedrijf. Ik checkte mijn mailinstellingen, mijn internetverbinding maar alles werkte naar behoren. Ervan uitgaande dat ik niet besta is dit ook niet zo raar natuurlijk. Je kunt niet niet bestaan en ondertussen respons krijgen, dat gaat niet samen.

Laatst volgde ik een discussie op Facebook over uitgevers en dichters. Iemand zei dat een dichter zonder uitgever geen echte dichter was. Uitgevers waren poortwachters. Zij hielden de kwaliteit in stand. Als zij je niet uitgaven was je gewoon niet goed genoeg. Ik moet altijd een beetje droevig glimlachen als ik zoiets lees. Al die brave mensen die met hun spoorboekjes langs de deuren gaan. Aanbellen, tabelletjes aanwijzen en opdreunen wat ze zien. Lieve schatten zijn het. Het zijn dezelfde mensen die bellen als er ergens een stoeptegel los ligt. Levensredders. Bewakers van de werkelijkheid. Wat zou de literatuur zijn zonder poortwachters, spoorboekjes en hun aanbidders? Een zootje, een verwilderde tuin met zoetzuur geurende schaduwhoeken, plakvlinders in nog niet ontdekte kleuren en insecten met rimpels en kraakstemmen die laag over de grond brommen en verre van fotogeniek zijn, ik zweer het je.

Het mooie van niet-bestaan is dat je veel vrijheden hebt. Ik kan gewoon schrijven wat ik wil, naakt in mijn tuin gaan staan met een emmer op mijn hoofd, mijn blogspot volproppen met gedichten over zingende zeekomkommers, geen hond die zich daar druk over maakt. Zo’n vrijheid komt je natuurlijk niet vanzelf aanwaaien, die moet je een handje helpen. Door midden in de nacht in je tuin te gaan staan met een spiegeleibord, bijvoorbeeld. En maar zwaaien. In de supermarkt ’s middags om 12 uur je hoofd achter een pot mosterd steken en zachtjes ‘roermenietroermeniet’ fluisteren.

Soms helpt het lot een beetje mee. Als je in deze wereld allerlei onzichtbare handicaps ontwikkelt schuif je namelijk vanzelf naar een zijlijn toe. Je moet er wel voor zorgen dat je aandoeningen onbekend blijven anders ben je alsnog de klos en zit je voor je het weet in een rolstoel op de eerste rij van een Guus Meeuwis concert met vrijwilligers om je heen die je hand vasthouden en om de seconde vragen of je gelukkig bent.

Nog een voordeel van niet-bestaan is dat je tijd genoeg hebt. Als je in een lichaam woont dat maar een paar honderd stappen per dag kan zetten en een geest waarin drie miljoen gedachten elke seconde van de dag om een nieuwe ordening schreeuwen kun je het gewoon wat rustiger aandoen.
Ik heb dus veel tijd om na te denken over mijn niet-bestaande wereld, waar ik dan vervolgens stukjes over schrijf. Dat is zo’n beetje de situatie hier.

Soms ga ik een uurtje op internet de wereld bekijken. Internet is voor mij een uitkomst. Vroeger als kind was ik ook vaak onzichtbaar ziek en keek dan elke ochtend schooltelevisie. Schooltelevisie klinkt heel georganiseerd maar in mijn herinnering leverde deze omroep maar één uitzending per week die vervolgens elke dag herhaald werd. Ik kende die uitzendingen woord voor woord uit mijn hoofd en moest grote moeite doen om halverwege de week niet van verveling dood neer te vallen.

Nee, dan internet. Want al kan ik zelf niet actief ‘meewerelden’, ik kan wel zien hoe jullie bij elke scheet je telefoon pakken om dat te delen. Erg fijn. Dank jullie allemaal bij deze. Ik ben een soort van geest die naast jullie bed staat, in de kroeg over jullie schouder meekijkt met wie jullie nou weer zitten te ouwehoeren. Erg tof. Zo niet-besta ik automatisch toch wat minder.

Facebook heeft wel een groot nadeel, tho. Het is er allemaal erg serieus. Laatst bijvoorbeeld had ik een fazant van straat getrokken, hem blauw geverfd en wilde hem een papieren hoedje opplakken maar kon geen juiste lijm vinden. Driesecondenlijm, houtlijm, zoogdierenlijm, ik wist het niet en vroeg het aan de mensen op FB. Dat viel niet in goede aarde. Ik verloor 50 vrienden en iedereen was boos. Want dan besta ik blijkbaar ineens wel. Gek is dat.

Je kunt geen grapjes maken op Facebook. Elke keer als je inlogt verschijnt er een vakje bovenin de pagina waarin je mag typen ‘wat of je aan het doen bent’. Dat klinkt heel vrij, maar is het niet. Fazanten blauw verven en beplakken wordt niet getolereerd. Naakte vrouwen boven een aquarium met kweekforel hangen ook niet. Je mag alleen dingen doen die in dat vakje passen.

‘Je moet je eigen vakje creeëren’ roepen mensen (die waarschijnlijk ook niet bestaan) dan. Maar daar ben ik niet goed in. Ik kan ook niet tegen blousjes die hoog dichtgeknoopt zitten. Dichte dozen of deuren.

Gisteren rolde er een aluminium balletje voorbij, op de plek waar ik een boek zat te lezen. Dat balletje bleef aan het eind van de kamer stilliggen en begon daarna te zoemen, eerst zachtjes maar steeds harder. Hij groeide ook. Eerst twijfelde ik daaraan, want als ik er naar keek zag ik niets gebeuren, maar elke keer als ik de kamer uitliep en terugkwam werd mijn vermoeden bevestigd. Hij groeide!

Inmiddels is hij net zo groot als de boekenkast dus dat belooft wat.

Op facebook wordt ook veel gediscussiëerd. In praktijk komt het er op neer dat zogenaamd geëngageerde mensen vragen stellen in de daarvoor bestemde vakjes. Bijvoorbeeld: Mag je dieren van straat trekken en blauw verven?#durftevragen. Wat maakt jou gelukkig?#durfteleven. Mijn poep is groen, is dat goed? #durftepoepen. Mag je een zin met ‘ik’ beginnen?#durfteschrijven.

Mij interesseert het meestal geen zak wat andere mensen vinden maar dat zal wel een voordeel van het niet-bestaanschap zijn. Want als ik wel bestond zou ik me waarschijnlijk ook druk maken over hoe ik me moest gedragen.

Jullie denken nu misschien, waar gaat dit stukje heen? We zitten al op 1400 woorden, geen rode draad te bekennen en we hebben nog meer te doen, ja.

Ik moet daarop antwoorden dat ik het niet weet.

Ik weet wel dat ik zojuist buiten met mijn spiegelei onder de pergola stond te zwaaien en iets groots zag glinsteren voor mijn raam. Dat was de aluminium bol, denk ik, die maar groeit en groeit. Ik hoop dat ik straks nog in mijn huis pas.


maandag 14 mei 2018

Geluidsbazen


Ik heb dus misofonie, of 'de geluidenziekte' zoals mijn oma het altijd noemde. ‘Net als Simon Vestdijk,’zei zij dan als iemand ernaar vroeg. Dat had ze gezien op televisie. De oordoppen die hij tijden het schrijven in had omdat hij zich aan omgevingsgeluiden irriteerde. 
De oordoppen die permanent in haar nachtkastje woonden en die ik ook altijd bij me heb als ik ergens moet overnachten omdat ik anders geen oog dicht doe. De blinde agressie die ik voel als iemand naast mij een zakje chips openmaakt, het uitgebreid op gaat zitten knagen. Sowieso mensen die smakken tijdens het eten, luid ademen, het tikken op een toetsenbord, een klok, het druppen van een kraan, nagelbijten, velletjesbijten, het geluid van een kartonnen bakje dat zacht op een tafelblad wordt neergezet. De woede die dan door me heen jaagt, man… niet te beschrijven, echt. Dat er nog geen doden zijn gevallen mag een wonder heten. 
In ieder geval, misofonie blijkt dus een echte ziekte. Je kunt er voor in behandeling zelfs, al zou ik dat wantrouwen, hoor. Ik weet precies hoe dat gaat. ‘Door de angst heen’, yeah, right. 
Ik zag ooit een documentaire op televisie over fobieën. Ze filmden een man die doodsbang was voor witte bonen in tomatensaus. Eerst gingen ze met hem praten over witte bonen in tomatensaus, daarna lieten ze hem geluiden horen van witte bonen in tomatensaus (lepel door witte bonensmurrie) en als laatste zetten ze de arme man (die inmiddels was veranderd in een zenuwwrak) alleen in een kamer met een gasstelletje waar een potje witte bonen in tomatensaus op stond te pruttelen. Met duizenden tegelijk voor de buis zagen wij hoe de stumper zichzelf op de grond liet vallen, jammerend en huilend dat het op moest houden, alstublieft, hij kon niet meer, zagen wij dat dan niet. 
Gebroken moesten ze hem afvoeren. Waarmee ik maar wil zeggen dat het allemaal niet zo makkelijk gaat als het lijkt. En dat fobieën op zichzelf levende organismen zijn, totaal niet met rede begiftigde wezens. Je kunt er doorheen gaan, omheen lopen, tegen zingen, praten, schoppen of bidden, je schiet er geen donder mee op. Uiteindelijk zijn ze de baas. 
Wat dat betreft draait altijd alles om bazen. De grootste bek, de grootste woorden, de grootste lul. Totdat alles op een dag ontploft. En dan niet bij mij komen huilen hè! Ik heb jullie gewaarschuwd.

woensdag 9 mei 2018

De avond dat mijn vader door een Biedermeierstoel heen zakte


      We aten soep op schoot. De hond beschermde grommend
      zijn pantoffel. Boven zijn kop hing een foto van mij als vierjarige
      in een kanariepak.
     
      Tot die avond had ik altijd gedacht dat ik mijn zus, de hond of de
      Biedermeierstoel was.
     
      Hij kraakte vervaarlijk onder mijn vader die oreerde alsof
      er een landelijke staking was uitgeroepen die dag  
      en hij de vakbondsleider was.  
      
      Net voor hij bezweek fluisterde mijn zus dat ze vroeger altijd dacht
      dat ze een jongetje was dat Hänzel heette.

      Terwijl het hout als versplinterd bot tegen oma’s portret opvloog
      gooide de hond zijn kop in zijn nek en jankte
      dat alles onomstotelijk waar was.
     
     
      (Uit: Planeetversterkers)

maandag 7 mei 2018

Vogelding


Dochter, terwijl we van haar studentenflat tussen andere flats door naar het Buikslotermeerplein in Amsterdam Noord lopen: Waarom kom je niet gezellig hier wonen, mam!

Ik: Ach, lieverd, dat wordt niks met mij. Ik kan toch niet zonder de bossen, de herten en de zwijnen.

Dochter, enthousiast naar drie uitgelichte stoeptegels wijzend waar een frisgroen boompje zijn stinkende best staat te doen: Kijk! Wij hebben hier ook natuur, hoor.

Ik: Haha. Grapjas.

Dochter: Nee, echt! Aan het eind van de straat, bij de tennisbaan bijvoorbeeld, staat een grote boom. En je hebt ‘het Twiske’.

Ik: ‘Het Twiske’ is toch geen natuur joh, mallie, dat is een park.

Dochter: Het A’damse bos dan!

Ik: Dat is toch geen bos joh, gekkie.

Dochter (streng): Je moet wel een beetje flexibel zijn, hè.

Ik: Nou ja, misschien later, ooit. Het lijkt me ook fijn om dichter bij jou en je broer te wonen, natuurlijk. Maar als ik mijn deur uitstap ben ik in een uur met de auto bij jullie. En als jij met het OV bij je broer (die aan de andere kant van de stad woont: JG) op bezoek wil, ben je net zolang bezig. Daarnaast woon ik in mijn eentje voor een paar honderd euro per maand in een huis met een beneden-en bovenverdieping, een grote groene voor-en achtertuin, én riante schuur en jullie wonen daar allemaal communegewijs voor 1000 euro per maand met tig man op elkaar gepropt in gestapelde kippenhokken.

Dochter: Ja, maar dan woon je wel in Amsterdám!

Ik: Dat bedoel ik.

Als we terug in haar flat zijn roep ik enthousiast terwijl ik naar het venster loop: Oh, wat is de boom voor je raam weer mooi groen! Geweldig, zeg.

Dochter: Ja, mooi hè. Allemaal natuur. Er zit zelfs zo’n vogelding in, heb je dat gezien?

Ik: Een vogelding?

Dochter: Ja joh, jeweetwel. Zo’n ding met vogels er in.

Ik: Je bedoelt een nest? Een vogelnest?

Dochter: Ja, man. Dat.



zondag 6 mei 2018

Het verdriet dat geluk heet




Deze dagen lees ik 'Een soort geluk' van Peter Abelsen, wat een soort geluk op zichzelf is. 
Vanwege een verstoorde relatie tussen mij en de literatuur was het alweer een tijd geleden dat ik voor het laatst een roman las. Ik ga daar nu niet over uitweiden, maar zeg het toch, omdat het lezen daardoor, voor mij, een speciale lading krijgt. Ik heb een gevecht te winnen. Of nou ja, beter gezegd, te voéren. Een gevecht waarin het uiteindelijk niet (meer) om de strijd an sich zal gaan (ja, ik ken de uitkomst al), maar om het vinden van een consensus. De overeenstemming over het feit dat er een strijd is, waarin jijzelf overeind blijft. Gebutst misschien, maar je bestaat. En dat telt. Of (vrij naar Kierkegaard): er is geen beloning, het leven zélf is de beloning.

Eenzelfde volgorde in beleving (rotwoord, I know) overvalt me tijdens het lezen van ‘Een soort geluk’. Het gevecht en de uiteindelijke consensus, een vorm van berusting. Wat dat betreft is de timing uitstekend te noemen.


Liefde, dood, spijt, de onverbiddelijke tijd, het helle heden met zijn (fel) uitverlichte mombakkes dat je smalend toegrijnst, krakers, drugs, ouwe punk, halfgare eighties bandjes, the ‘good’ old days, het komt allemaal voorbij in deze roman.

Met de hoofdpersoon Martin heb ik (nu het boek zijn einde nadert) inmiddels een haat-liefdeverhouding opgebouwd. Vaak scheld ik op ‘m, snap ik geen reet van ‘m, haalt ie oud zeer bij me naar boven, om me na een tijdje -op de een of andere manier- toch weer voor zich te winnen. (zoals dat vaker gaat tussen mij en hopeloze mannen;)

Aan de andere kant werpt zijn laksheid in de liefde, zijn ontrouw, ook oprechte vragen op. Want waarom lijkt het vaak zoveel ‘makkelijker’ om je over te geven aan de rouw dan aan het geluk van de liefde die daaraan vooraf gaat? Het is ook precies daar in het verhaal dat de hoofdpersoon en ik elkaar weer vinden. In de lelijke, snoeiharde rouw die hem ontredderd achterlaat en die Abelsen magnifiek beschrijft.

Wat dat betreft is het een echt verhaal. En dat bedoel ik letterlijk, want alles wat er staat kan zomaar ergens echt gebeurd zijn. Wat tijdens het lezen (met name het gedeelte voordat de ellende losbarst) dan ook gaat wringen. In mijn wereld althans. Dan mis ik de magie, de poëzie. Maar dat is een kwestie van smaak. Dat kan de schrijver niet worden aangerekend. Want schrijven kan ie, hetgeen het lezen van dit boek sowieso tot een feestje maakt.

Toch zal het niemand (die mij een beetje kent) verbazen dat ik het briefje van een meisje genaamd Zuzka (pag 191), waarin zij een droom beschrijft, één van de meest ontroerende stukjes uit het boek vind. Het gaat zo:

Paatje zat boven op het dak met licht in haar handen. Ik riep doe niet zo stom straks val je nog. Maar ze zei dat jij het goed vond dat het geen kwaad kon. Ik ging naar binnen lopen. Het was donker. En toen stond ze in de tuin en ze liet haar handen los en allemaal vlinders en licht vlogen weg. Waar komen die vandaan? Paatje zei nou van de maan natuurlijk. Dat vond ik zo lief!

Zuska.

Tijdens het lezen van dit soort fijne ijle zinnetjes voelt het alsof ik tussen het zwemmen door even lekker aan de rand van het zwembad mag hangen. Met mijn benen door het water mag wiebelen. In mijn element. Maar nogmaals, dat is mijn manco. Mijn aversie tegen teveel werkelijkheid.

Maar dan het eind. Een dwingend, urgent eind, eentje die zomaar ineens zachtjes in je nek begint te hijgen, steeds harder, en vanaf hier leest het dan ook als een rollercoaster en leg je het boek niet meer aan de kant.

Het zorgt er ook voor dat de persoonlijke opdracht vóór in het boek automatisch een melancholieke lading krijgt. De liefde, vooral als ie groots en meeslepend is, lijkt soms een onoverwinnelijk land, een stoere, sterke entiteit op zich, maar in elke hoek staat gewoon weer een nieuwe ramp, een nieuwe dood, een nieuw eind op je te wachten. En natuurlijk weet je dat zelf ook wel, maar tijdens het lezen van dit boek wordt dat onheilspellende voelen nog eens extra opgepookt. En dat is goed. Dat houdt alert.

Wat na lezing blijft hangen:

Life is a bitch, we gaan er allemaal aan, de een iets glorieuzer of smeriger dan de ander, maar als er zo af en toe van dit soort fijne boeken blijven verschijnen, is het allemaal prima vol te houden.

En nu ga ik een eindje lopen in het bos. Mijn kop door laten waaien. ‘Ontwerkelijken’. Het mos op de boomstammen aaien en ze in codetaal toespreken. Basten voelen. De ruwe schors tegen mijn wangen drukken als niemand kijkt. Leven. Mateloos van mijn geliefden houden. Stappen in de grond duwen. Zoveel ik kan.


Peter Abelsen, Een soort geluk, Ambo/Anthos.







vrijdag 4 mei 2018

Eigen wil


Glazenwasser tegen buurvrouw: Ik kan ook uw tuin doen, hé. Ik kan heel veel. Behalve voor een baas werken, dat kan ik niet.

- Mijn stoepje moet een beurt.
Ik doe ook stoepjes. Naast ramen. En tuinen.
Tuinen? Nou, nu u het zegt, die grote struik daar in de hoek, die doet het niet naar mijn zin.
Wat doet ie dan?
Hij groeit de verkeerde kant op.
Hm. De verkeerde kant, zegt u. Het is goed dat u dat aangeeft. Dat is wel een dingetje, namelijk. Kijk, ik wil u wel helpen maar u moet één ding van mij weten.
Oh?
Ik zal het proberen uit te leggen. Het is iets dat de mensen moeten weten voordat ze mij inhuren voor tuinen.
- Ik heb maar één tuin.
Ook goed. Doe ik ook. Ik heb alleen wel een voorwaarde. Daar ga ik prat op. Dat zeg ik overal. Dan kunnen de mensen daarna zelf kiezen of ze mij aannemen of een ander. Daar ben ik heel duidelijk in.
Oh, okay.
Het is heel makkelijk. De struik heeft een keuze. Net als u, net als ik. Mijn vrouw zegt ook altijd: Jan, jij kunt niet voor een baas werken, en daar heeft zij gelijk in. Dat kan ik niet. Maar die plant ook niet. Die gaat zijn eigen gang. Begrijpt u?
Als u het zegt.
Ik zeg dat. Als u een favoriete pizzeria in de buurt hebt, en er opent er eentje vlak voor uw huis, gaat u niet ineens naar die nieuwe pizzeria toe. U zou wel gek zijn. Die oude vertrouwde is fijn. U kent de mensen daar, de pizza’s zijn er lekker, wat moet u met die nieuwe?
Tja…
Precies, dat bedoel ik. Voor uw struik geldt hetzelfde. Die eet en groeit waar en hoe hij wil. Hij maakt zijn eigen keuzes. Dat vind ik mooi. Dat doe ik ook. Mijn vrouw zegt altijd: Jan, wat jij in je kop hebt, heb je niet in je kont. En zo is dat. Daarom doe ik graag tuinen. Tuinen denken net zo. En die struik van u, die heeft gekozen. Die groeit de kant op die hij wil. Dus ik wil hem best een beetje snoeien, puntjes knippen, uweetwel, maar meer ook niet. Ik ga niet tegen zijn wil in.
Hm.
Glazenwasser barst in lachen uit: Ja, nu twijfelt u, hè. U denkt, Jan is gek. Maar zo is het, en voor minder doe ik het niet. Zal ik anders zaterdag maar gewoon voor uw stoepje komen?


dinsdag 1 mei 2018

Doe de Fitbit! (of: JG versus alles)

Een maand geleden kocht ik een Fitbit. Dat heeft niets met paarden of kinky gekkigheid te maken, een Fitbit is een bandje met iets elektronisch erin dat je dag en nacht om je pols draagt en met een jaloersmakende precisie registreert wat je uitvoert. Wandelen, fietsen, traplopen, zwemmen, achterstevoren dronken om je huis heen schuifelen terwijl je Hongaarse volksliederen in parallelle tertsen zingt, alles.

De Fitbit houdt ook bij hoe je slaapt, hoeveel kilometer je je voortbeweegt en hoe lang je achter elkaar niks doet. Beetje Big Brotherish, I know, maar alles voor het goede doel, nietwaar.

Ik kocht deze infiltrant omdat ik na mijn laatste operatie nogal gehavend uit de strijd was gekomen. Dit, in combinatie met het aankomen van enkele kilo’s én 50 worden, was meer dan ik kon hebben. Ik ging dit varkentje wassen. Kinderen het huis uit, in de overgang geraken, maatschappelijke overbodigheid, chronisch ziekzijn, al die shit mocht dan ongevraagd mijn huis binnen komen denderen, met een stalen kop aan tafel zitten en mee eten, mijn gewicht had ik goddomme zelf in de hand. Daar ging niemand mee lopen fucken.

De Fitbit dus. Power to the people. Baas op eigen weegschaal. Ik stelde een doel in, niet al te ingewikkeld, met moest zichzelve liefhebben. 1 kilo per drie weken, niet te gek. Via een gekoppelde foodapp met barcodescanner en een ouderwetse keukenweegschaal kon ik moeiteloos bijhouden wat ik at. De app gaf mijn consumptiegedrag door aan de Fitbit die er vervolgens indrukwekkende schema’s en grafieken van maakte. Zo kon ik elke avond tevreden toezien hoe ik volgens de dieet-big-brothers dagelijks 500 á 600 calorieën verbrandde (wat neerkomt op een gewichtsverlies van 1 kg per twee weken ervan uitgaande dat 1 kilo verbranden 7700 calorieën behoeft).

Minder eten en meer bewegen ging mij wonderwel goed af. Ik had er lol in, voelde me energieker, vrolijker en kon niet wachten om mezelf na een dag of vier te wegen.

Met een bonzend hart stapte ik op de weegschaal. Yes! Yo! Way to go! Ik was zomaar ergens goed in! 0.8 kilo afgevallen! Dat ging snel! Ik raakte zo enthousiast dat ik een beetje door dreigde te slaan. Zo kon het gebeuren dat de Fitbit bijvoorbeeld net voor het slapen gaan aangaf dat ik nog 800 stappen moest zetten om mijn dagelijkse ‘beweegdoel’ te bereiken. Zodat ik diep in de nacht, bibberend in mijn ponnetje, als een soldaat naast mijn bed 800 stramme stappen in het vloerkleed beukte.

Of die keer dat ik echt te moe was om nog iets te doen, 250 stappen van mijn dagdoel verwijderd was, mijn auto in een berm parkeerde en 250 mechanische zwaaibewegingen maakte (hetgeen de Fitbit als ‘stappen’ registreert), de verbijsterde blikken van langsrijdende automobilisten en fietsers negerend.

Na anderhalve week woog ik mijzelf voor de tweede keer. WTF! Ik was weer op hetzelfde gewicht als waar ik mee begon! ‘Ja, hallooo, dat hadden we niet afgesproken,’ hoorde ik mezelf tegen de Fitbit foeteren. ‘We hadden een DOEL gesteld, jij en ik, een AFSPRAAK gemaakt. Goddomme. Ik keek een half uur paniekerig uit mijn badkamerraam en besloot mezelf te herpakken. Er was niets veranderd. Ik had nog altijd de controle. Het duurde misschien allemaal wat langer, maar ik ging dit nog steeds tot een goed einde brengen. Ik was de baas hiero.

Een nieuwe week van bewegen en minder eten volgde. Uit nijd bewoog ik ondertussen veel meer dan voor een reumapatiënt met mijn type aandoening verantwoord was, maar dat kon me niks meer schelen. Niets had ik onder controle gekregen in de afgelopen jaren, ik had in mijn eentje onder bergen gestaan en met hypermobiele schoudergewrichtjes lawines tegengehouden, ik had duivels en demonen van me af geslagen, ik had geliefden zien komen en gaan, en nu was ik er klaar mee. Die kilo’s extra Johanna zou ik de baas worden. Het evenwicht zou hersteld worden. Niet goedschiks dan maar kwaadschiks.

Dus ging ik nog minder eten en probeerde (terwijl mijn lichaam steeds harder begon te piepen en te kraken) nog meer te bewegen.

Een week later was de weegschaal nog steeds onverbiddelijk. Niets afgevallen. Geen gram. Ik probeerde een andere weegschaal. Ook niks. Ik ijkte mijn weegschaal door een liter water (= een kilo) te wegen. De teller gaf precies een kilo aan.

Blijkbaar deed ik iets niet goed hier. Misschien was ik te fanatiek. Wilde ik te graag. Of was ik misschien teveel teleurgesteld in het leven en hield ik, moe van al het kwijtraken en falen, mezelf krampachtig aan elke vetcel in mijn lichaam vast? Maar waarom eigenlijk? Iedereen raakte onderweg van alles kwijt, maakte fouten, dat was inherent aan het reizen. Door mezelf af te peigeren of nog zieker te maken dan ik al was ging ik daar echt niets aan veranderen. En wat wilde ik nou eigenlijk bewijzen?

Kortom, ik moest zen worden. Kalm. Groene thee drinken. Niet te ingewikkeld doen. Haalbare doelen stellen. Mijn verwaarloosde tuin vol woekerende bamboestruiken op orde brengen, bijvoorbeeld. Dat was een duidelijk en makkelijk streven. Een tuintje van 10 x 5 meter zou ik ZEKER onder controle kunnen krijgen.

Omdat ik als pijnpatient natuurlijk niet veel kan, hielp meneer K (hij zij geprezen) mij op gang. Hij plaatste een nieuwe schutting, trok onkruid, prikkende bramen en dooie struiken voor mij uit het zand, legde een paar kinderkopjes langs een rand, brak een schep, een rug en een riek in de strijd tegen de bamboe, overwon, deed kortom al het zware werk zodat ik met mijn wekedelen-handjes een beetje leuk met schepjes en bloemetjes in de weer kon gaan.

Maar ja, die Fitbit bleef maar piepen en bliepen, en na drie weken was ik nog steeds geen gram afgevallen. Terwijl ik elk uur van de dag knagende honger had, oorsuizingen en flauwvalneigingen. Al dat afzien moest beloond worden. Dat MOEST gewoon. Het was nu ik tegen mijn lijf, de zwaartekracht, de Wéreld.

Maar eerst die tuin. Dan volgde de rest vanzelf. Dus ging ik gaten graven om nieuwe struiken in te zetten. Die 50 vierkante meters konden niet weglopen, die gingen nergens heen. Niets zou daar ooit meer gaan woekeren of prikken. Alle doorns en netels eruit. Huppa, weg. Alles strak.

Dus spitte ik nog een gat, en stiekem nog één, want zo raakte ik nog meer calorieën kwijt. Ik ging heus wel afvallen, ik moest gewoon een tandje bijzetten. Op een dag zou het lukken. Ik was al drie weken bezig. Dat lichaam van mij moest gewoon even weten wie de baas was. Dat was ik. IK. Kwestie van dom doorzetten. Dat kon ik.

Tot ik tijdens het spitten een doffe pok ergens vanuit mijn heupen hoorde komen, een pols, een schouder. De (sub)luxaties volgden elkaar in een razend tempo op, hetgeen ongeveer klonk als een sjamanistisch tokkelinstrument gemaakt van botten. Pok, pak, puk, poink, pienk, poek.

De dagen erna lag ik dood op de bank. Mijn buik was nog gehavender dan normaal en al mijn littekens trokken en schuurden en schrijnden. Mijn gewrichten leken uit een middeleeuwse martelkelder te komen en ik kon alleen nog de trap op als meneer K (hij zij nog meer geprezen) mij duwde.

Het werd zondag 29 april. Precies een maand geleden was mijn afvalproject begonnen. Ik had mij aan alle afspraken gehouden. Ik had veel meer verbruikt dan ik consumeerde, had gezond gegeten, veel water gedronken, geen pakjes, geen zakjes, weinig zout, bijna geen suiker, had elke dag mijn stappen gehaald, kortom, ik zou grafieksgewijs twee kilo kwijt moeten zijn.

Met een bang hart ging ik op de weegschaal staan. Handen voor mijn ogen. Eén vinger langzaam loslaten. Twee. Voorzichtig kijken.

Niets.

Geen gram afgevallen.

Een maand lang had ik 1400 calorieen per dag gegeten, over eten gedroomd, me rotbewogen tot ik sterretjes zag, en het had nergens toe geleid. Ik was nergens de baas over gebleken en de eerste frisgroene bamboescheuten piepten buiten alweer op uit het zand.

Gisteravond vroeg meneer K. vriendelijk of die gekkigheid nu eindelijk was opgehouden? Met dat afvallen enzo? Hij had namelijk nooit om een magere vriendin gevraagd. Hij WILDE helemaal geen magere vrouw. Hij was kunstenaar godbetert. Hij wilde een vrouw met zachte warme volle rondingen. Weelderigheid. Kon ik niet wat meer gaan eten, alsjeblieft?  O ja, en die tuin. Hij begreep best dat het allemaal iets geciviliseerder moest, maar dit was een beetje teveel van het goede, vond ik ook niet? Kon ik niet ergens een woekerplant neerzetten? Of twee?



dinsdag 10 april 2018

De dag dat China mijn lampenverzameling overnam

Er was een tijd dat ik op grote schaal heksenhoeden verzamelde. Niet van stof of antroposofisch vilt met gekrenkte flapranden, nee, lámpen. Zoals ze vroeger in woonkamers met zitkuilen van kurk hingen. Mijn verzameling was tot in alle uithoeken van de wereld bekend en iedereen die droomde van zacht of hard brandende heksenhoeden wist mij te vinden. 

Ik verdiende daar aardig wat geld mee, veel meer dan met schrijven bijvoorbeeld, maar de mensen wilden steeds meer heksenhoeden en na een tijdje raakten ze op. Hoeveel kringlopen en rommelmarkten ik ook afliep, de vraag werd alsmaar groter en het aanbod kleiner. Zodoende werd iedereen boos op mij. Waarom had ik niet genoeg heksenhoeden? Waarom had ik de zaak niet beter gepland? Ik was een heksenhoedenverkoper van niks.

Gelukkig kreeg China lucht van de zaak en belde mij. ‘Ga jij maar lekker achter je raam zitten dromen, Johanna, over kabouter nummer 068 en wildroosters in het Mikadobos,’ zei China vriendelijk. ‘Wij nemen de boel wel over.’ Toen hingen ze op. De volgende dag stopte er een rood busje voor de deur. Een kleine meneer met een lampion op zijn hoofd trok al mijn heksenhoeden uit de schuur, propte ze in het busje en reed weg. Nooit meer iets gehoord. Van niemand niet, dus ik denk dat ik er uiteindelijk goed vanaf gekomen ben.

Soms droom ik dat de heksenhoeden zijn beland bij een god die niet van scherpe randen houdt, en bij het zien van de metalen hoeden boos een spaak in het grote wereldwiel steekt zodat we allemaal 1111 uur stilstaan. Tot aan het uur van de clown, om precies te zijn. Waarna iedereen zijn heksenhoeden vergeet of weggooit in een van onze vele zwarte hoofdgaten, zoals je met biologisch afbreekbare gedachten doet, die kraken tijdens het schedelknarsen. Maar dat is gewoon maar een droom. Dus dat zegt uiteindelijk niets. 

Ik kwam hier allemaal op, omdat ik gisteren bij een kringloopwinkel een heksenhoed vond. Ik vroeg mij af hoe die was ontsnapt aan mij, aan China en aan de grote vraag. Een kringloopmedewerker vertelde mij dat de heksenhoed jarenlang omgekeerd aan zijn plafond had gehangen. ‘En wat de mensen niet zien,’ zei hij, ‘dat zien ze niet.’ Ik denk dat hij bedoelde te zeggen dat de mensen alleen zien wat ze zien. Niet de moeite nemen om ergens doorheen te kijken. ‘Precies, want als ze dat gedaan hadden,’ zei de kringloopmedewerker, ‘hadden ze geweten dat een omgekeerde heksenhoed precies hetzelfde is als een niet omgekeerde heksenhoed.’ Toen liep hij weg. Ik nam de heksenhoed mee en hing hem omgekeerd aan het plafond. Deed er een zachte lamp in. Het leek op een kunstding in de vorm van een bloem. Daar houd ik niet zo van, van kunstdingen die op bloemen lijken, maar in dit geval was het overmacht.

Mijn omgekeerde heksenhoed vangt ook veel stof, maar hem wegdoen lukt me niet. Ik heb daar over nagedacht, maar ben er nog niet over uit. Ik vermoed dat de lamp iets wil bewijzen. Iets dat ik nog niet weet. En dingen die je nog niet weet, of nog moet ontdekken, liggen vaak in de buurt van de irritatiegrens. Bij de lelijk gedeukte randen van de flaphoed, zeg maar. En ergens diep in mijn hart heb ik ook het prettige gevoel dat ik met die hoed nog een beetje in contact met China sta. Misschien bellen ze nog een keer. Nemen ze weer iets van me over, iets waar ik mee worstel. Iets anders dan heksenhoeden. Mijn verstoorde relatie met de voltallige wereldbevolking bijvoorbeeld.

Laatst droomde ik weer over de heksenhoedengod en China. Meneer K sliep naast mij en porde me wakker. Ik bleek heel hard te hebben gesnurkt. Niet dat meneer K hier last van had, sterker, hij vind mij heel lief als ik snurk, maar ditmaal ging het zo ontieglijk hard dat hij bang was dat ik er in zou blijven. Ik vertelde hem van het uur van de clown en de stilstaande wereld. De omgekeerde heksenhoeden waar niemand doorheen kijkt. Sindsdien noemt hij me ‘Knorretje Snuf in Lampenland’, en elke keer als hij dat zegt maakt mijn hart een huppel. Over heksenhoeden heb ik nooit meer gedroomd.



De mosselmannen


Ik zou kunnen vertellen over de nare gevolgen van overmatig gebruik. Of hoe het kon gebeuren dat vijfendertig mensen onlangs tijdens een voetbalwedstrijd in Duitsland tegelijk door de bliksem werden geraakt. En dat ik tijdens het lezen van dat nieuws dacht dat God eigenlijk de grootste terrorist op aarde was. 

Over de mannen in mijn leven, die uiteindelijk bijna allemaal vreemd gingen, en dat ik soms geneigd ben te denken dat dit aan mij ligt. De wereldklok die exact tien centimeter van het midden op mijn schuurdak staat en elke milliseconde opnieuw onvermoeibaar jouw en mijn plaats in het universum berekend. Een zoemend geluid afgeeft die alleen wordt waargenomen door dieren en kinderen. Waarom grote mannen op kleine BMX fietsen in het bos op zondagochtend altijd zo eenzaam lijken. Maar misschien kan ik beter vertellen over de dag dat de moezelmannen kwamen.

Die moezelmannen waren natuurlijk gewoon mosselmannen. Zoals in het liedje. Gele plastic pakken droegen ze, met bruine strepen als hommels. Ze roken naar het strand bij Sassnitz, die grauwe Duitse strook langs de Oostzee waar campers met bejaarden hun laatste dagen tellen op houten telramen die ze voor hun polycarbonaat-plexiglazen ramen zetten. Die bejaarden zie je verder niet, ze zitten binnen en doen bejaardendingen. Rummicubben, patiencen, elkaar kapot irriteren, wachten op wie het eerste doodgaat, weet ik het. Ze ruiken naar gekookte aardappelen, een geur die in een vaste straal van honderd meter om hun camper heenhangt. Neem die geur in gedachten, vermeng hem met de zoutvissige lucht van die smoezelige zandstrook langs de Oostzee en je hebt iets dat in de buurt komt van wat ik bedoel. Van hoe de moezelmannen roken.

Ze belden aan en ik deed open. Stom natuurlijk, maar het is gebeurd. Ze kwamen een voor een binnen, veegden hun voeten in hetzelfde ritme, lieten ongezien DNA achter en deden het zodoende voorkomen alsof het nette moezelmannen waren. Wat achteraf gezien belachelijk was, maar ja. Ze liepen niet eens de kamer binnen of gingen netjes in de gang staan wachten, zoals normale mensen doen als ze ergens voor het eerst op visite komen, maar stampten gelijk de trap op naar boven. Naar de badkamer. Deden daar al hun kleren uit, gooiden ze woest van zich af en riepen dat ik hun van dode mosselenlucht doortrokken boeltje moest wassen. Incluis moezelsokken. En snel een beetje. Tijdens het uittrekken van hun kleren vielen er tientallen mosselen op de grond. Ze leken uit alle zakken, naden en zomen te komen. Het gaf een tikkend geluid. Licht en helder. Ik wist niet wat te doen. Mijn hele badkamer was gevuld met mannen en mosselen. Die laatsten lagen overal, als venijnige visjes. Sommigen nog dicht, maar de meesten wijdopen, schijnbaar naar adem happend. De mosselmannen hadden bleekwitte lijven die er gehavend uitzagen. Alsof ze elke nacht naakt tussen de mossels sliepen. Eentje vroeg of ik zijn vrouw wilde worden, maar de rest lachtte hem uit. Ik was toch onvoldoende toegerust voor zo’n bestaan, dat zag hij toch verdomme zelf ook wel. Keek hij wel goed uit zijn doppen, miljaar! Want als hij dat gedaan had, zou hij gezien hebben dat mijn handen veel te poezelig en broos waren. Een losse zak botjes, riepen ze. Totaal ongeschikt voor het breken van harde scherpe schalen, de wil van de mossel. ‘Kun je noten kraken?’ schreeuwde er een ballorig. Ik schudde mijn hoofd, nee, in noten kraken was ik nooit bijzonder goed. Hazelnoten ging nog wel, maar paranoten bijvoorbeeld gaven veel problemen.

De mosselmannen hadden grote voeten. Waarschijnlijk om stevig mee op de bodem van de zee te staan, of om de branding mee te trotseren, het zuigen der muien, het golfrazen. Ik vroeg of ze ook mossels op de Oostzee vingen maar de mannen lachten me uit. De Oostzee, daar wilden ze nog niet dood gevonden worden. Eentje ging omstandig uitleggen hoe de camperbejaarden daar roken maar ik wimpelde hem af. Oud nieuws. Het zag er ondertussen niet naar uit dat de moezelmannen hun vuile kleren weer gingen aantrekken dus gooide ik ze maar in de was, zette de klok op zestig graden en smeet er een halve fles Ocean Lavendel bij. Lavendel groeit natuurlijk helemaal niet in de ocean, maar in zo’n afgesloten kunststof flessenwereld kan alles.

Ik was eens op een eindexamententoonstelling van de Rietveld academie. Een van de geslaagden had een kleine kamer ingericht met wel twintig koffiezetapparaten erin. De junizon vloog manisch tegen de ramen op en het was er niet te harden, zo heet. Dit kwam ook door de koffiezetapparaten, die continue aanstonden. Daar was op zichzelf natuurlijk niet zoveel kunstigs aan. Daar moest iets bij. Iets vreemds, liefst. Vies. Zodoende had de kustenaar in plaats van water, urine in de koffiezetapparatenreservoirs gedaan. De urine circuleerde daar dag en nacht doorheen. In combinatie met de hitte gaf dat een stank die dodelijk hard in je gezicht klapte wanneer je de ruimte binnenkwam. Van Lavendel Ocean had de kunstenaar overduidelijk nooit gehoord.

Een beetje was duurt minstens anderhalf uur. Wat moest ik met de mannen aanvangen in al die tijd? Ik had ze nog niet geteld, maar het waren er veel, en ik wilde ze niet met hun ongewassen mosselkonten beneden op mijn nieuwe bankstel hebben. De was draaide en zoemde gezellig. Het viel me op hoe snel je went aan stinkende naakte mosselmannen in je badkamer. Ik was ook helemaal niet bang dat ze ongepaste dingen met me wilden doen. Zo keken ze niet uit hun ogen. Daarbij bungelden hun mosselgeslachten vrij slap onder hun buik, daar stak weinig gevaar in. Ik ben ook zelden bang voor mannen, dat scheelt misschien. Ik kan behoorlijk stoere verhalen vertellen over mannen en heikele situaties, met mijzelf in een glansrol. Over die keer dat ik beschoten werd in een kraakpand, bijvoorbeeld, de kogel vlak langs mijn oor fluitte en ik doodkalm bleef zitten. Of dat ik in een trein vol dolgedraaide voetbalsupporters belandde die zwaaiend met losgetrokken treinmeubilair boven hun hoofden op me afstormden, en dat ik rustig bleef zitten, een jointje draaide, vroeg of ze een hijsje wilden. Waarna ze lamgeslagen van verbazing om me heen gingen zitten, zoet luisterend naar verhalen die ik ter plekke verzon. Mannen zijn over het algemeen sukkels. Goedaardige sukkels, maar sukkels. Makkelijk om de tuin te leiden ook. Misschien gaan ze daarom altijd vreemd bij mij. Omdat ik mijzelf uiteindelijk toch net even iets slimmer, leuker en stoerder vind. Waarschijnlijk straal ik dat uit. En dat is voor mannen ook niet leuk natuurlijk. Met meneer K heb ik dat overigens allemaal niet. Dat vind ik zelf ook raar. Misschien komt het omdat ik, elke keer als ik denk te weten hoe hij in elkaar zit, ik mezelf weer terug bij Start vind.

Meneer K zegt altijd tegen mij, dat als ik ooit alleen kom te staan, en een man wil, ik er eentje moet zoeken met een akker. In zijn optiek is een man met een akker een goede man. Voor mij althans. Een man die iets maakt met zijn handen. Dus geen muzikant of schrijver. Dat zijn over het algemeen labiele aanstellers die immer op zoek zijn naar publiek en groupies. Bevestiging. Zoals ikzelf. Nee, een meubelmaker of zoiets. Zo eentje die met zijn voeten stevig op zijn zandgrond staat. De eenzaamheid ervan kent en daar niet bang voor is. Zodat ik ondertussen lekker op mijn eigen akker kan rondknooien, zonder angst te hoeven hebben dat, als ik even niet oplet, hij er gelijk met een ander vandoor gaat. Akkermannen zijn de meest betrouwbare mannen. En niet al te gecompliceerd. Zo zetten ze rustig een strooien  vogelverschrikker in hun veld om de vogels af te schrikken. Hangen er zilverpapiertjes in. Terwijl dat dus nooit helpt. Nooit.

De mosselmannen wachtten netjes in de badkamer tot de was klaar en droog was. Legden ondertussen een kaartje, repareerden mijn lekkende kraan en trokken een pruik uit een zwanenhals. Hun natte mossellijven droogden op en daardoor veranderde ook hun geur. Of ik begon eraan te wennen, dat kan ook. Het rook in ieder geval best plezierig. Daarna kleedden ze zich weer aan en vertrokken. Een minuut later hoorde ik nog flarden van mosselliederen boven de straten zwemen. De lege mosselen hadden ze achtergelaten. Her en der lagen ze verspreid. Op de trap, de overloop, in de douchecel. Soms vind ik er nog wel eens eentje als ik gehaast de trap op ren. Ze steken gemeen in mijn voeten.




vrijdag 6 april 2018

Jumbopoëzie in een dwaalstaat

Tien jaar geleden kwam mijn eerste dichtbundel uit. Hoe noem je zoiets, een dubbellustrum, een jubileum? Veel mensen krijgen bij een jubileum een mok met hun naam erop. Ik dacht dit te vieren met mijn zojuist voltooide (vijfde) bundel: Planeetversterkers. Dácht, want het liep een beetje anders.

Toegegeven, ik weet stiekem best dat er geen hond geïnteresseerd is in poëzie. Cryptisch gedoe, gekkigheid. Voer voor de geest, niet voor de portemonnee. Dit werd bevestigd door mijn uitgever die de poëzie onlangs commercieel liet doorlichten en sindsdien nog maar twee titels per jaar wil uitgeven. Van prijwinnende dichters, want die brengen meer op. Ik won nooit een prijs, dus gaat mijn ‘Planeetversterkers’ terug de la in.

Dit vertel ik nu heel cool, maar toen ik het kille nieuws een tijd geleden in mijn mailbox vond donderde mijn hart op de grond. Ik had het niet zien aankomen, en eerlijk gezegd zag (en zie) ik er tegenop. Het geluid van stuiterletters die ’s nachts tegen het hout opbonken, op zoek naar een kier in de la, krabbend aan de verf, roepend dat ze naar buiten willen, gekkenhuis.

Aan de andere kant; ik word over een week 50. Misschien moet ik mijn leven gaan herindelen. Ophouden met die gekkigheid en iets normaals gaan doen. Een mosselmannenkwekerij beginnen in de binnenlanden van een dwaalstaat.

Je moet borrels afgaan! roepen collega-dichters. Bundelpresentaties! Ik weet, het is DE manier om een (andere) uitgever te vinden. Maar wat als dat haperende lijf niet wil? Ik ben al minstens 100 jaar arbeidsongeschikt en mijn eennalaatste voordracht was in 2015, tijdens de Nacht van de Poëzie. Daarna werd ik nog zieker dan normaal en was ik twee jaar uit de running. Mijn allerallerlaatste optreden was eind vorig jaar bij Radio1 waar ik minstens drie dagen van moest bijkomen. Dat is helemaal niet erg natuurlijk, en als ik ergens word uitgenodigd rij ik er graag naartoe, maar borrels en presentaties afgaan die steevast 100 km van mijn huis worden gehouden? Dat zit er niet meer in.

Rijst automatisch de vraag: Is schrijven, alleen, genoeg? Heb je als chronisch zieke, 50-plus dichter/schrijver zonder theatershow of column nog bestaansrecht? Of is het net zoals in het bedrijfsleven, wie ziek is en boven de 50 ligt eruit?

Misschien ben ik geen goede dichter. Dat kan ook nog, hè, want al heb ik in de afgelopen tien jaar nooit een slechte recensie ontvangen en werd mijn debuutbundel genomineerd voor de C-Buddingh’-prijs, echt ‘doorbreken’ deed ik niet.

Ik krijg vaak te horen dat ik ‘anders’ schrijf. Buiten de kaders. Misschien is dat het probleem. Moet ik normaler gaan schrijven. (Waar liggen die kaders? Hoe zien ze eruit? Hoe herken ik ze?)

Ik moet nog wel wennen aan het idee, hoor. Het voelt soms alsof mijn huis is dichtgetimmerd terwijl ik druk bezig was met het tellen van vlinders in een hoekje van de tuin. Dan zeg ik tegen mezelf: Ik heb dat huis gebouwd. Het is misschien een mal ding geworden, een folly, maar het blijft mijn huis. Dat kan niemand dichttimmeren.

Tegelijkertijd voelt de wereld ineens heel ruim. Vol mogelijkheden en vrij. Gek hè, dat twee tegenovergestelde –en heftige- emoties in een en dezelfde gemoedstoestand passen.

Er zijn ook valkuilen: soms (vooral ’s nachts in bed) voelt deze toestand als het einde van de wereld. Een wereld die eerst rond was, en waar ik op mijn argeloze gemakje als een kip zonder kop achter vogels aan kon rennen, maar die onverwacht toch plat en begrensd blijkt, zodat ik continue naar de punten van mijn schoenen moet kijken om er niet vanaf te vallen.

Er zijn ook dingen die ik mezelf vanaf nu dagelijks moet inprenten. Bijvoorbeeld dat ik heus niet plotseling een slechte schrijver of dichter ben geworden alleen omdat een uitgever te diep in zijn portemonnee heeft gekeken.

Ik weet feitelijk niet eens wat ik ‘opbracht’. In vijf jaar tijd ontving ik, ondanks herhaaldelijk vragen, slechts eenmaal een royaltieoverzicht, over een periode van twee maanden. (Daar had ik meer achteraan moeten zitten na twee bundels en een verzameld columnboek, I know.)

En nu? Dat weet ik eigenlijk niet. Ik weet wel dat ik de laatste jaren (vooral in de 2,5 jaar dat ik een online column bij HP/DeTijd had) nogal druk over alles en iedereen heb lopen roeptoeteren. Misschien is dat onderdeel van het probleem.

Ik zou rapartiest kunnen worden, dan mag je roepen en maken wat je wil aangezien het de punk van nu blijkt te zijn. Vette epees opnemen in studio’s met leipe producers met onuitspreekbare namen die voornamelijk uit medeklinkers bestaan. Geen labels, compromissen of commerciële poortwachters, gewoon, je hart en ziel in een tekst flikkeren, vette beat erbij en gáán. Mijn dochter beweegt zich in die wereld, vliegt met haar eigen maffe teksten en liedjes studio’s in en uit, maakt geweldige dingen, free as a bird.

Of is underground alleen cool bij jonge mensen.

Misschien moet ik minder over de dingen nadenken. Nee, das ook niet handig als bipolair patient, ik moet altijd nadenken, over elke stap, overal liggen landmijnen, overal. Evenwicht, uppers, downers, rechte lijnen…

Waar je trouwens ook ineens achterkomt; ik dacht dat schrijven an sich mijn identiteit was, maar het blijkt dus breder dan dat, en nu het ‘publiceergedeelte’ wegvalt, wankelt ineens de wereld. Is het de angst voor statusverlies? Bang om in de sneue wereld van ‘uitgeven in eigen beheer’ terecht te komen, datgene waar iedereen altijd zo op neerkijkt? Maar waarom eigenlijk? In de rapwereld is uitgeven in eigen beheer hartstikke cool. Zijn die gasten de pioniers, de trendsetters van nu. Waar zit het verschil? Zijn schrijvers gevoeliger voor statusverlies dan muzikanten? Zijn ze minder avontuurlijk? Of zijn lezers behoudender dan muziekluisteraars en derhalve minder bereid het net af te schuimen op zoek naar het afwijkende, het schurende (wat dat ook moge zijn).

En waarom moet ik eigenlijk zo nodig gelezen worden? Wat is dat voor een ijdel gedoe. Moet ik mezelf wat dat betreft niet eens aan een grondig onderzoek onderwerpen? De boel herijken?

Ik weet het niet, hoor, probeer ook maar wat.

Publiceren kan gelukkig op meerdere manieren. Ik heb een redelijk drukbezocht blog (dank u, lieve lezers), en er zijn literaire tijdschriften. ‘Een gedicht in de Gids is als een schilderij in het Rijks,’ mailde een dichter mij ooit, en daar sta ik dit jaar tweemaal -met proza en gedichten- in. Wat dat betreft is de wereld nog niet van mij af.

Misschien moet ik een poëzievlog beginnen. Gesponserd. Hoe noem je zoiets, een plog? Elke dag met een Jumbomuts op mijn kop een gedicht voordragen. Ik zie dat trouwens steeds vaker op youtube, hè. Vijftigplus vrouwen die zich nergens meer iets van aantrekken, vlogs in powerpointstijl 2000 plaatsen en charmant stuntelerig met een oldschool muis naar de webcam zwaaien. Je ziet, ideeën genoeg.

En als dat allemaal niets wordt kan ik er ook gewoon mee ophouden. Een dwaalstaat oprichten waar niemand de sleutel van heeft. Ook leuk.

Maar voorlopig ga ik nog even door met wat ik al 38 jaar doe, vanuit een hoekje van mijn tuin vlinders determineren terwijl om mij heen gebouwen instorten, er nieuwe voor in de plaats komen, die weer instorten, etcetera.

Luwten zijn zo gek nog niet, hoor. Het licht valt daar vaak mooi. Zacht.

(Dit stukje werd mede mogelijk gemaakt door HP, Samsung, Charlie Temple, Ikea, Jumbo, Autodrop, snackbar Charley, Naproxen 8000 mg, het Kruidvat, Ziggo, Douwe Egberts, de tarotlijn, mosselkwekerij Klapkaak, bakker Toet, De Gids en de nieuwe bundel van Johanna Geels: Planeetversterkers! Onthoud die naam! Of niet, wat kan mij het ook eigenlijk schelen...)


maandag 5 maart 2018

Wat een tuin ziet als hij slaapt (deel V)


Een naamloos plantsoen, een vissenkom of miniatuur wereldbol; soms moet een dag, een week, een leven niet méér willen zijn. Een schoen waar de veter van geknapt is. En dan de juiste veter zoeken. Je beperken tot het vinden van de goede kleur, trekkracht, geur, substantie. Niet de perfecte veter. Perfectie bestaat alleen in grote werelden.

In grote werelden was ik nooit erg op mijn gemak. Soms tilde ik even mijn hoofd op tijdens het lopen en keek voorzichtig om me heen. Naar de planten, de straatverlichting buiten, de bemodderde boodschappenbriefjes in de goot. Goten zijn naast restverzamelaars ook een soort van grenzen. Waarschuwingen. Blijf op het pad! Altijd op het pad.

Vroeger schopte ik graag tegen alles wat bewoog. In een kleine wereld hoeft dat niet. Daar geven goten nooit grenzen aan, zijn paden gewoon paden en niets hoeft verdedigd of een naam.

Een kleine wereld mag de grootte van een postzegel hebben, een tuin. Burgerlijk! roept de haring die in een strak glimmend pak op mijn gazon staat. Ik lach hem uit en vraag wat hij daar doet, ik heb bij mijn weten nooit om een aangeklede haring gevraagd. En floep, weg is ie. In een kleine wereld past maar één baas.

Wat ook fijn is: In een kleine wereld kun je lang in vertes staren zonder bang te hoeven zijn dat alles gaat draaien. Tollen. Er een keiharde slagwind om je kop raast die je de adem beneemt. Je kunt er op je gemak de piepkleine houtnerven van de bramendoorn doorgronden, het blad van de boterbloem bevoelen of samen met de avondmerel genieten van zijn zang.

Er is niemand die zo teer zingt als mijn avondmerel. Elk voorjaar wacht ik hem op, en als hij zich aandient, aarzelend bijna, moet ik alle zeilen bijzetten om te voorkomen dat mijn hart niet als een opvouwbaar bordspel uit elkaar klapt.

Er zijn ook nadelen. Kleine werelden zijn vaak als de helderwitte stippen die je ziet als je je ogen sluit en je ergens op probeert te concentreren. Een keer knipperen en ze zijn weg. Kwetsbaar dus. Eigenlijk weet je niet eens zeker of ze ooit bestaan hebben. Misschien alleen in je herinnering, en tot in hoeverre telt dat? Hebben herinneringen bestaansrecht enkel en alleen omdat ze herbeleefd worden? Is dat genoeg? Zijn hoofdlevens echte levens?

Op een slechte dag is mijn leven een hoofd dat opstaat, zich een paar uren voortbeweegt en weer naar bed gaat. Een leven tussen kleine gebeurtenissen en grote herinneringen door, randen en regels waarvan nooit met zekerheid kan worden vastgesteld of het echt is.

Mijn hoofd een vissenkom met wereldzeeën. Een naamloze tuin in een toeristengids die nog geschreven moet worden. Mijn mond een snavel die boodschappenbriefjes uit de goot pikt, mijn lippen de oevers waar niemand loopt, de merel in mijn mondhoek die met zachte klanken de woorden van het boodschappenpapier zingt: ‘tweeee ons zeekraal-aal, één bekertje slagro-oom, pedaalemmerzákken en zilte griéééét.’


zondag 25 februari 2018

Jimi Hendrix heeft een zoon en zijn naam is Brian Pittar


Sinds vannacht weet ik dat Jimi Hendrix een zoon heeft. Dit kwam zo:

Meneer K en ik lagen een beetje te kletsen in bed en kwamen te spreken over het fenomeen ‘rondneuken’ en hoeveel kinderen er op de wereld zouden rondlopen die daar het gevolg van waren. Zo wist Meneer K bijvoorbeeld met een jaloersmakende stelligheid te beweren dat Jimi Hendrix aardig wat buitenechtelijke kinderen moest hebben.

‘Hoe weet jij dat nou?’ vroeg ik. ‘Want als dat zo vanzelfsprekend was zouden er net zo goed kinderen van jou kunnen rondlopen. Wij hebben allebei periodes in ons leven gehad dat we maar wat hebben rondgeneukt, net zoals zoveel mensen van onze generatie.’

Nou, meneer K wist wel zeker dat dit niet het geval was. Hij had altijd opgelet.

‘Misschien lette Jimi Hendrix ook wel op,’antwoordde ik een beetje geagiteerd, een staat van zijn die voornamelijk werd veroorzaakt door het feit dat het idee van een rondneukende meneer K me nogal jaloers maakte.

‘Waarom zouden door god gezonden gitaarhelden niet opletten, en jij wel,’ging ik verder, ‘dat is toch niet logisch?’ Ondertussen deed ik mijn ogen dicht, trok de dekens over mijn hoofd en hoorde vanuit een mist ergens achterin mijn hoofd een stem aanzwellen die met een ouderwets aardappel-engels accent de volgende zin herhaalde: ‘Who knows Brian Pittar? Who knows Brian Pittar? Who knows Brian Pittar?’

Okay. 1-0. Uitgemaakte zaak. Meneer K had gelijk. Jimi Hendrix heeft een zoon waar niemand van weet en zijn naam is Brian Pittar. Ik kwam overeind en ging hem gelijk googelen.

‘Wat doe je,’vroeg meneer K, ik dacht dat je ging slapen?
‘Eerst de zoon van Jimi googelen,’antwoordde ik.
‘Huh? Net was het allemaal onzin en nu heeft ie ineens een kind. Een zóón nog wel.’
‘Jazeker,’antwoordde ik met een jaloersmakende stelligheid, ‘en zijn naam is Brian Pittar.’
‘Hoe weet jij dat nou?’
‘Dat is me net verteld. Door een Engelsman.’

Afijn, ik vond allerlei Pittars: Eugene, Jack, Molly, een hond, een kinderboekenheld, een Poolse spion, een ‘seks-offender uit Canton die eigenlijk niet telt vanwege een D achter zijn naam, en zo nog wat Pittar(d)’s van over de hele wereld. Welke zou de zoon van Jimi zijn? Ik zocht op afbeeldingen en probeerde gelijkenissen te vinden, zocht in facebookbio’s naar hobbies als ‘gitaarspelen, ‘ukelele’ desnoods, maar vond niets.

Ik besloot dat ik twee dingen kon doen. Hier werk van maken, Brian opsporen, hem het nieuws vertellen, of alles laten voor wat het was.

‘Wat zou Jimi doen?’ vroeg ik aan meneer K, maar die sliep al. Ik besloot hetzelfde te doen. Misschien zou de Engelse stem terugkomen en me in de uitgebouwde wereld van de slaap vertellen waar Brian woonde. Binnen twee minuten sliep ik. Ik droomde dat ik in de Ardennen getuige was van een moord. Twee mannen sleepten een dood lichaam met een houthakkersblouse door een bos, een derde groef een gat. Op datzelfde moment belde de Vlaamse politie. ‘Dat is snel!’riep ik verheugd. ‘Het is net gebeurd. Ik heb alles gezien!’

‘Geweldig!’antwoordde de politieagent. ‘Beethoven en Bach zijn al de hele middag zoek, en iedereen is er ziek van!’

‘Hebben we het wel over dezelfde zaak?’vroeg ik vertwijfeld, ‘Ik zag namelijk maar één dode, en die zag er niet uit als iemand die Beethoven of Bach heette.’

Binnen een minuut stonden tientallen Vlaamse journalisten op de deur van mijn vakantiewoning te bonzen. ‘Waar is Beethoven, waar is Bach?’ riepen ze boos.

Ik antwoordde dat ik dat niet wist. En dat ze beter Brian Pittar konden gaan zoeken. Dat was pas nieuws.

‘Who the hell is Brian Pittar,’ riep iedereen. ‘De zoon van Jimi Hendrix,’schreeuwde ik terug.
‘Wat kan ons Jimi Hendrix schelen’, riep iedereen boos. ‘Wij willen Beethoven en Bach, de lievelingskippen van het dorp, terug!’

Daarna werd ik wakker. Meneer K stond breeduit lachend naast mijn bed.

‘Wat sta jij nou dom te lachen,’vroeg ik chagrijnig.
‘Lullen!’antwoordde meneer K. ‘Dat betekent het volgens google. Pitt is Zweeds voor lul. Pittar is het meervoud. Koffie?’