donderdag 29 november 2018

De 'O' van Pinzot (en andere dingen die ik in 2018 leerde)


De stapjes die ik op een dag zet zouden voor een gezond mens waarschijnlijk te klein zijn om te benoemen, een trap op en af, een bed opmaken, een boterham smeren, maar voor mij zijn al die ministapjes tesamen de wereld. Mijn kleinegrote wereld waar ik –noodgedwongen- van heb leren houden. Oké, het ging niet vanzelf, maar inmiddels voel ik hoe alles in en om mij heen ronder en warmer wordt. Aaibaarder.

Werelden veranderen. Soms werkt dit in je voordeel. Vaak niet. Een jaar geleden bijvoorbeeld werd mijn werk nog uitgegeven, schreef ik elke dag van acht tot twee, kon ik nog zelfstandig boodschappen doen, fietsen, de ramen wassen, de kat met twee handen optillen, een tafel van zijn plek schuiven, kortom, ik functioneerde -ondanks mijn toen al ruim aanwezige aandoening- redelijk. Geleidelijk aan veranderde dit. Schoof ik naar een rand. Voor me de zee, achter mij het land. Tegenwoordig kan ik nog maar een uur per dag schrijven, word ik (op publicaties in literaire tijdschriften en bloemlezingen na) niet meer uitgegeven (te oud, te gehandicapt, te raar, commercieel niet interessant genoeg), treed ik nergens meer op, en als ik meer boodschappen wil doen dan ik met één hand kan tillen moet er iemand met mij mee.

Er zijn twee plekken in mijn huis waar ik goed kan toeven. Waar ik gestut en gesteund door zachte materialen kan bestaan. De wereld om me heen kan bekijken, overdenken, bevoelen zonder bang te hoeven zijn dat er een schouder uit zijn kom vliegt, een heup subluxeert. Twee plekken op de wereld waar de chronische pijn die ik voel redelijk beheersbaar is.

Dit klinkt voor een gezond persoon waarschijnlijk behoorlijk shitty, maar echt, ik ben best heel gelukkig met mijn leven zoals het is. Dit duurde wel even. Een jaar om precies te zijn, waarin ik veel vloekte, schopte en raasde. Tegen de goden, artsen, falende ledematen, falende zorginstanties, hulpdiensten, de armoedegrens waar ik dagelijks noodgedwongen tegenaan knal (fulltime ziekzijn is de slechts betaalde en tevens meest geldslurpende baan van de wereld), nou ja, tegen alles wat me dwarszat.

Wie goed kan boekhouden heeft de halve wereld. Boos zijn kost bergen energie. Ik heb niet veel energie. Ik weet nog dat ik als kind, elke dag als ik uit school kwam gelijk naar mijn kamer rende, de deur op slot draaide en er niet meer van afkwam. Op de rand van mijn bed in mijn eigen (sprookjes)wereld dobberde. Dat mijn vader bij tijd en wijlen in zijn manische gekte een deur uit zijn sponningen trapte had daar vast mee te maken. Die kamer was feitelijk mijn schuilkelder in een jeugd met een ouder die elk moment kon ontploffen. Het maakt ook niet uit waarom ik daar zat, het gaat om HOE ik daar zat. Redelijk tevreden in mijn eigen kleine wereldje. Met een blokfluit, een boek en pop Monique. Zogenaamd ver weg van alles wat bedreigend was. Een plek waar niemand me kon raken, waar ik en mijn hoofd onbereikbaar waren voor de rest. Ik herschiep de wereld in die kamer. Vormde en kneedde hem net zolang totdat ie redelijk comfortabel om me heen bewoog, iets waar ik nog elke dag profijt van heb. Dat is ook boekhouden.

Ik las laatst een mooi verhaal over mijn heldin Frida Kahlo. In een straat vlakbij haar huis stond een winkel waarboven met grote letters PINZOT stond geschreven. Frida, die als kind gepest werd vanwege een door kinderverlamming gevormd raar voetje en haar orthopedische schoenen, stelde zich graag voor hoe ze met haar ellebogen maaiend door die O van Pinzot kroop, waarachter een hele wereld lag waarin ze zichzelf kon zijn, compleet met haar rare fantasieën, voetje en gedachten. Toen dacht ik; mijn hoofd en huis zijn die O van Pinzot! Een hele wereld voor mij alleen. De beste wereld van de wereld. Een wereld waarin ik kan fantaseren en schrijven wat ik wil, hoe raar of niet relevant het ook is. Met een fakkel in mijn hand in een grot  lekker op een muur kan zitten krassen. Commercieel totaal oninteressante tekenen van leven waar niemand op zit te wachten maar die voor mij belangrijk zijn. Dat is ook iets wat ik geleerd heb; dat hele schrijven van mij, waarvan ik ooit in mijn beste dromen hoopte dat het misschien een functie in een groter geheel zou hebben (haha, lachen met mij), dat het belángrijk was, is natuurlijk gigantisch van zijn sokkel geflikkerd.

Het heeft een meer particuliere belangrijkheid gekregen. Het schuiven van woorden op mijn manier, vanuit mijn plek in de wereld als een blokje belangrijkheid tussen duizenden andere blokjes. Dingen in zijn eerlijkste vorm opschrijven. Woorden die ongefilterd uit mijn ogen, oren en mond naar buiten kruipen en die ik op mijn manier schik, weggooi, omvorm, ze als schelpen tussen miljarden andere schelpen leg, en dan toch precies weten, die daar, die zijn van mij, zonder veel nadenken, weetikveel, vrije associatie, weetikveel, doenwatikmoetdoen, weetikveel, niet meer (in opdracht) hijgerig duizenden woorden naar mensen toé schrijven omdat ik zo nodig gelezen moet worden, weetikveel.

Ik weet dus geen hol, daarom. 
Misschien is dat wel de grootste les die ik het afgelopen jaar geleerd heb; ik weet niks, ik wist niks en ik zal nooit iets weten, behalve dat ik in het hier en nu sta of zit met wat ik heb. En dat dit, ondanks mijn invalide lijf, nog stikveel is. Een fijn huis, een land zonder oorlog, niemand in mijn buurt die zomaar ontploft, alleen maar lieve mensen om me heen.

Verlangens verschuiven. Jarenlang droomde ik stiekem van een bestseller, een literaire prijs met mijn uitgegeven werk. Afgelopen jaar was ik al godse blij geweest als mijn werk überhaupt uitgegeven wérd en inmiddels streep ik de dagen af waarop ik van mijn revalidatiearts een op maat gemaakte ijzeren arm krijg, een ligorthese in bed die ervoor zorgt dat mijn schouders tijdens mijn slaap niet  uit de kom vliegen. Droom ik ervan om ooit weer te kunnen fietsen. Leef ik met de kruimels en confettirestjes die ik ’s ochtends naast mijn bed vind en waar ik elke dag een op maat gemaakt feestje mee bouw.

Soms klaag ik. Vaker probeer ik dat niet te doen. Klagen betekent in mijn geval zoiets als stoken met alle deuren en ramen open. Soms moet het even, om de boel te luchten, maar nooit langer dan dat, het kost teveel. En ik heb wel tien bomen achter mijn huis staan die met de seizoenen mee kleuren. Er zitten spechten in die bomen, boomklevers, zanglijsters en spreeuwen die zo mooi zingen dat je gemoed niet weet waar die het zoeken moet. Ook zijn er nog steeds dagen dat ik me goed genoeg voel om een museum te bezoeken, naar mijn geliefde in Den Bosch, mijn kinderen in A'dam af te reizen, te winkelen, soms rechtop staand, soms in een rolstoel, met een mitella of een wandelstok, het maakt niet meer uit, ik grijp elke meter vast die zich voor me uitrolt. Ook het schrijven is niet opgehouden. Er dient zich af en toe nog een gedicht of stukje proza aan. Soms schrijf ik het op, stuur het naar een tijdschrift, zet het op mijn blog of geef het mee aan de wind.  

De rand van de wereld is niet het einde van de wereld, het is de rand. De plek waar mijn grot, gehouwen uit de rotsen ligt/staat en waar ik met een stompje krijt in mijn handen tijdens het optekenen door naar buiten kijk, waar of mijn geliefden rondhangen.

En als er toevallig es iemand langsloopt, zijn kop naar binnen steekt, mijn kleine verzameling woorden leest en weer verder trekt dan is dat goed. En als dat niet gebeurt is het ook goed. Dat is wat ik dit jaar geleerd heb. En dat een leven een fijn leven is als overal om je heen woorden als PINZOT staan geschreven, met grote ronde letters waar je doorheen kunt kruipen.



zaterdag 3 november 2018

Dokter Oetker


Dat mijn orthopeed en ik geen vrienden gingen worden werd bij het eerste consult al duidelijk toen ik bij hem kwam met een zeer pijnlijke ‘frozen shoulder’ (een schouder die vanwege ontstoken, verkleefd en hard geworden kapsel 1-5 jaar lang muurvast zit). De orthopeed bestudeerde in de verwijsbrief mijn voorgeschiedenis met HSD (hypermobility-spectrum-disorders) en h-EDS en riep geagiteerd dat een hypermobiel klachtenpatroon niet samenging met een frozen shoulder. Iets met beweeglijkheid versus vast. Logisch toch. Eéntweetje. Easypeasy.

Zijn reactie gaf weinig hoop voor een mooie gezamenlijke toekomst aangezien frozen shoulders vaak voorkomen bij hypermobiliteit, en hij dus geen verstand van de materie had. Eén telefoontje van mijn dochter (zij heeft dezelfde aandoening) naar haar revalidatiearts in A’dam (die veel van HSD/h-EDS weet) bevestigde dit vermoeden. Maar omdat ik dringend hulp nodig had besloot ik het toch met de orthopeed te proberen.

Zo langzamerhand weet ik, na jarenlange ziekenhuiservaring, bij binnenkomst al vrij snel met welk type arts ik te maken heb. Deze hield duidelijk niet van mondige vrouwen met rare, onbekende aandoeningen. Gelukkig werd ik snel doorverwezen voor een MRI en een arthografie. Toen ik vertelde daar zenuwachtig voor te zijn, leefde hij op. Hè, hè, eindelijk iets praktisch, zag je hem denken. Hij ging het regelen. Kon ik tegen seresta? Ja? Hij ging gelijk de dagbehandeling bellen. Kwam goed.

Dat laatste bleek iets te hoog gegrepen. Toen ik een uur voor de MRI op de afdeling radiologie naar ‘mijn seresta’ informeerde keken ze me aan alsof ik een lastige junk was die om zijn methadon kwam zaniken. Gelukkig had ik zelf een oxazepammetje mee, voor de zekerheid.

Bij het tweede consult, waar de uitslag zou worden besproken, hing de orthopeed als een onwillige en verveelde puber in zijn stoel. De foto’s van mijn schouder sierden de muur achter hem. Hij wees er nonchalant naar en sprak van een scheurtje in de bicepsaanhechting en dun kraakbeen alsof hij een kastje op Marktplaats verkocht, beetje gebutst hier en daar, maar verder prima kassie, hoor.

‘Dat dunne kraakbeen, is dat artrose?’ vroeg ik. ‘Ja,’ antwoordde hij. ‘En dat bicepsscheurtje?’ Jaaaa, dat kwam door de ‘beweeglijkheid’ van de schouder. Huh? Maar ik kon toch niet hypermobiel zijn, volgens u, met zo’n bevroren schouder? Dat laatste zei ik natuurlijk niet, want als ik iets heb geleerd door de jaren heen is het dit: hoe horkerig sommige artsen zich ook gedragen, je moet altijd vriendelijk blijven. Voor je het weet schrijven ze je dossier vol met onzin of houden ze je weg van behandelingen die je nodig hebt.

Aangezien de orthopeed nog steeds zweeg en me aankeek alsof ik ongewenst bezoek was dat hem stoorde tijdens een vrije avond, vroeg ik hem zelf maar of er een behandeling mogelijk was. Hij begon een vaag verhaal over opereren, schouder ‘vastzetten’, nieuwe schouder wellicht, allemaal zaken die volgens hem bij mij geen enkele zin hadden vanwege de beweeglijkheid van mijn schouder. Sowieso kon ik met een frozen shoulder niet geopereerd worden. Eerst moest ik wachten tot dat (vanzelf) over ging. Een proces dat jaren kon duren. 


Weer viel hij stil. Ik vroeg of hij me dan in ieder geval kon doorverwijzen naar een revalidatiekliniek, ik had tenslotte een arm die er levenloos bij hing, me belemmerde in al mijn activiteiten. Ook de rest van mijn conditie (die toch al niet best was) holde achteruit. Subluxerende heupen, rugwervels, nek, pijn, enz, enz…

Dat vond hij zowaar een goed idee, en blij (waarschijnlijk bij de gedachte van mij af te zijn) pakte hij zijn opschrijfboekje. De vreugde duurde maar kort. Om precies te zijn, tot het moment waarop ik aangaf graag naar Utrecht te willen, naar een revalidatiekliniek waar ze veel ervaring met HSD/h-EDS hebben. De orthopeed keek mij koel aan en antwoordde minzaam dat daar niets van in kwam. De dichtstbijzijnde kliniek was goed genoeg, Utrecht nergens voor nodig en expertise bestond overal.
 
Ik bleef aandringen, vertelde over de nare ervaringen die ik in de regio had gehad met een revalidatietraject (een revalidatiearts die van mening was dat hypermobiliteitsproblematiek tussen de oren zat). De orthopeed echter was onvermurwbaar. Ik verbaasde mij over zijn onverzettelijke en arrogante houding. Het totale gebrek aan empathie. Waar kwam dat vandaan? En buiten dat, er was toch sprake van vrije zorgkeuze? En waarom kregen mijn volwassen en uitwonende kinderen (allebei behept met dezelfde –erfelijke- aandoening) wel goede en op maat gemaakte zorg 100 km verderop in A’dam? Lag het aan de provincie? Was de zorg hier gewoon minder goed?

Terug in de auto op de parkeerplaats begon ik te trillen. Na een uur zat ik er nog. Totaal van de kaart door de arrogante houding van de arts, het vooruitzicht weer naar die vermaledijde rotrevalidatiekliniek te moeten waar ik zoveel nare herinneringen aan had. En hoe te leven met een schouder/arm die doods aan mijn romp bungelde en waar volgens de orthopeed niets meer aan te doen was, met de pijn dag en nacht, het niet kunnen slapen van de pijn, niet kunnen fietsen, zwemmen, tillen, huishouden, dansen, winkelen, stoeien, een stevige knuffel, een struikje snoeien, de kat optillen, een cake bakken, niets. En hoe zat het eigenlijk met dat ‘scheurtje’, de artrose? Feitelijk wist ik nog niks. Hoogstens drie zinnen had de man aan mijn schouder gewijd.

Ik belde mijn zorgverzekeraar en vroeg of een arts mocht weigeren mij door te sturen naar een revalidatiekliniek die ik zelf had uitgezocht. De zorgverzekeraar was verbaasd. En ook een beetje boos. Ik had gewoon vrije zorgkeuze, hoor, daar kon de orthopeed op zijn apenrots helemaal niets aan veranderen.

De volgende dag besloot ik mijn medisch dossier op te vragen. Ik wist bij voorbaat al dat het niet compleet zou zijn, bij een eerder onderzoek -15 jaar geleden- bleken er delen uit te zijn verdwenen. Natuurlijk ‘toevallig’ net de stukken die melding maakten van een bijna fatale fout die ik op de nipper overleefd had vanwege een nalatige arts (ook ivm mijn ‘onbekende’ aandoening), de klacht die ik hier later over had ingediend, het was allemaal weg.

Ik vulde het aanvraagformulier voor het dossier in bij de balie van het ziekenhuis. De baliemevrouw checkte mijn ID en belde naar boven. Binnen twee minuten kwam er een meneer naar beneden die me overdreven vriendelijk en zenuwachtig tegelijk uithoorde over de reden van mijn verzoek. Waar ging ik het voor gebruiken? Voor verder onderzoek? Mocht hij vragen waar dit onderzoek ging plaatsvinden? In Utrecht misschien?

Mijn ogen werden groot. Huh? Was ik nou gek? Waarom begon die man over Utrecht?! Net nu de orthopeed had geweigerd mij naar Utrecht door te sturen. Werd ik paranoia? Of was dit dom toeval?

Twee dagen later kreeg ik de uitslagen van de MRI binnen. Ineens zag ik in heldere taal verwoord waarom mijn schouder zoveel pijn deed. En dat er wel wat meer aan de hand was dan artrose en een scheurtje. Het scheurtje in de bicepsaanhechting was een scheur in het superieure en anterieure labrum geworden. Er was sprake van botoedeem, tendinopathie van de supraspinatuspees, spieratrofie en een Hill-Sachs laesie (deuk in het bot van de schouderkop veroorzaakt door een schouder die (herhaaldelijk) uit de kom is geweest). Allemaal HSD/h-EDS gerelateerde klachten waar de orthopeed over gezwegen had, ondanks de dringende vraag van de radioloog die er bij stond: ‘Heeft mevrouw een verleden met luxaties?’

‘Ja!’ hoorde ik mezelf vanaf de bank thuis roepen, uitzinnig blij over het feit dat ik tenminste door IEMAND daar serieus werd genomen. ‘Ja, radioloogmeneer/mevrouw! Hallooo, hoort u mij? IK!’

In het medisch dossier las ik de brief die de orthopeed naar mijn toekomstige revalidatiekliniek had gestuurd. Verbijsterd las ik dat mevrouw ‘naar eigen zeggen’ HSD/hEDS had maar dat het ‘onduidelijk’ was wie die diagnose had gesteld. Terwijl ik de naam van de reumatoloog -die de diagnose 15 jaar geleden stelde- nota bene had genoemd tijdens het 1e consult. Hoe was ik anders aan die deuk in mijn schouderkop gekomen, als mijn schouder niet constant uit zijn kom vloog, meerdere malen per dag/nacht, al jarenlang. Wat dacht die orthopeed nou, dat ik mezelf 3000x van de schuur had gegooid?

Diezelfde middag nog stuurde ik een bericht naar het ziekenhuis, waarin ik ze vriendelijk verzocht de onjuistheden in mijn dossier te herstellen, waarop ik tot nu toe (een week later) slechts een automatisch en totaal niet ter zake doend antwoord heb gekregen.

Ondertussen blijf ik er maar over door malen. Want wat is dat toch met die apenrotsartsen die mij niet serieus nemen omdat ik iets heb wat buiten hun interessegebied, hun vakgebied, hun weetikveel-gebied valt. De arrogantie, de laatdunkendheid. En hoezeer ik daar telkens weer door van streek raak. Hoe het diep in mijn systeem dringt, oud zeer triggert, de bijna fatale behandeling die uit mijn dossier was gewist bijvoorbeeld, en die toentertijd een bloederige slachtpartij had opgeleverd, met jarenlange nachtmerries tot gevolg.

Mijn vader, die –toen hij nog leefde- ook een aantal slechte ervaringen met de zorg had, noemde dit soort artsen altijd dr Oetker. Zo hield hij het leefbaar. Door er grapjes over te maken. Misschien moet ik dat ook maar eens gaan proberen. Ondertussen onverstoord mijn eigen plan blijven trekken. Schijt hebben aan die koekenbakkers en de rots waarop ze staan te brullen. Tenslotte ben ik na jarenlang ziekzijn de grootste expert op het gebied van mezelf. En niemand zonder enig verstand van HSD/hEDS komt vanaf nu nog met zijn poten aan mijn (sub)luxerende wiebelbotten. Dat ze het weten. 




zondag 21 oktober 2018

Mammoethelmen en zwarte gaten

Soms vallen de dingen mooi op hun plek. Dit woeste stuk mammoetbekken op de foto bijvoorbeeld, dat een dag voor ik allerlei enge schouderbotprikken en scans in het ziekenhuis moest ondergaan op mijn kast kwam te wonen. Wat een geluk. 15 kg morsdood en oersterk bot in mijn huis. In de keurig afgeronde heupkom past precies een hoofd. Het voelt zo ongelooflijk fijn, je hoofd te rusten leggen in een tigduizend jaar oude mammoet, dat is niet na te vertellen, dat moet je voelen. Alsof je inplugt in een tijdmachine. De bottenkom een helm voor onderweg. Meneer K heeft al een paar keer bezorgd naar me gekeken terwijl ik op een krukje voor de kast stond te balanceren. ‘Je wordt toch geen bottenknuffelaar, hè?’

Nee, een bottenknuffelaar word ik niet en niemand hoeft bang te zijn dat ik vanaf nu botten en skeletten ga verzamelen, een knekelkabinet om me heen ga bouwen, het blijft bij deze mammoet (en nou ja, oké, hondenschedel ‘Archibald’ die gekrompen lijkt naast zijn nieuwe buurman). Al zal ik noodgedwongen wel een tijdje in de bottensfeer blijven, vrees ik, aangezien mij van alle kanten is aangeraden om vanaf nu elke dag bottenbouillon te drinken. Iets met collageen en kraakbeenkracht.

Ondertussen denk ik na over een wel-of-niet-naam voor de nieuwe kastbewoner. Een reden voor ‘wel’ heb ik nog niet gevonden. Voor ‘niet’ daarentegen wel. Vanwege de prachtige Estlandse herkomst, natuurlijk. Aardmol noemen ze hem daar volgens Catawiki. Ma = aarde, muth = is mol. Dat harige, oersterke gigantenlijf, stampend over de mammoetvelden met zo’n ielig mollennaampje, mooi toch. In hetzelfde artikel lees ik dat mammoeten vegetarisch waren. Huh? Zoveel kilo bot moeten onderhouden met wat graan en gras? Hoe dan? En waarom zou IK dan iedere dag bakken bottenbouillon weg moeten werken met mijn minibotjes, collageentjes en kraakbeentjes? Raadsels.


Nog meer raadsels. Ik droomde vannacht over een gruwelijk lot, de zwarte gatendood. Ik had de dag ervoor die nieuwe serie op Netflix ‘The haunting of Hill House’ gebinged, daar kwam het natuurlijk van. Sommige dingen zijn heerlijk simpel. Neem wat radioactief schouderrestafval dat door een lichaam zwerft, meng het met tien afleveringen horror en je krijgt geheid zwarte gatendromen.

In mijn droom was het zwarte gatenlot iets dat mensen slechts over zichzelf konden afroepen. Je kon niemand de schuld geven als het je overkwam. Een lot ook waar iedereen zeer beducht voor was vanwege zijn onontkoombaarheid. Er was een arena, een wedstrijdtribune, een massa juichende mensen en een man die iets riep wat hij nooit had mogen roepen. Alles mocht je zeggen in de wereld, behalve dat ene. Wat dit was ben ik vergeten. Stom natuurlijk, en geloof me, ik heb mijn hoofd vanochtend in allerlei standen gedraaid maar ik weet het niet meer. Misschien was het niet belangrijk, ging het om het gegeven zelf, het verbodene van het woord, ongeacht welke dat was.

Iedereen in de arena hield zijn adem in. De dader keek geschrokken om zich heen, het was overduidelijk een fout geweest, zijn opmerkingsgave had hem een seconde in de steek gelaten, maar het ongezegde was gezegd en de zwarte gatendood onomkeerbaar. Het zieke was, de straf moest worden voltrokken door degene die je het meest liefhad. Dat was de deal.

De volgende dag rende de ongelukkige al vroeg het strand op waar hij aan de rand van de wereld de zee in wilde duiken om aan zijn lot te ontkomen. Ik weet niet wat de sukkel dacht, zwemmen naar Engeland misschien, maar ja, Engeland was ook de wereld, álles in de wereld was de wereld.

Regels zijn regels dus werd de man tegengehouden door zijn meestgeliefde die als een wachter in de branding stond. Hij wist meteen dat protesteren zinloos was. Precies zo had ze gekeken toen hij eens twee dagen spoorloos was geweest. Strak mondje, koolzwarte ogen, een brok onverbiddelijkheid. In paniek keerde de man om en rende het strand af. Het malle was, er rende nog een man over dat strand, maar dan richting de zee. Een man die precies op hem leek, dezelfde kleren aanhad, dezelfde geschrokken uitdrukking op zijn gezicht. Ze renden recht op elkaar af, botsten tegen elkaar op, grepen tegelijkertijd naar hun hoofd en keken verward om zich heen. Links, rechts, links. Toen zagen ze het pas. Langs de lange kustlijn liep een spiegelmuur. Plotseling uit de grond gerezen, uit de lucht gevallen, weet ik het.

In de wolken verscheen een toren. Zijn meestgeliefde stond er bovenop met wapperende haren in de hoogkoude wind. Een zwarte schoorsteen naast haar waar rook uitkwam. Aan haar voeten een persoon in zwarte doeken gewikkeld met gevouwen handen op zijn borst. De man op het strand wist gelijk dat hij dat zelf was. Zijn vlucht een sneue poging het lot te keren. Hij keek om zich heen. Zijn nieuwe wereld kende twee uitzichten, de zee en de spiegelmuur. Natuurlijk draaide hij zijn gezicht naar zee.

Soms kwam er een bootje langs, een potvis, een stem. 'De wereld is zoveel groter dan dit, dat weet je wel hè,' zei die laatste wel zes keer op een dag. 'Ja, dat weet ik,' antwoordde hij dan gehoorzaam.



woensdag 17 oktober 2018

Voor het donker


De televisie knippert, net voor de kamerdeur sluit
nu blijft iedereen leven, drijven er geen kinderen meer
in rivierwater tussen koffiebekers.

(We schakelen over naar het tweede net: we zien een markt
waar kazen en panty’s onder boze mannen rondgaan)

Mensen beginnen te praten, dwars door de marktmuziek heen
nu worden alle geliefden zacht en gelukkig
kauwen er geen kaken meer aan botten van vrienden.

(Kaas, zo leren wij, is een stremselproduct, panty’s zijn gemaakt van nylon
en boze mensen van luchtdicht verpakt en gestapeld oud zeer)

Het glaucoomoog van de wereld knippert, knettert
net voor de keukenklok zijn uren slaat
nu komt alles samen op wegen zo breed dat niemand in de weg
struikelt of verdwaalt.

Zoek het teken, het schrift om in te schrijven
de stok om mee te wijzen als de avond valt.



maandag 15 oktober 2018

Kwaaie kabouters en sapstromen

Tandarts terwijl hij naar mijn schouder wijst: Wat heb jij nou?
Ik: Een mitella.
Tandarts: Ja, dat zie ik, maar waarom?
Ik: Geen idee, ik krijg vrijdag een MRI en een CT scan.
Tandarts: Hoelang loop je er al mee?
Ik: Een half jaar.
Tandarts: Een half jaar? Met een schouder die niets doet?
Ik: Hij doet wel veel pijn.
Tandarts: Mobiliseren. Dat is het beste. Voor alles. De dingen moeten stromen. Sappen en zo.
Ik: Ja.
Tandarts: Laat je die schouder wel genoeg stromen?
Ik: Dat zou ik wel willen maar de schouder doet niks. Geen beweging in te krijgen.
Tandarts: Heb je het wel geprobeerd? Stromen?
Ik: Ik heb een half jaar lang elke dag oefeningen gedaan met fysiotherapeuten en katrollen en stokken.
Tandarts: Mooi. Mobiliseren, zeg ik altijd. Vast protocol. Bij alles.
Ik: Ik weet niet. Mijn schouder draaide steeds vaster. Inmiddels mag ik er niks meer mee doen.
Tandarts: Niks?
Ik: Nee. Niks. Aankleden, stukjes tikken, eten, tanden poetsen. Alles duurt uren. Dagen. Maanden.
Tandarts: Dus die arm hangt daar maar.
Ik: Dat is het idee.
Tandarts: Hm. Toch moet je mobiliseren. Ik ken een ouwe chirurg. Die zegt dat ook altijd. Vast protocol. Maar toch hè, waarom krijg je nu pas een MRI? Na een half jaar klooien?
Ik: Geen idee. Dat is nieuw protocol. Eerst klooien, dan kijken.
Tandarts: Maar dat is verschrikkelijk! Straks zit er een kwade kabouter in je schouder!
Ik: Een wat!?
Tandarts: Een kwaaie kabouter!
Ik: Er zit geen kwaaie kabouter in mijn schouder.
Tandarts: Nee. natuurlijk niet.
Ik: Er is een maand geleden een foto van mijn schouder gemaakt. Daar zaten witte vlekken op. Cystes, zei de orthopeed. Verminderde bloedtoevoer in het bot. Iets met botnecrose. Artrose.
Tandarts: Botdood.
Ik: Zo klinkt het bijna mooi.
Tandarts: Ja. Dus geen kwade kabouter.
Ik: Ik weet niet of kwaaie kabouters graag in dood bot leven?
Tandarts: Ik denk het niet.
Ik: Ik denk het ook niet.
Tandarts: Nou, we gaan het zien.
Ik: Ja, we gaan het zien.
Tandarts, bij het weggaan: Toch gewoon blijven bewegen hoor, wat ze ook zeggen. Mobiliseren is protocol. Sapstromen.
Ik: Stroomt er sap in dood bot?
Tandarts: Ja, dat weet ik niet, hoor. Tot over een half jaar. Hopelijk doet de arm het dan weer.
Ik: Ik hoop het ook. Ik droomde vannacht dat ik een blauw/wit gestreept mouwtje van een kinder T-shirt julienne sneed met een keukenmes. Daarna trok ik er soep van. Ik weet niet of dit een goed teken is?
Tandarts: Nee, dat weet ik ook niet. Maar wat een rare droom, zeg! Kun je niks leukers bedenken? Getver.
Ik: Ja. Getver.

maandag 1 oktober 2018

Twee geisha’s in een karretje en het geheim van de zandzakkenmethode

Gisteren werd ik wakker met een vol hoofd. Ik had mijn ogen nog niet geopend of het was al bal. Twee geisha’s, een jonge en een oude, sjeesden rond in een zeepkist. Er lagen rode gecapitonneerde kussentjes onder hun knietjes om de schokken van de ratelende wielen mee op te vangen. De jonge geisha was een dotje, echt een poppetje. Die ouwe daarentegen was een aftands wijf met grote tanden. Ze had zichzelf ook lelijk opgemaakt, met veel te rode wangblossen zodat ze op een clown leek.

Ik probeerde mijn gangen na te gaan van de dag ervoor. Ik had toch rustig aan gedaan? Geen mensen gezien? Er was wel lang en veel tegen de logeerkat gepraat, dat moest ik toegeven. Kon je nog van een logeerkat spreken als het beest al een jaar en drie maanden bij je woonde? Ik had de kat geprobeerd te vertellen hoe de wereld in elkaar zat met behulp van de zandzakkenmethode (daar ga ik nu niet over uitweiden) maar het was niet echt aangekomen. Hij had me welwillend aangekeken maar doordringen deed het niet. Volgens meneer K heeft onze logeerkat maar twaalf gedachten, iets waar ik altijd een beetje lacherig over doe, maar het zag ernaar uit dat hij gelijk had. 

Een vol hoofd heeft geen zicht nodig om tot een voorstelling te komen. Eerst hoorde ik het bij mijn rechteroor zacht druppen maar het duurde niet lang of mijn hele kop klaterde als een malle. De geisha’s grepen in paniek naar hun wangen. Zo direct zouden de straten vollopen met roodgekleurd blosjeswater. ‘Moet ik een paraplu voor jullie bedenken?’ riep ik, maar de geisha’s hadden zelf geen vol hoofd, waarmee ik -denk ik- wil zeggen dat ze mij niet konden horen. 

Ik moet eerlijk zeggen dat het alweer een tijd geleden was dat ik zo’n vol hoofd had. Ik was dan ook een beetje kwijt hoe het werkte, die gekkigheid. Als je er dagelijks mee leeft ontwikkel je als vanzelf strategieën, leefwijzes, gebruiksaanwijzingen, maar als het een tijdje wegblijft ebt dat weg. Tot je op een dag een achterdeur in je huis zacht piepend hoort opengaan terwijl je je alleen waant. Dan ben je eigenlijk al te laat. 

Ik moest snel iets bedenken. Hoe zat het ook al weer. Hoe werkten de stoplichten en mocht men sirenelicht gebruiken binnen de bebouwde kom? En was een hoofdleven eigenlijk altijd eenrichtingsverkeer? Bestond het slechts door mijn waarneming, of keek het ook terug? En als ik een fantasie in mijn hoofd bouwde die uit zes rode, vijf blauwe en twee paarse steentjes bestond, als een soort van kunstmatige intelligentie, kon het zichzelf dan transformeren tot een fantasie die als een wit kleed in mijn kamer lag? Waar op zichzelf natuurlijk niets spannends aan was, tot het kleed op zou staan, een witte jurk met wijde mouwen aan zou trekken en bevelen zou gaan geven. Dát moest ik voor zijn. 

Bij wijze van test riep ik de geisha’s maar alleen de jongste keek mijn kant uit. Dat leek me geen bewijs. Sterker, dat maakte de zaak nog ingewikkelder. Want nu had ik een deels bestuurbare, deels onbestuurbare fantasie. En waarom keek die jongste terug, en niet dat oude aftandse wijf? En waarom had ik van die oude geisha niet een lieve mevrouw met zachte wangen gemaakt?

Zelfhaat. Dat was het antwoord. Daar moest ik achter komen door diezelfde dag met een lieve vriendin spaghetti te gaan eten. Ze zei dat ik er zo leuk uit zag, en ze had het nog niet uitgesproken of ik voelde hoe de binnenkant van mijn hoofd deze woorden terug ketsten alsof ze er allergisch voor waren. Alles in mij riep; nee! Je bent niet leuk! Je bent afschuwelijk! Lelijk! Oud! Aftands! En je kan niks! Ik schrok van de heftigheid en het venijn. Waarom was ik zo gemeen tegen mezelf? Wat won ik daarmee? Ik beloofde mijn vriendin ter plekke wat ik mijn dochter altijd op het hart druk namelijk; dat je –vooral als vrouw zijnde- lief voor jezelf moet zijn. 

Ik vroeg het later aan de logeerkat. Waar de zelfhaat woonde en waarom hij daar woonde. De kat schikte op zijn dooie gemakje zijn twaalf gedachten alvorens een antwoord te formuleren. Na een uur werd ik ongeduldig, want hoe krijg je het verdomme voor elkaar om twaalf gedachten over zo’n lange periode uit te spreiden, gedachten die je nota bene al je hele leven hebt? Toen bedacht ik met een schok dat de mogelijkheid bestond dat de kat al een uur bezig was om met zijn twaalf kleurensteentjes een wit kleed te bouwen. Ik moest ingrijpen. Straks zou het kleed opstaan, met wijde witte mouwen bevelen schreeuwen. 

‘Komaan, Django,’ riep ik, ‘je tijd is om.’ Django keek me verstoord aan, koos zuchtend de eerste de beste gedachte (nr 9) en vroeg wanneer we gingen eten. Daar had ik dus niets aan. Diep in mijn hart was ik daar ook wel blij om, want het idee dat een kat mijn zelfhaat op zou kunnen lossen leek me tienduizend maal meer verontustend dan de zelfhaat an sich. Ik besloot mezelf even vrijaf te geven. De druk moest van de ketel. 

Huishoudelijke klusjes doen helpt uitstekend tegen hoofddruk, dus toog ik naar boven en boog mij over de volle wasmand. Ineens hoorde ik het weer, het zachte druppen dat langzaam overging in een klaterende hoosbui. Daar kwamen ze aangereden, de geisha’s, de oude en de jonge, nu allebei met een rood kniekussentje op hun hoofd welke op hun plek werden gehouden door lange sjaals die met zwierige strikken onder hun kin zaten geknoopt. Gierend van de pret gleden ze over de spekgladde badkamertegels, behendig hun karretjes door de groevenbochten sturend. Hun wangen glommen als sterrenappeltjes. 

Kortom, (hoofd)problemen opgelost. Helemaal zelf gefikst. Gewoon logisch nadenken, beetje boekhouden, wasje doen en de kat zijn twaalf gedachten onder de kat zijn vacht laten. Niets meer, niets minder. Geen therapeut of diazepammetje bij aan te pas gekomen. Mijn hoofd een zelfreinigende oven.

'Het was ook wel een heel groot woord, hoor; ‘zelfhaat’, schamperde de logeerkat die spinnend langs mijn benen streek. ‘Verpest het nou niet,’ antwoordde ik, ‘het ging net zo lekker.’ ‘Dat is goed,’ zei de logeerkat, ‘ik zal zwijgen. Mits jij mij die zandzakkenmethode nog eens uitlegt.’ Ik zuchtte. Waarom had alles een prijs. ‘Past dat wel in je hoofd,’ vroeg ik gespeeld bezorgd, ‘zandzakken nemen veel ruimte in hoor.’ ‘Maak jij je nou maar druk over je eigen leven,’ antwoordde de logeerkat, ‘me dunkt dat je daar genoeg aan hebt.’ Ik knikte bevestigend. Daar had hij een punt. ‘Kijk,’ begon ik, ‘het is heel simpel…’



maandag 13 augustus 2018

Wat zou Frida hebben gedaan? (over slim boekhouden versus positiviteitsterreur)


Toegegeven, ik schrijf de laatste tijd veel over mijn pauperige gezondheid, maar het is even niet anders. Pijn  is een dictator. No way dat ik die megalomane gek weg krijg, maar door over hem te schrijven houd ik hem (een beetje) op zijn plaats. Althans, zo voelt het. Daarbij zijn er ruim drie miljoen pijnpatiënten in Nederland, dus de kans dat iemand zich in mijn gehannes herkent is groot.

De pest is, tegenwoordig moet je alles positief benaderen. Het stikt op internet van verhalen over mensen die rampen overwonnen door ‘positief’ te blijven. Die kanker overleefden door cavia’s te knuffelen, psychoses door blootsvoets en achterstevoren pelgrimstochten te lopen.

Natuurlijk, positiviteit geeft energie waardoor je aan het eind van de dag meer overhoudt, dat is geen rocket-science. Of al dat gelul over (half)volle glazen, ook allemaal waar. De keerzijde van teveel positiviteit is dat je jezelf al snel sterker gaat wanen dan je bent. En je schuldig voelt als je -ondanks grenzeloos caviaknuffelen- je ziekte niet overwint. Fake it till you make it klinkt geweldig maar als een blinde zonder hulphond of stok een drukke straat oversteekt is de kans dat ie wordt platgereden best groot. Wat dat betreft lijkt slim boekhouden verstandiger dan opgevoerd positivisme.

Hoe kom ik op dit alles?

Laatst bezocht ik de geweldige Redon-tentoonstelling in het Kröller Möller voor de tweede keer. De eerste keer zag ik hem rechtop, afgelopen weekend in een rolstoel. Ik zat eerder in rolstoelen, dus weet hoe het werkt. Mensen kijken je niet of half aan, schichtig. Anderen daarentegen kijken onbeschoft lang, zelfs als je terugkijkt. Waarschijnlijk is in hun wereld beleefdheid alleen van toepassing als je allebei rechtop staat.

Meneer K duwde mij. Natuurlijk heb ik altijd geweten dat dit moment kon komen maar wilde er niet aan. De laatste keer dat ik in een rolstoel zat was (dankzij veel oefenen en doorzettingsvermogen) alweer 15 jaar geleden en ik had mezelf gezworen er nooit meer in terecht te komen. Ik ben te ijdel voor die krengen, weet je.

Wilskracht klinkt mooi maar een erg intelligente krachtvorm is het niet.  ‘Ik moet, ik zal, ik moet, ik zal’, veel meer woorden kent het niet. Ik moest en ik zou, ik moest en ik zou en kwam natuurlijk (weer) in een rolstoel terecht. Niet 24/7 gelukkig. Ik kan een half uurtje wandelen op een goede dag, een half uurtje autorijden, maar dan is het op.

Ik weet niet wat ik dacht driekwart jaar geleden, maar op de een of andere manier had ik mezelf wijsgemaakt dat ik de baas over mijn ziekte (Ehlers-Danlos) was. Dat ik alles kon doen wat anderen ook deden als ik maar wilde. Ik moest er gewoon in geloven! Positief denken! Dat er indertijd veel belangrijke gebouwen om mij heen tegelijkertijd instortten had daar vast mee te maken. Iets met evenwicht en herstellen.

Van Ehlers-Danlos herstel je niet. Oké, ik kan er redelijk mee leven, mits ik mij aan de regels houd, iets wat ik de afgelopen 15 jaar redelijk had gedaan. Tot driekwart jaar geleden. Ineens was ik het zat om een chronisch bouwval te zijn. Echt spuugzat. Ik ging tuinieren, wandelen, springen, dansen, gaten graven, met kasten sjouwen en zette wel 6000 stappen op een dag. Op pure wilskracht. Domme kracht. Iedereen-kan-naar-de-hel-lopen-kracht. Ik-zal-de-wereld-es-laten-zien-wie-hier-de-baas-is-kracht.

Inmiddels is het bouwpakket in elkaar gelazerd en de kracht weg. Op me uitgekeken waarschijnlijk. Ik was natuurlijk geen match, deed maar alsof. Hij verdween zonder poeha of slaande deuren. De rolstoel, braces, de ondersteuningskussens in bed, de mitella’s, de ‘leeshulp’, bloeddrukmeters, TENS-apparaten en ontstekingsremmers kwamen daarentegen luidruchtig en handenwrijvend terug. Gedroegen zich als oude kennissen waarvan je had gehoopt ze nooit terug te zien. ‘Hé Johannaaaaa, daar zijn we weer, gezellig hè? De hele dag samen in je zieke lijf sudderen, urenlang plat op je rug in bed naar het plafond staren, weet je nog de leuke spelletjes die we altijd deden? De labyrinten die we in gedachten in de witte kalk tekenden, en dat jij de uitgang moest zoeken?’

Ja, hoor, die ken ik nog. En weer ziet er het naar uit dat het nog wel even gaat duren voor ik die klote-uitgang heb gevonden.

Sorry voor mijn gescheld. Het past niet bij de kleurige kimono die ik draag terwijl ik dit stukje tik met een vrolijke mok in mijn hand. Bij de spreeuw in de boom achter mijn huis die verpletterend ontroerend zingt. Ik moet minder boos zijn. Een blog schrijven over hoe blij ik van die rotvogel word, misschien, met een leuke foto van mijn vogelmok erbij, ook al voelen sommige ledematen alsof ze geamputeerd worden, elke minuut van de dag.

Terug naar afgelopen weekend. Hoe gedraag je je in een rolstoel als je zo fokking ijdel bent als ik? Hoe zet je je voeten in de steunen, plaats je je rug tegen de zitting zonder eruit te zien als een halfgare idioot die door de ruimte wordt gereden? Ik wist het niet meer. Voelde me verslagen en woest tegelijk. Weg wilde ik, mijn beweeglijke huppelziel uit dit lullige lijf redden en rennen tot ik een streep aan de horizon werd. Foetsie. Weg.

Natuurlijk bleef ik zitten en dacht aan Frida Kahlo. Frida is mijn allergrootste voorbeeld, eindbaas en held in het ziek-zijn. Wat zou zij hebben gedaan? Dat wist ik heus wel. Zij zou een bloem in haar haren schuiven, een trotse kop opzetten en zich waardig langs het werk van Redon hebben laten duwen. Dus dat deed ik. Ik ging recht zitten, klapte met mijn goede hand mijn waaier uit en woei mezelf mentale koelte toe. Meneer K kuste mij in mijn hals. Ik zag nog veel moois die dag.

Redon



donderdag 26 juli 2018

Een dubbele kont




Dochter en ik doen onze oefeningen. Die van mij zijn zo minimaal, die zie je niet, maar de dochter pakt stevig uit. 'Dat komt,' zegt zij, 'omdat ik speciale oefeningen krijg voor 'festivals en fietsen'. Ik denk na over mijn dagelijkse oefeningen, symmetrisch liggend op bed met een stok in mijn handen terwijl ik heeeeel licht mijn buik, voeten, middenrif en billen aanspan. 'Festivals en fietsen’ ga ik daar nooit mee bereiken, maar gewoon een beetje normaal leven zou al leuk zijn. ‘Ik wil niet zien dat je iets beweegt!’ roepen mijn fysio's streng, elke keer als zij mijn oefeningen in het onzichtbare beoordelen. De Bugnet-methode. Dat klinkt als een appelbol. Werkt (hopelijk) als een tiet.

Ondertussen zwemt mijn dochter met brede arm-en-beengebaren door de kamer terwijl ik vanaf de bank met allerlei positioneringskussens mijn best doe om zó te zitten/liggen dat ik niet uit elkaar val. ‘Dit mag jij niet nadoen, hoor’ waarschuwt ze streng. Ik schud gespeeld bangig mijn hoofd. Natuurlijk ga ik dat niet nadoen. Ik ben niet gek. Mijn schouder zou al bij de eerste zwemslag uit zijn kom glijden. Dat is het kuttige van zo’n bindweefselaandoening. Naast dat ie wreed erfelijk is, is het een zieke poging van je botten en spieren om hard bij je vandaan te rennen terwijl jij de boel 24/7 krampachtig bij elkaar probeert te houden. ‘Blijf nou jongens, toe, zo erg is het hier nou toch ook weer niet?’ Bergen energie kost dat. Elke stap of beweging een strijd tegen mogelijk (sub)luxerende botten. Een dagtaak.

Dochter maakt al haar hele leven muziek en is momenteel met een producer een EP aan het opnemen. Ze laat me een van haar laatste liedjes horen. ‘Wat is je pijn op de schaal van één tot tien? Wat is je pijn op de schaal van één tot tien?’ De kamer vult zich met het heldere stemgeluid van mijn dochter, freaky geluidjes op de achtergrond, beetje disharmonisch, afgezet tegen een driestemmig engelenkoortje. Op sommige plekken valt de muziek ineens stil. ‘Daar komt nog een rapper bij, hoor, mam, het is nog niet af.’ Het ontroert me hoe tof ze hiermee omgaat. Narigheid omzetten in iets moois. Je ziet niets aan ons, op het oog zien wij er allebei compleet normaal uit. Ehlers-Danlos, Hypermobiliteitssyndroom (sinds maart 2017 HSD genaamd) , het zijn onzichtbare aandoeningen, vanbinnen echter hangen we met losse elastiekjes aan elkaar.

‘Hoe zal ik mijn EP noemen, mam, ik heb nog geen titel,’ mijmert de dochter voor zich uit. ‘Songs from Reade,’ grap ik. Zo heet het revalidatiecentrum in Amsterdam waar ze een paar keer per week naartoe moet. ‘Nou, mam, niet álles in mijn leven gaat daarover, hoor.’ Nee, natuurlijk niet, gelukkig niet. Ook dat bindt ons, naast het hebben van een onzichtbare aandoening; de kunsten. Zij met haar muziek, ik met mijn schrijven. ‘Als ik mijn muziek heb, heb ik verder niks nodig, mam,’ riep ze laatst enthousiast door de telefoon. ‘Het is eigenlijk net zoiets als religie!’ ‘Ja precies,’ antwoordde ik opgetogen, ‘er vallen alleen geen doden bij.’

Even later kopen dochter en ik, terwijl heel NL halfdood en oververhit in een bak water ligt, onderbroeken bij de Zeeman. We doorzoeken de bakken vol degelijk damesondergoed. No strings. Ik kan niet zo lang lopen en staan en voel mijn ongeduld groeien. ‘Zullen we anders een keer gewone onderbroeken meenemen?’ vraag ik hinkend van been op been terwijl ik een panterroze lapje stof omhoog houd. ‘Ben je gek!’ roept de dochter met een oververhit hoofd vanuit de onderbroekenbak, ik ga toch niet met een dubbele kont lopen!'  ‘Een wát?’ roep ik terug. ‘Een dubbele kónt,’ herhaalt ze geagiteerd. ‘Kijk, het is heel makkelijk mam, in een gewone onderbroek heb je twee konten, in een string één. Dus ik weet niet wat jij wil, maar ik ga niet met twee konten lopen als het ook met één kan.’ Ik staar naar de opblaaspalm boven mijn hoofd en vind het eigenlijk wel logisch klinken. ‘Maar ze zitten zo kut,’ sputter ik nog tegen.

Terwijl we vanuit het winkelcentrum naar de auto lopen kijk ik stiekem in een etalage naar mijn wiebelkont. Ok, het is een flinke kont, een behoorlijk flinke kont zelfs, maar ik ben toevallig dol op mijn kont. Een lekkere kont. Daar wil ik er best twee van hebben. Niet alles in mijn leven hoeft onzichtbaar te blijven, tenslotte.



zondag 22 juli 2018

Verdwijnen met zestig honden



Gisterochtend liep ik door het ‘bos’. Ik loop graag ‘s ochtends vroeg in mijn eentje door het oude bospark bij mij in de buurt. In een echt bos zul je mij nooit alleen tegenkomen, dat durf ik niet. 
Vroeger wel, toen ik twee grote gevaarlijke honden had. Niet dat ik toen nooit lastiggevallen werd. Er was een man die langzaam met een auto op het bospad naast me bleef rijden, onderwijl smerige gebaren makend. Er was een man die maar achter me aan bleef lopen , me vervolgens heel langzaam inhaalde en toen hij dichtbij was in mijn oor siste dat een lekker ding als ik niet alleen in een bos moest lopen omdat dit wel eens heel vervelend voor me af zou kunnen lopen.

Acht uur is een tijdstip waarop je nog van alles om je heen hoort wegschieten. Geheimzinnig geritsel links en rechts. Muizen, vogeltjes, klein leven. Rond een uur of tien is een bos meestal wel uitgeritstelt, hebben de geluiden zich tot diep in zijn kern teruggetrokken en wacht het tot de mensen weg zijn en de schemer valt.

Ik hou van bossen en zou er graag leven. Nou ja, niet echt léven. Niet met bloed dat moet stromen om warm te blijven, benen en armen die op hersencommando naar eten zoeken. Ik zou er als geest willen leven, een flard die enkel uit gedachten bestaat, een mist of een dauwdruppel zonder moeilijk gedoe als emoties en oordelen. Zoiets als een ‘zijn’. Een registreren. Misschien een paar milde emoties. Abge-eckte die in een dauwdruppel passen. En dan lekker de hele dag als een diamantje in het hart van een lupineblad liggen dobberen.

Gisterochtend telde ik de sporen van de nacht:

1. Een verse vossendrol midden op het pad, bezaaid met vliegjes die zich er dronken in een wolk bovenop hadden gestort. Maniakaal zoemend van vreugde.
2. Het tot hout verworden landdier met vermolmde vleugels waar een stukje af was gegeten door een hert.
3. Een nieuw uitsteekselding op de wortelfaun die daardoor net iets gemener grijnsde dan normaal.
4. De wortels van de vers omgevallen boom. De opengesperde muil waar je met gemak met wel zestig honden in zou kunnen verdwijnen.

Ik tel graag. Op mijn vingers. Meneer K vindt dat er altijd schattig uitzien. Die voelt de grijze kleefdraden niet die de cijfers met elkaar verbinden. Hoe meer ik tel, hoe groter de kans dat de draden losraken en uit mijn telhanden vallen. Driehonderdachtenvijftig, achtmiljoenzestig…

Sommige dingen lijken voor eeuwig te zijn. De stronk die op een komodovaraan lijkt bijvoorbeeld en die ik als een oude vriend beschouw, de gekke dode Zadkineboom, met zijn dramatische geheven armen die scherp tegen de lucht afsteken. Andere dingen lijken dan juist weer een heel kort leven beschoren. Een pad waarvan ik zou zweren dat het bestond maar wat ik niet meer terug kan vinden, een heel kruispunt laatst zelfs. Een zwijnenpoel, een gammel houten uilenhuis.

Er zijn zoveel bossen in mijn omgeving dat ik minstens 100 levens zou moeten hebben om ze allemaal te leren kennen. Daar is geen beginnen aan. Het zou helpen als ik alleen in een bos zou kunnen lopen, gods nou, DE IDEE ALLEEN AL! ALLEEN IN EEN BOS LOPEN! Ik kan me niet eens voorstellen hoe geweldig dat zou zijn. Soms probeer ik het wel, maar meestal zie ik al na tien tellen een man verschijnen die voor me op het pad springt, zich aan me opdringt, handen, tong, scherp stinkzweet. En vroeger was ik gezond en kon ik nog wegrennen. Nee, dat is niet waar. Ik rende nooit weg. Ik liet het allemaal gebeuren. Waarom? Geen idee. Ik was waarschijnlijk heel goed in het laten verdwijnen van mijn lichaam. Geest worden. Dat ben ik nog. Daar helpt geen tellen tegen.
 
Ik hoop dat ik het nog een keer mag meemaken in mijn leven; dat je als vrouw zonder angst alleen buiten kunt lopen. In een bos, een nachtelijke stad, een verlaten industrieterrein, een parkeergarage, gewoon overal.

Ooit zag ik een programma op tv waarin een Noor zijn vader in Oslo van het station haalde. De vader had er al een hele reis op zitten. Er volgde een drieregelig gesprek dat sindsdien in mijn hoofd woont en waar ik graag aan terugdenk als ik in mijn eentje in de buitenwereld loop.
 ‘Hoi pap, had je een goede reis? vroeg de zoon aan zijn vader. ‘Zeer voorspoedig, jongen’ antwoordde de man. ‘Geen mens tegengekomen.’


vrijdag 6 juli 2018

Paskamer

De onder het bed gerolde kroon
trekt mild aan onze wangen
je hardkale kop waar het kwaad
van de wereld tegen afketst

In deze kamer draagt niemand zijn naam

Zijn je handen om mijn hals je ogen
de manier waarop je naar me kijkt
me elke ochtend uit-en-aankleedt
alsof je me voor het eerst

Je vingers tussen mijn kaken mijn mond
die gehoorzaam opent

En dat het zo wonderlijk is, zeg je
terwijl je mijn lippen
zacht dwingend uit elkaar duwt
mijn tong naar buiten lokt

Hoe ik er ineens was
met al mijn eigenwijze dingetjes
woordjes, wangetjes en kinnetjes

Het allemaal in deze kamer past


Tekening Kees van der Knaap (uit 'Vuurmakers', 2015)





dinsdag 26 juni 2018

De jongen die wind kon maken


Foto Giusi Barbiani
Hoe harder lichamelijk ongemak groeit, des te kleiner de wereld om je heen wordt. Logisch natuurlijk, zonder beweging kom je niet vooruit. Of; wat er aan de ene kant bijkomt moet er aan de andere kant weer af. Er zitten tehuizen vol met dit soort voorbeelden. Bejaarden, revalidanten, chronisch zieken, ontplofte sporters, allemaal mensen die ooit dansten, liepen, fietsten, renden, als adelaars boven rekstokken zwierden, tot er iets of iemand ergens op een stopknop drukte.

Vanwege een subluxerende, ontstoken en ingetapede schouder ben ik sinds een paar weken meer gehandicapt dan normaal. Ik kon als Ehlers-Danlos patient annex bouwpakket natuurlijk al 100 jaar geen heuvels meer belopen of zonder pijn een stokbrood snijden, maar deze schoudershit is van een nieuwe orde. Lopen, autorijden, douchen, aan-en-uitkleden, over alles wordt langdurig nagedacht en met behulp van bewegingstherapeuten schematisch in kaart gebracht. Soms kan ik een minuutje dit, soms een minuutje dat, de wereld opgedeeld in blokjes. Pixels. Omgevallen torens en onscherpe foto’s.

Wat ook nieuw is: sinds mijn arm besloten heeft geen arm meer te willen zijn is het schrijven lastig geworden. Het vergt kort gezegd een andere tactiek. Er is slechts ruimte voor een paar zinnen per dag. Paniek! Welke? Ik hoefde nooit te kiezen, alles kwam altijd vanzelf. Diende zich nonchalant en ruimhartig aan, liet zich uitgebreid opschrijven, uitgummen, bejubelen of bespotten en verdween zingend in de nacht om de volgende ochtend alweer…

Sinds kort wonen de woorden en zinnen achter metershoge muren en moet ik ze lokken met atonale melodietjes die ik zachtjes door mijn voortanden pers. Sommigen laten zich makkelijk lokken, anderen gooien hun neus in de wind en doen alsof ik niet besta. Van een nonchalant komen en gaan is in ieder geval geen sprake meer. Misschien zien ze de paniek uit mijn oren groeien en zoeken ze liever blakend gezonde mensen uit. Iets met economie en voordeel.

Dromen zijn ook niet erg economisch. Vannacht had ik er één over de wind. De wind landde in de oude eik achter mijn huis en vertelde over zijn wortels die volgens hem communiceerden met de omgekeerde wereld. ‘Je bedoelt de achterkant van de bodem?’ vroeg ik. ‘Ja,’zei de wind, ‘dat zou ik in een afgemeten wereld zomaar kunnen bedoelen, ja.’ ‘Wat is een afgemeten wereld?’ wilde ik vragen, maar toen was de droom alweer afgelopen.

Ik werd wakker, liet mezelf met hulp van de goede arm uit bed lazeren en keek, voor ik naar de badkamer strompelde nog even snel de tuin in. Daar stond, midden in het gras, een jongen.
‘Heb jij wel eens wind gemaakt?’ vroeg ik hem. Zijn armen staken wit onder zijn hemdsmouwen uit. Zijn haren als een ontplofte zee-egel op zijn hoofd. De jongen lachte droevig, alsof hij ooit wind maakte wanneer het hem uitkwam, alle dagen en nachten van de week, een gave die hem inmiddels ontnomen was.

‘Fijn is dat, hè,’ zei ik. ‘Wind maken. Eerst de stilte, het niets. De bladeren en stammetjes in de tuin die zwijgen. Dan je armen wijd, de scharende bewegingen, het ruisen in de verte dat aanzwelt, het kloppen van je hart in eenzelfde ritme tot alles simultaan opzweept, hoger, hoger, het over je hoofd trekt zodat je haren rijzen, en maar maaien met je armen als een maniakale dirigent, harder, harder, het binnenhalen van een vliegtuig dat oorverdovend over boomtoppen raast.’

De jongen keek ernstig naar de grond. Zijn armen, twee dunne bleke berkenstammetjes, hoorden niet bij hem. Zijn vingers berkentakjes, één beweging, knak.


dinsdag 12 juni 2018

Naakte vrouwen en kweekforel

Foto: Francesca Woodman

Ik ben geen groot voorstander van onaangekondigde experimenten maar soms ontstaat er eentje vanzelf ergens achter in mijn hoofd. Meestal merk ik het pas op als hij al een paar centimeter groot is en ik er niet meer omheen kan. Heel slim van het experiment, vind ik dat. Ik weet niet of hiermee bewezen is dat experimenten een bewustzijn hebben maar het zou me niets verbazen. Als je ongewenst in een lichaam woont moet je iets verzinnen om overeind te blijven.

Het experiment bestond eruit dat mijn geest en lichaam deden alsof de wereld om hen heen bedacht was. Buiten mij om, want ik was mij van geen kwaad bewust. Ik kocht ondertussen gewoon rundervinken in supermarkten of vissen van jute voor mijn kat met een stokje eraan.

Toen het al een tijdje aan de gang was kreeg ik het pas in de gaten. Ik merkte dat mensen mij niet terug groetten op straat of dwars door me heen keken als ik tegen ze praatte. Ik wist ook meteen dat het te laat was om dit proces te keren. Zodoende ging ik steeds meer geloven dat ik niet bestond. Dat lag aan mijzelf, ik reken het niemand aan. Al hielp de wereld wel een handje mee. Zo mailde ik een aantal mensen in korte tijd zonder ooit antwoord te krijgen. Een arts, een oude vriend, een kennis, één of twee uitgevers, een bedrijf. Ik checkte mijn mailinstellingen, mijn internetverbinding maar alles werkte naar behoren. Ervan uitgaande dat ik niet besta is dit ook niet zo raar natuurlijk. Je kunt niet niet bestaan en ondertussen respons krijgen, dat gaat niet samen.

Laatst volgde ik een discussie op Facebook over uitgevers en dichters. Iemand zei dat een dichter zonder uitgever geen echte dichter was. Uitgevers waren poortwachters. Zij hielden de kwaliteit in stand. Als zij je niet uitgaven was je gewoon niet goed genoeg. Ik moet altijd een beetje droevig glimlachen als ik zoiets lees. Al die brave mensen die met hun spoorboekjes langs de deuren gaan. Aanbellen, tabelletjes aanwijzen en opdreunen wat ze zien. Lieve schatten zijn het. Het zijn dezelfde mensen die bellen als er ergens een stoeptegel los ligt. Levensredders. Bewakers van de werkelijkheid. Wat zou de literatuur zijn zonder poortwachters, spoorboekjes en hun aanbidders? Een zootje, een verwilderde tuin met zoetzuur geurende schaduwhoeken, plakvlinders in nog niet ontdekte kleuren en insecten met rimpels en kraakstemmen die laag over de grond brommen en verre van fotogeniek zijn, ik zweer het je.

Het mooie van niet-bestaan is dat je veel vrijheden hebt. Ik kan gewoon schrijven wat ik wil, naakt in mijn tuin gaan staan met een emmer op mijn hoofd, mijn blogspot volproppen met gedichten over zingende zeekomkommers, geen hond die zich daar druk over maakt. Zo’n vrijheid komt je natuurlijk niet vanzelf aanwaaien, die moet je een handje helpen. Door midden in de nacht in je tuin te gaan staan met een spiegeleibord, bijvoorbeeld. En maar zwaaien. In de supermarkt ’s middags om 12 uur je hoofd achter een pot mosterd steken en zachtjes ‘roermenietroermeniet’ fluisteren.

Soms helpt het lot een beetje mee. Als je in deze wereld allerlei onzichtbare handicaps ontwikkelt schuif je namelijk vanzelf naar een zijlijn toe. Je moet er wel voor zorgen dat je aandoeningen onbekend blijven anders ben je alsnog de klos en zit je voor je het weet in een rolstoel op de eerste rij van een Guus Meeuwis concert met vrijwilligers om je heen die je hand vasthouden en om de seconde vragen of je gelukkig bent.

Nog een voordeel van niet-bestaan is dat je tijd genoeg hebt. Als je in een lichaam woont dat maar een paar honderd stappen per dag kan zetten en een geest waarin drie miljoen gedachten elke seconde van de dag om een nieuwe ordening schreeuwen kun je het gewoon wat rustiger aandoen.
Ik heb dus veel tijd om na te denken over mijn niet-bestaande wereld, waar ik dan vervolgens stukjes over schrijf. Dat is zo’n beetje de situatie hier.

Soms ga ik een uurtje op internet de wereld bekijken. Internet is voor mij een uitkomst. Vroeger als kind was ik ook vaak onzichtbaar ziek en keek dan elke ochtend schooltelevisie. Schooltelevisie klinkt heel georganiseerd maar in mijn herinnering leverde deze omroep maar één uitzending per week die vervolgens elke dag herhaald werd. Ik kende die uitzendingen woord voor woord uit mijn hoofd en moest grote moeite doen om halverwege de week niet van verveling dood neer te vallen.

Nee, dan internet. Want al kan ik zelf niet actief ‘meewerelden’, ik kan wel zien hoe jullie bij elke scheet je telefoon pakken om dat te delen. Erg fijn. Dank jullie allemaal bij deze. Ik ben een soort van geest die naast jullie bed staat, in de kroeg over jullie schouder meekijkt met wie jullie nou weer zitten te ouwehoeren. Erg tof. Zo niet-besta ik automatisch toch wat minder.

Facebook heeft wel een groot nadeel, tho. Het is er allemaal erg serieus. Laatst bijvoorbeeld had ik een fazant van straat getrokken, hem blauw geverfd en wilde hem een papieren hoedje opplakken maar kon geen juiste lijm vinden. Driesecondenlijm, houtlijm, zoogdierenlijm, ik wist het niet en vroeg het aan de mensen op FB. Dat viel niet in goede aarde. Ik verloor 50 vrienden en iedereen was boos. Want dan besta ik blijkbaar ineens wel. Gek is dat.

Je kunt geen grapjes maken op Facebook. Elke keer als je inlogt verschijnt er een vakje bovenin de pagina waarin je mag typen ‘wat of je aan het doen bent’. Dat klinkt heel vrij, maar is het niet. Fazanten blauw verven en beplakken wordt niet getolereerd. Naakte vrouwen boven een aquarium met kweekforel hangen ook niet. Je mag alleen dingen doen die in dat vakje passen.

‘Je moet je eigen vakje creeëren’ roepen mensen (die waarschijnlijk ook niet bestaan) dan. Maar daar ben ik niet goed in. Ik kan ook niet tegen blousjes die hoog dichtgeknoopt zitten. Dichte dozen of deuren.

Gisteren rolde er een aluminium balletje voorbij, op de plek waar ik een boek zat te lezen. Dat balletje bleef aan het eind van de kamer stilliggen en begon daarna te zoemen, eerst zachtjes maar steeds harder. Hij groeide ook. Eerst twijfelde ik daaraan, want als ik er naar keek zag ik niets gebeuren, maar elke keer als ik de kamer uitliep en terugkwam werd mijn vermoeden bevestigd. Hij groeide!

Inmiddels is hij net zo groot als de boekenkast dus dat belooft wat.

Op facebook wordt ook veel gediscussiëerd. In praktijk komt het er op neer dat zogenaamd geëngageerde mensen vragen stellen in de daarvoor bestemde vakjes. Bijvoorbeeld: Mag je dieren van straat trekken en blauw verven?#durftevragen. Wat maakt jou gelukkig?#durfteleven. Mijn poep is groen, is dat goed? #durftepoepen. Mag je een zin met ‘ik’ beginnen?#durfteschrijven.

Mij interesseert het meestal geen zak wat andere mensen vinden maar dat zal wel een voordeel van het niet-bestaanschap zijn. Want als ik wel bestond zou ik me waarschijnlijk ook druk maken over hoe ik me moest gedragen.

Jullie denken nu misschien, waar gaat dit stukje heen? We zitten al op 1400 woorden, geen rode draad te bekennen en we hebben nog meer te doen, ja.

Ik moet daarop antwoorden dat ik het niet weet.

Ik weet wel dat ik zojuist buiten met mijn spiegelei onder de pergola stond te zwaaien en iets groots zag glinsteren voor mijn raam. Dat was de aluminium bol, denk ik, die maar groeit en groeit. Ik hoop dat ik straks nog in mijn huis pas.


maandag 14 mei 2018

Geluidsbazen


Ik heb dus misofonie, of 'de geluidenziekte' zoals mijn oma het altijd noemde. ‘Net als Simon Vestdijk,’zei zij dan als iemand ernaar vroeg. Dat had ze gezien op televisie. De oordoppen die hij tijden het schrijven in had omdat hij zich aan omgevingsgeluiden irriteerde. 
De oordoppen die permanent in haar nachtkastje woonden en die ik ook altijd bij me heb als ik ergens moet overnachten omdat ik anders geen oog dicht doe. De blinde agressie die ik voel als iemand naast mij een zakje chips openmaakt, het uitgebreid op gaat zitten knagen. Sowieso mensen die smakken tijdens het eten, luid ademen, het tikken op een toetsenbord, een klok, het druppen van een kraan, nagelbijten, velletjesbijten, het geluid van een kartonnen bakje dat zacht op een tafelblad wordt neergezet. De woede die dan door me heen jaagt, man… niet te beschrijven, echt. Dat er nog geen doden zijn gevallen mag een wonder heten. 
In ieder geval, misofonie blijkt dus een echte ziekte. Je kunt er voor in behandeling zelfs, al zou ik dat wantrouwen, hoor. Ik weet precies hoe dat gaat. ‘Door de angst heen’, yeah, right. 
Ik zag ooit een documentaire op televisie over fobieën. Ze filmden een man die doodsbang was voor witte bonen in tomatensaus. Eerst gingen ze met hem praten over witte bonen in tomatensaus, daarna lieten ze hem geluiden horen van witte bonen in tomatensaus (lepel door witte bonensmurrie) en als laatste zetten ze de arme man (die inmiddels was veranderd in een zenuwwrak) alleen in een kamer met een gasstelletje waar een potje witte bonen in tomatensaus op stond te pruttelen. Met duizenden tegelijk voor de buis zagen wij hoe de stumper zichzelf op de grond liet vallen, jammerend en huilend dat het op moest houden, alstublieft, hij kon niet meer, zagen wij dat dan niet. 
Gebroken moesten ze hem afvoeren. Waarmee ik maar wil zeggen dat het allemaal niet zo makkelijk gaat als het lijkt. En dat fobieën op zichzelf levende organismen zijn, totaal niet met rede begiftigde wezens. Je kunt er doorheen gaan, omheen lopen, tegen zingen, praten, schoppen of bidden, je schiet er geen donder mee op. Uiteindelijk zijn ze de baas. 
Wat dat betreft draait altijd alles om bazen. De grootste bek, de grootste woorden, de grootste lul. Totdat alles op een dag ontploft. En dan niet bij mij komen huilen hè! Ik heb jullie gewaarschuwd.

woensdag 9 mei 2018

De avond dat mijn vader door een Biedermeierstoel heen zakte


      We aten soep op schoot. De hond beschermde grommend
      zijn pantoffel. Boven zijn kop hing een foto van mij als vierjarige
      in een kanariepak.
     
      Tot die avond had ik altijd gedacht dat ik mijn zus, de hond of de
      Biedermeierstoel was.
     
      Hij kraakte vervaarlijk onder mijn vader die oreerde alsof
      er een landelijke staking was uitgeroepen die dag  
      en hij de vakbondsleider was.  
      
      Net voor hij bezweek fluisterde mijn zus dat ze vroeger altijd dacht
      dat ze een jongetje was dat Hänzel heette.

      Terwijl het hout als versplinterd bot tegen oma’s portret opvloog
      gooide de hond zijn kop in zijn nek en jankte
      dat alles onomstotelijk waar was.
     
     
      (Uit: Planeetversterkers)

maandag 7 mei 2018

Vogelding


Dochter, terwijl we van haar studentenflat tussen andere flats door naar het Buikslotermeerplein in Amsterdam Noord lopen: Waarom kom je niet gezellig hier wonen, mam!

Ik: Ach, lieverd, dat wordt niks met mij. Ik kan toch niet zonder de bossen, de herten en de zwijnen.

Dochter, enthousiast naar drie uitgelichte stoeptegels wijzend waar een frisgroen boompje zijn stinkende best staat te doen: Kijk! Wij hebben hier ook natuur, hoor.

Ik: Haha. Grapjas.

Dochter: Nee, echt! Aan het eind van de straat, bij de tennisbaan bijvoorbeeld, staat een grote boom. En je hebt ‘het Twiske’.

Ik: ‘Het Twiske’ is toch geen natuur joh, mallie, dat is een park.

Dochter: Het A’damse bos dan!

Ik: Dat is toch geen bos joh, gekkie.

Dochter (streng): Je moet wel een beetje flexibel zijn, hè.

Ik: Nou ja, misschien later, ooit. Het lijkt me ook fijn om dichter bij jou en je broer te wonen, natuurlijk. Maar als ik mijn deur uitstap ben ik in een uur met de auto bij jullie. En als jij met het OV bij je broer (die aan de andere kant van de stad woont: JG) op bezoek wil, ben je net zolang bezig. Daarnaast woon ik in mijn eentje voor een paar honderd euro per maand in een huis met een beneden-en bovenverdieping, een grote groene voor-en achtertuin, én riante schuur en jullie wonen daar allemaal communegewijs voor 1000 euro per maand met tig man op elkaar gepropt in gestapelde kippenhokken.

Dochter: Ja, maar dan woon je wel in Amsterdám!

Ik: Dat bedoel ik.

Als we terug in haar flat zijn roep ik enthousiast terwijl ik naar het venster loop: Oh, wat is de boom voor je raam weer mooi groen! Geweldig, zeg.

Dochter: Ja, mooi hè. Allemaal natuur. Er zit zelfs zo’n vogelding in, heb je dat gezien?

Ik: Een vogelding?

Dochter: Ja joh, jeweetwel. Zo’n ding met vogels er in.

Ik: Je bedoelt een nest? Een vogelnest?

Dochter: Ja, man. Dat.



zondag 6 mei 2018

Het verdriet dat geluk heet




Deze dagen lees ik 'Een soort geluk' van Peter Abelsen, wat een soort geluk op zichzelf is. 
Vanwege een verstoorde relatie tussen mij en de literatuur was het alweer een tijd geleden dat ik voor het laatst een roman las. Ik ga daar nu niet over uitweiden, maar zeg het toch, omdat het lezen daardoor, voor mij, een speciale lading krijgt. Ik heb een gevecht te winnen. Of nou ja, beter gezegd, te voéren. Een gevecht waarin het uiteindelijk niet (meer) om de strijd an sich zal gaan (ja, ik ken de uitkomst al), maar om het vinden van een consensus. De overeenstemming over het feit dat er een strijd is, waarin jijzelf overeind blijft. Gebutst misschien, maar je bestaat. En dat telt. Of (vrij naar Kierkegaard): er is geen beloning, het leven zélf is de beloning.

Eenzelfde volgorde in beleving (rotwoord, I know) overvalt me tijdens het lezen van ‘Een soort geluk’. Het gevecht en de uiteindelijke consensus, een vorm van berusting. Wat dat betreft is de timing uitstekend te noemen.


Liefde, dood, spijt, de onverbiddelijke tijd, het helle heden met zijn (fel) uitverlichte mombakkes dat je smalend toegrijnst, krakers, drugs, ouwe punk, halfgare eighties bandjes, the ‘good’ old days, het komt allemaal voorbij in deze roman.

Met de hoofdpersoon Martin heb ik (nu het boek zijn einde nadert) inmiddels een haat-liefdeverhouding opgebouwd. Vaak scheld ik op ‘m, snap ik geen reet van ‘m, haalt ie oud zeer bij me naar boven, om me na een tijdje -op de een of andere manier- toch weer voor zich te winnen. (zoals dat vaker gaat tussen mij en hopeloze mannen;)

Aan de andere kant werpt zijn laksheid in de liefde, zijn ontrouw, ook oprechte vragen op. Want waarom lijkt het vaak zoveel ‘makkelijker’ om je over te geven aan de rouw dan aan het geluk van de liefde die daaraan vooraf gaat? Het is ook precies daar in het verhaal dat de hoofdpersoon en ik elkaar weer vinden. In de lelijke, snoeiharde rouw die hem ontredderd achterlaat en die Abelsen magnifiek beschrijft.

Wat dat betreft is het een echt verhaal. En dat bedoel ik letterlijk, want alles wat er staat kan zomaar ergens echt gebeurd zijn. Wat tijdens het lezen (met name het gedeelte voordat de ellende losbarst) dan ook gaat wringen. In mijn wereld althans. Dan mis ik de magie, de poëzie. Maar dat is een kwestie van smaak. Dat kan de schrijver niet worden aangerekend. Want schrijven kan ie, hetgeen het lezen van dit boek sowieso tot een feestje maakt.

Toch zal het niemand (die mij een beetje kent) verbazen dat ik het briefje van een meisje genaamd Zuzka (pag 191), waarin zij een droom beschrijft, één van de meest ontroerende stukjes uit het boek vind. Het gaat zo:

Paatje zat boven op het dak met licht in haar handen. Ik riep doe niet zo stom straks val je nog. Maar ze zei dat jij het goed vond dat het geen kwaad kon. Ik ging naar binnen lopen. Het was donker. En toen stond ze in de tuin en ze liet haar handen los en allemaal vlinders en licht vlogen weg. Waar komen die vandaan? Paatje zei nou van de maan natuurlijk. Dat vond ik zo lief!

Zuska.

Tijdens het lezen van dit soort fijne ijle zinnetjes voelt het alsof ik tussen het zwemmen door even lekker aan de rand van het zwembad mag hangen. Met mijn benen door het water mag wiebelen. In mijn element. Maar nogmaals, dat is mijn manco. Mijn aversie tegen teveel werkelijkheid.

Maar dan het eind. Een dwingend, urgent eind, eentje die zomaar ineens zachtjes in je nek begint te hijgen, steeds harder, en vanaf hier leest het dan ook als een rollercoaster en leg je het boek niet meer aan de kant.

Het zorgt er ook voor dat de persoonlijke opdracht vóór in het boek automatisch een melancholieke lading krijgt. De liefde, vooral als ie groots en meeslepend is, lijkt soms een onoverwinnelijk land, een stoere, sterke entiteit op zich, maar in elke hoek staat gewoon weer een nieuwe ramp, een nieuwe dood, een nieuw eind op je te wachten. En natuurlijk weet je dat zelf ook wel, maar tijdens het lezen van dit boek wordt dat onheilspellende voelen nog eens extra opgepookt. En dat is goed. Dat houdt alert.

Wat na lezing blijft hangen:

Life is a bitch, we gaan er allemaal aan, de een iets glorieuzer of smeriger dan de ander, maar als er zo af en toe van dit soort fijne boeken blijven verschijnen, is het allemaal prima vol te houden.

En nu ga ik een eindje lopen in het bos. Mijn kop door laten waaien. ‘Ontwerkelijken’. Het mos op de boomstammen aaien en ze in codetaal toespreken. Basten voelen. De ruwe schors tegen mijn wangen drukken als niemand kijkt. Leven. Mateloos van mijn geliefden houden. Stappen in de grond duwen. Zoveel ik kan.


Peter Abelsen, Een soort geluk, Ambo/Anthos.







vrijdag 4 mei 2018

Eigen wil


Glazenwasser tegen buurvrouw: Ik kan ook uw tuin doen, hé. Ik kan heel veel. Behalve voor een baas werken, dat kan ik niet.

- Mijn stoepje moet een beurt.
Ik doe ook stoepjes. Naast ramen. En tuinen.
Tuinen? Nou, nu u het zegt, die grote struik daar in de hoek, die doet het niet naar mijn zin.
Wat doet ie dan?
Hij groeit de verkeerde kant op.
Hm. De verkeerde kant, zegt u. Het is goed dat u dat aangeeft. Dat is wel een dingetje, namelijk. Kijk, ik wil u wel helpen maar u moet één ding van mij weten.
Oh?
Ik zal het proberen uit te leggen. Het is iets dat de mensen moeten weten voordat ze mij inhuren voor tuinen.
- Ik heb maar één tuin.
Ook goed. Doe ik ook. Ik heb alleen wel een voorwaarde. Daar ga ik prat op. Dat zeg ik overal. Dan kunnen de mensen daarna zelf kiezen of ze mij aannemen of een ander. Daar ben ik heel duidelijk in.
Oh, okay.
Het is heel makkelijk. De struik heeft een keuze. Net als u, net als ik. Mijn vrouw zegt ook altijd: Jan, jij kunt niet voor een baas werken, en daar heeft zij gelijk in. Dat kan ik niet. Maar die plant ook niet. Die gaat zijn eigen gang. Begrijpt u?
Als u het zegt.
Ik zeg dat. Als u een favoriete pizzeria in de buurt hebt, en er opent er eentje vlak voor uw huis, gaat u niet ineens naar die nieuwe pizzeria toe. U zou wel gek zijn. Die oude vertrouwde is fijn. U kent de mensen daar, de pizza’s zijn er lekker, wat moet u met die nieuwe?
Tja…
Precies, dat bedoel ik. Voor uw struik geldt hetzelfde. Die eet en groeit waar en hoe hij wil. Hij maakt zijn eigen keuzes. Dat vind ik mooi. Dat doe ik ook. Mijn vrouw zegt altijd: Jan, wat jij in je kop hebt, heb je niet in je kont. En zo is dat. Daarom doe ik graag tuinen. Tuinen denken net zo. En die struik van u, die heeft gekozen. Die groeit de kant op die hij wil. Dus ik wil hem best een beetje snoeien, puntjes knippen, uweetwel, maar meer ook niet. Ik ga niet tegen zijn wil in.
Hm.
Glazenwasser barst in lachen uit: Ja, nu twijfelt u, hè. U denkt, Jan is gek. Maar zo is het, en voor minder doe ik het niet. Zal ik anders zaterdag maar gewoon voor uw stoepje komen?